De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Boekbespreking

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Boekbespreking

7 minuten leestijd

pr. Harmen Jansen, % Door Simon gezien. Anderhalve eeiïto theologisch debat in het Nederlandseprotestantisme over de opstanding van Christus. ____ V\

Diyooek heeft twee spitsen. In de iNhHStf"'* plaats is het een analyse van anderhalve eeuw theologiegeschiedenis over de feitelijkheid en betekenis van de opstanding van Christus sinds D. F. Strauss en zijn mythische opvatting van de opstanding. In de tweede plaats probeert de schrijver een eigen dogmatische visie te ontwikkelen. Het resultaat is een lijvige studie, waarop hij op 14 maart jl. promoveerde in Utrecht. Voor zijn promotor, professor De KnijfF, was het de laatste keer dat hij als promotor mocht optreden. De auteur verrichtte zijn onderzoek naast zijn werk in de gemeente. Uit ervaring weet ik hoe het niet eenvoudig is een werkkring te combineren met een promotiestudie. Graag wil ik hem van harte gelukwensen met de behaalde titel.

Aanleiding voor het onderzoek van dr. Jansen is het debat dat eind jaren tachtig ontstond naar aanleiding van uitspraken van Van Gennep over de opstanding. Na Van Genneps overlijden zakte het debat spoedig weg. De vragen rondom uideg en interpretatie van de opstandingsberichten zijn gebleven en zij voeren ons in het spanningsveld van evangelie en moderniteit. Jansen beluistert in dit debat enerzijds een benadering waarbij men met rationele argumenten de feitelijkheid van het lege graf probeert te verdedigen - het zgn. supranaturalisme van geleerden als Doedes en Van Oosterzee - anderzijds een vlak modernisme dat via de visioensthese het heilsfeit ontkent, de berichten inzake het lege graf voor legenden houdt en tot een vergeestelijkte uideg komt. Volgens Jansen voeren beide interpretaties ons in het slop, zoals hij in een theologiehistorisch overzicht van Doedes tot en met Kuitert laat zien. In het spoor van de ige-eeuwse theoloog Chantepie de La Saussaye, Noordmans en Geense probeert hij het waarheidselement van de visioensthese te verbinden met de belijdenis van de opstanding van Christus als daad van God en gebeurtenis tussen God en mens. Verwijzend naar de geestelijke tegenwoordigheid van Christus in het avondmaal legt hij nadruk op de geestelijke betekenis van het paasfeit, het sterven en opstaan met Christus en het delen in de verzoening. Voor de uideg van de berichten over de opstanding grijpt Jansen terug op de inzichten van Drewermann, die hij wil verbinden met de gereformeerde leer van het inwendig getuigenis van de Geest in ons hart. De typering in het persbericht van de uitgever: een relativerende, maar gelovige benadering van de belijdenis van de opstanding, lijkt me juist om de teneur van dit boek te typeren. Ook voor Jansen behoort het geloof in de levende Christus tot het hart van het belijden, maar hij meent dat het vasthouden aan de historiciteit van het lege graf en daarmee aan een lichamelijke opstanding in de letterlijke zin onnodig blokkades opwerpt.

Dat de opstanding van Christus als feit van een andere orde is dan de nederlaag van Napoleon, is op zich juist. Het is een heilsfeit dat niet in te passen is in deze tegenwoordige wereld, maar een gebeuren in het koninkrijk van God. Het Nieuwe Testament beschrijft - anders dan de verhalen over Jezus' dood - nergens het feit van de opstanding. We zullen als het gaat om de lichamelijkheid van Christus' opstanding, altijd weer moeten bedenken dat het gaat om een verheerlijkt lichaam. Jezus is opgestaan aan gene zijde van de dood. Jansens analyse Iaat zien dat een rationele verdediging van de historiciteit je makkelijk in valkuilen doet terechtkomen. We staan voor een geheimenis dat we rationeel niet inzichtelijk kunnen maken. Maar niettemin zijn evangelisten en apostelen eenstemmig in hun belijdenis van het 'waarlijk opgestaan'. Dat sluit het lichamelijk aspect in. Om het te zeggen met een citaat van de Utrechtse hoogleraar J. Muis: De opstanding van Jezus is een opstanding met zijn aards vergankelijk lichaam in een geestelijk onvergankelijk lichaam.

Bij Jansen vind ik daar toch te weinig van terug. Loopt zijn bemiddeling als het er op aan komt toch niet uit op een vergeestelijking van de opstanding? De verwijzing naar de tegenwoordigheid van Christus in het avondmaal is op zich waardevol. We ontmoeten bij brood en beker de Levende, die door zijn Geest wereldwijd present is. Maar de grond van die tegenwoordigheid is toch de lichamelijke verrijzenis van Christus als heilsfeit en het feit van zijn hemelvaart voor de ogen van zijn leerlingen. Ontkom je door je te beroepen op Drewermann aan een verpsychologisering van de heilsboodschap? Hoe kun je blijven spreken van de opstanding des vleses op de jongste dag als het 'lichamelijk opgestaan' zo geestelijk wordt uitgelegd? Kun je zo makkelijk een visionaire ervaring verbinden met de gereformeerde leer van het inwendig getuigenis van de Geest? Is de grond voor de verschijningen van Christus niet juist het 'waarlijk opgestaan'? Exegeten wijzen er immers op dat de verschijningen van Christus zoals Paulus die beschrijft in 1 Kor. 15 openbaringskarakter dragen en niet op een lijn te stellen zijn met visionaire ervaringen waarover de apostel in 2 Kor. 12 spreekt Het moet me trouwens van het hart dat ik het bijbels-theologische stuk op blz. 39W erg eenzijdig vind. Zou Jansen exegeten als Stuhlmacher, Marshall, Hengel enz. in zijn overwegingen betrokken hebben, dan zou hij m.i. tot andere conclusies gekomen zijn. De berichten over het lege graf bijvoorbeeld berusten wel degelijk tot de traditie van de gemeente en zijn niet af te doen als latere beweringen van de evangelisten. Ik val de auteur bij dat het lege graf op zich geen bewijs is van de zekerheid van de lichamelijke verrijzenis - vgl. Matth. 28 : iiw - maar voor het geloof is het wel degelijk van betekenis als een 'afdruk van de toekomende wereld in onze werkelijkheid, zoals een wandelaar op het natte strand een spoor achterlaaf (T. Poot). Bij de lezing van Jansens boek krijg ik het gevoel dat die afdruk verdwijnt onder de vloedgolf van de

godsdienstpsychologie. Of lees ik de auteur dan verkeerd? Dat zou best mogelijk zijn, want eerlijk gezegd vind ik het betoog moeilijk te volgen. Dat ligt aan de stof en de veelheid van onderwerpen maar toch ook aan de schrijftrant van de auteur.

Het overzicht over de Nederlandse theologie van de laatste 150 jaar is boeiend. Wel vraag ik me af of de auteur die niet te veel leest door het dilemma dat hij in hoofdstuk 1 schetst tussen het modernisme en een rationalistische verdediging van het feit van de opstanding. Met name in de paragrafen over Berkouwer en Van Ruler heb ik me afgevraagd of hij de auteurs recht doet. Dat hun argumenten meer problemen oproepen dan ze oplossen, zal wel waar zijn. Maar heeft dat niet alles te maken met het geheimenis waar we voor staan, zodat je' met je denken altijd aan een grens komt. Is Jansens eigen stellingname niet minstens zo problematisch, gemeten aan het bijbels getuigenis en het belijden van de kerk? Ik heb dus nogal wat aarzelingen en vragen bij dit boek. Loopt de door Jansen ondernomen bemiddelingspoging tussen evangelie en moderniteit er toch niet op uit dat onopgeefbare elementen van het bijbels getuigenis vernevelen en wegvallen? Ik schrijf dit met een zekere aarzeling, want ik ken de auteur als een integer theoloog, die het er oprecht om begonnen is om het evangelie van kruis en opstanding in zijn positieve betekenis te delen met de mens van vandaag. Dat is voor niemand een eenvoudige zaak. We kunnen sinds de Verlichting niet doen alsof er ten aanzien van de opstanding geen vragen zijn. Al moetje er natuurlijk wel bijzeggen dat een lichamelijke op-standing al in Paulus' dagen voor de verlichte mens een dwaze bewering was (Hand. 17). Ik zou het jammer vinden als kritiek op een auteur die zich in dit debat kwetsbaar opstelt ertoe zou leiden dat we onder ons zouden menen aan dit boek geen boodschap te hebben. Ook wie de visie van de auteur afwijst, staat voor de uitdaging hoe we in onze tijd spreken en preken over het geheimenis van Pasen, het fundament voor ons geloof en ons kerk-zijn.

A. NOORDEGRAAF, EDE

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 mei 2002

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Boekbespreking

Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 mei 2002

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's