De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de pers

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de pers

12 minuten leestijd

Nestwarmte en nesterigheid

Dezer dagen las ik het prachtige boekje van dr. Wim Verboom 'Het bevindelijke nest' (uitg. Groen, Heerenveen). Verboom vertelt over het gezin en het milieu waarin hij is opgegroeid en opgevoed. Het sprak me daarom zo aan, omdat het bijna een kopie is van het geestelijk klimaat waarin ik zeifin de vijftiger jaren van de vorige eeuw ben groot geworden. Het riep daarom heel veel herinneringen wakker, maar het stelde me ook voor vragen. Vragen die me allang bezighouden: waar is dit geestelijk opvoedingsklimaat gebleven? Maar vooral: hoe komt het dat de één er louter positief op terugziet en anderen met veel meer gemengde gevoelens?

Waarom heeft het bij de één zo zegenrijk gewerkt, maar waarom zijn anderen er finaal op afgeknapt toen ze buiten het 'bevindelijke nesf terecht kwamen? Waar heeft dat mee te maken? Verboom geeft er in zijn Naschrift aandacht aan.

'In de verhalen die ik in deze bundel schreef, heb ik geprobeerd te verwoorden hoe de leefwereld waarin ik opgroeide er van binnenuit bekeken uitzag. Dus hoe ik deze wereld zelf beleefde.

Nu, een halve eeuw later, kunnen we alleen maar constateren dat deze leefwereld bijna niet meer bestaat.

Dat geldt voor velen ook wat betreft de wijze waarop het geloof beleefd werd. Veel daarvan is voorbij en keert niet meer terug. Op zichzelf beschouwd is daar niets mis mee. Iedere tijd met haar geloofsbeleving kent haar eigen context, die bepaald wordt door een samenstel van factoren die op dat moment aanwezig zijn.

De vraag rijst of de veranderingen die zich in onze cultuur voltrokken hebben van dien aard zijn, dat het ook tot die veranderingen zelf behoort, dat men het overgeleverde christelijk geloof achter zich Iaat. Is het geloof, ook het bevindelijk geloof, uit de tijd? Bij velen van mijn generatie is dat het geval. Toonaangevende personen in onze cultuur zoals Jan Wolkers, Maarten 't Hart, Aleid Schilder en anderen komen daar openlijk voor uit. Sterker nog: zij spreken soms met afkeuring over de geloofsopvoeding die zij hebben ontvangen. Zoals een eend het water van zich afschudt, zo proberen velen met hen het verleden van zich af te schudden.

Maar ik vraag hun: hoe komt het dat anderen - onder wie ik zelf - tot heel andere keuzes gekomen zijn? Terwijl wij toch ook midden in onze tijd, met beide benen op de grond willen staan?

Ik kan alleen maar voor mezelf spreken als. ik beken dat het voor mij van doorslaggevende betekenis is geweest dat ik bij mijn ouders merkte, dat hun omgang met God een levende realiteit was, bevindelijke werkelijkheid. Kortom: echt. Dat authentieke moet ik niet verdringen, maar toelaten. Mijn ouders waren voor ons als kinderen "voorgangers", die in zwakheid en kwetsbaarheid verantwoording voor ons droegen en ons ook leerden wat een verantwoord leven inhield.

Het is deze hartslag van het geloof, die niet tot zwijgen gebracht kan worden. Het leven met God ontvangt zijn inhoud en vorm mede door de context waarin men leeft. Elke keer moet de pop van het geloof weer tot vlinder worden. Wij zullen het in onze nieuwe eeuw niet meer kunnen en niet meer hoeven te doen met precies dezelfde vormen van de geloofsbeleving van de mensen van een halve eeuw geleden. Het zal erom moeten gaan die expressie aan de beleving van het christelijk geloof te geven, die bij onze tijd past.

Het authentieke voorbeeld van het voorgeslacht zal daarbij een onopgeefbare inspiratiebron zijn.

Naar mijn overtuiging zullen er juist voor het bevindelijke geloofsleven nieuwe uitdagingen en mogelijkheden zijn in de eeuw die voor ons ligt.

Tegelijk moet gezegd worden, dat het christelijk geloof, ook al geeft de ene generatie die aan de andere door, nooit vanzelfsprekend is.

God te mogen kennen is en blijft een onbegrijpelijk groot geschenk dat een mens alleen uit pure genade ontvangen mag.'

In de literatuur kom je het thema van nestgeur en nestverlaten ook tegen, hoewel de felste anti-gereformeerde boeken wel zijn geschreven intussen. Verboom noemt een paar namen: Wolkers en 't Hart. Ik herinner me als jong student voor het eerst een boek van Wolkers te hebben gelezen: Kort Amerikaans. Ik schrok me ongelukkig: wat een vrijmoedige erotische passages, wat een schokkend taalgebruik. Een paar jaar later volgde Terug naar Oegstgeest. Openhartig en soms bruut nam hij afscheid van een opvoeding die Verboom zo positief weergeeft. Daar kun je natuurlijk van alles over zeggen. Wolkers stamt uit een 'dolerende' traditie: méér leerstellig, minder gevoelsmatig etc. Toch blijft het een mysterie. Wolkers vond en vindt nog altijd zijn gereformeerde opvoeding en achtergrond om zo te zeggen 'nesterig': nuffig, saai, vervelend.

Bijbel en literatuur

Nu gaat het me er niet om de lezing van Wolkers' werk aan te bevelen. Wel is het opmerkelijk dat de invloed van de Bijbel en met name in de Statenvertaling zijn schrijven blijvend heeft gestempeld. In Ons Erfdeel (Algemeen- Nederlands cultureel tijdschrift) 45e jrg. nr. 2 - maart/april 2002 schrijft A. H. den Boef een bijdrage onder de titel: De neo-bijbelse wereldbeschouwing van Jan Wolkers. Ik citeer daaruit het volgende fragment:

'Het meest typerende trekje van Wolkers heb ik voor het laatst bewaard. Dat is de manier waarop hij zijn protestantse opvoeding (in het aan Leiden grenzende dorp Oegstgeest) heeft verwerkt tot een geheel eigen barokke stijl. Een homerische vergelijking gaat Wolkers niet uit de weg, maar het is vooral de plastische taal en beeldspraak van de Statenbijbel die we tegenkomen.

Dat klinkt opmerkelijk omdat religie in de Nederlandse literatuur een marginale rol speelt. Dat was al het geval voor de Tweede Wereldoorlog. Er roerden zich in de jaren dertig weliswaar nog genoeg protestantse en vooral katholieke literatoren, maar geen enkele van hen behoorde tot de literaire top. Romans van ongelovigen als S. Vestdijk over EI Greco qfPilatus bevatten destijdsgeen pleidooi voor de christelijke religie. De schrijvers die ertoe deden, schiepen immers geen positiefchristelijke helden meer. Evenmin beleden ze in interviews hun geloofinJezus Christus. Wij nemen nu als vanzelfsprekend aan dat auteurs niet godsdienstig zijn, maar vergeten vaak dat dit vroeger niet het geval was. Vorig najaar hield ik me enige tijd intensief bezig met het werk.van Du Perron en Ter Braak en de reacties op hun werk, tot dit besef als een jïits door mij heen schoot. De bezwaren die veel tijdgenoten tegen hun opvattingen maakten, hadden vooral te maken met het feit dat Du Perron en Ter Braak niet godsdienstig waren, niet meer uitgingen van een religieus wereldbeeld en op hun beurt bezwaren maakten tegen lieden met religieuze opvattingen.

Na de oorlog is godsdienst in de literatuur als positieve factor volkomen gemarginaliseerd. Op Gerard Reve na, die een geheel eigen versie van het katholicisme vervaardigde, waren alle belangrijke auteurs van zijn generatie anti- of areligieus. In de jaren zestig ontstond zelfs een hele hausse van protestantse en katholieke "nestbevuilers" (zoals ze in kerkelijke kringen werden genoemd) die zich in niet mis te verstane bewoordingen tegen de religieuze onderdrukking keerden waaraan ze in hun jeugd hadden blootgestaan. Niet alleen door die onderdrukking te beschrijven, maar ook door de schijnheiligheid van dominees, ouderlingen, pastoors, kapelaans en andere vrome lieden aan de kaak te stellen.

Jan Wolkers en Ton van Reen zijn voorbeelden uit de jaren zestig, Maarten 't Hart uit de jaren zeventig, maar in de jaren tachtig en negentig lijkt het of alleen de sektarische varianten van het geloof het moesten ontgelden, zoals in het werk van Jan Siebelink, Ton Anbeek of Alexander Zwagerman. En de kleine revival van religie bij auteurs als Andreas Burnier, Renate Dorresteijn, Willem Jan Otten en Vonne van der Meer is eerder als een variant van de new age-belangstelling te beschouwen, dan als een terugkeer van de Moederkerk in de letteren. Ze schrijven dan ook geen brave traktaatjes of een biografie van Jezus zoals hun religieuze voorgangers.

Ook voor de boeiende nieuwe lichting Nederlandse auteurs van allochtone herkomst - zelfs die met een islamitische achtergrond - is religie geen positief literair thema, geen ostentatieve inspiratie meer.

Auteurs van degeneratie van Wolkers hebben intussen zo'n ajstand van hun christelijke jeugd genomen dat zij zelfs nostalgisch kunnen terugblikken op dat beschermde milieu, zoals GerritKroI.'

Toen Wolkers 75 jaar werd (hij is geboren in 1925) viel het me op dat hij in allerlei interviews die hem werden afgenomen, zo stellig en enthousiast de Bijbel aanbeval als een boek dat fundamenteel is om de cultuur te kunnen begrijpen en om te weten hoe onze Westerse cultuur door dat Boek eeuwenlang is gevormd. Jammer dat de Bijbel voor hem niet méér betekent, geen boodschap van heil bevat. Hij is nog in de taal en de verhalen van de Bijbel doordrenkt geraakt. Hoevelen vandaag kennen de Bijbel niet meer en verzanden daarom in karikaturen waar het calvinisme dan gemakshalve weer de schuld van krijgt.

Bevinding en literatuur

De laatste jaren verschijnen er af en toe boeken geschreven tegen de ach-

tergrond van bevindelijk gekleurd geloofsleven door schrijvers die er zelf intussen afstand van hebben genomen. Mij valt de mildheid op waarmee ze die afstand onder woorden brengen in vergelijking tot Maarten 't Hart die het nog altijd niet laten kan zijn gereformeerde nest te bevuilen met goddeloze drek. In een interview in de Volkskrant (10 mei) omschrijft hij zijn bezigheid als: lekker jennen van het kerkvolk, vooral de voorgangers die hun hoorders maar voor de gek blijven houden met hun sprookjes waarin ze zelf allang niet meer geloven. De 'nevelachtigen' worden ze door hem genoemd.

Op die manier schrijft iemand als Robert Haasnoot niet over het bevindelijk levens- en gedachtepatroon. Onlangs verscheen zijn tweede boek, Steenkind geheten. Het gaat me niet om een recensie van dit boek. Het valt qua verhaal en uitwerking eigenlijk een beetje tegen. Toch intrigeert het om de thematiek die erdoorheen speelt. In het Reformatorisch Dagblad (woensdag 10 april 2002) schreef Enny de Bruin een uiterst boeiende recensie van Haasnoots boek. Ik citeer de slotalinea ervan:

'Maar ten diepste gaat het boek toch over het allergrootste thema dat een schrijver kan aansnijden: de zin van het leuen. Wouter vecht tegen zijn lot, maar tegelijkertijd is hij eraan overgeleverd. Het enige wat hij kan doen is de angst, het verdriet, het verraad bezweren. Door een gelukssteentje in zijn handpalm te nemen, door een bos bloemei) op een soort altaar in het bos te leggen, door te denken over de mythen en sagen uit het heidense verleden, door een pad ouer zijn rug te likken. Of door eindeloos te luisteren naar de geluidsbanden waarop zijn tante het boek Job heeft ingesproken. Daardoor verandert er niets, het lot blijjt even wreed, maar het biedt tenminste een beetje troost.

Dat is dan bij Haasnoot de rol uan het christelijk geloof, van de bijbelse waarheid. Het is slechts een uan de uele manieren die mensen hebben uitgevonden om - cjeconjronteerd met de verpletterende raadsels van het bestaan - op de been te blijuen. Ook al houden ze zichzelf daarmee een beetje uoor de gek.'

Spiegel

'Voor tuie de buitenkant uan het bevindelijke leuen doorslaggevend is, is het lezen uan dit soort boeken dus heel gevaarlijk - omdat zijn levensbeschouwing ten diepste geen andere is dan die van de schrijver. Voor wie weet dat tradities en vormen weliswaar noodzakelijke kanalen zijn, maar niet de kern uan de zaak uitmaken, is het confronterend. "Steenkind" houdt alle lezers een spiegel voor: zie je - of je nu kerkelijk bent of niet - alleen de buitenkant uan het geloojsleuen, of heb je ook een vermoeden van het wezen? Weetje zelf wel wat geloven is, wat bevinding betekent en wat gereformeerd zijn inhoudt? Of is je "geloof' alleen een tovermiddel om de angst te bezweren? '

Van de hand van Rob van Essen verscheen begin dit jaar de roman Kwade dagen, spelend voor een belangrijk deel in Rijssen. De schrijver is opgegroeid rond en in de Zuiderkerk van de Gereformeerde Gemeente aldaar. In een bespreking, eveneens in het RD (6 maart 2002) door Tjerk de Reus, zegt de schrijver de kerkelijke sfeer in Rijssen als benauwend te hebben ervaren. Maar wat me vooral trof, is zijn beleving van schuld als kind en opgroeiende puber. De vader van Rob van Essen herkent in de roman van zijn zoon de schuldproblematiek. Als Verboom Aleid Schilder noemt, dan zal hij misschien ook denken aan de manier waarop zij heeft afgerekend met de gereformeerde visie op zonde en genade. Toch blijkt uit de pastorale praktijk, maar ook uit een roman als van Rob van Essen, dat een bevindelijke opvoeding waarin deze noties centraal staan soms toch tot ontsporingen leiden die mensen hun leven lang tekenen en in het ergste geval: geheel doen vervreemden van kerk en geloof, van God en Jezus Christus.

En dan ben ik weer bij het begin. Mij hield het eenvoudig geschreven, maar warm getuigend boek van mijn collega en leeftijdgenoot dagenlang bezig: hoe komt het toch dat de één zijn opvoeding als een diepe zegen ervaart en een ander er soms jarenlang mee worstelt om alles in z'n leven op zijn goede plek te krijgen of nog weer anderen het als een buitengewone opluchting ervaren eindelijk verlost te zijn van de kneuterigheid en de nesterigheid waarin ze zich verstrikt wisten van kindsaf aan.

Ik denk aan een paar regels uit een gedicht van Henk Knol in de bundel Houdbaar Stof (Boekencentrum 2000). Boven het gedicht staat: Bij eenjöto met als onderschrift een regel van Hein de Bruin dat luidt: Jobs kinderen zijn beschroomde theologen.

De dichter beziet een gezinsfoto toen hij en zijn ouders nog jong waren met de ogen van thans: de opvoedingssituatie, ik vermoed degelijk gereformeerd. En sluit dan af met de veelzeggende woorden die op het heden slaan:

Ik sterf uan zekerheid en kan er niet meer bij, ik teer op kindermeel en kleingeloof, maar vader, toe, zegen, zegen ook mij.

J. MAASLAND

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 juni 2002

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Uit de pers

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 juni 2002

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's