Dromer van een kerk [2]
Over de kerk
Na Israël de kerk. Onder de titel 'Een leerling van Hoedemaker? ' schrijft H. Visser over de kerkvisie van Van der Graaf. Ook op deze bijdrage ga ik wat breed in, omdat hierin uiteraard een fundamenteel aspect van Van der Graafs denken, spreken en handelen aan de orde is. Volgens Visser is de kerkvisie van Van der Graaf'bepaald door het geloof, wordt zij gedragen door de liefde tot de kerk, op de proef gesteld door het lijden aan de kerk en ligt zij verankerd in de hoop op Gods verbond met de kerk'. Hij benadrukt in zijn bijdrage het feit dat wij de kerk gelóven. Daarbij hoort onlosmakelijk haar katholiciteit waarin de gereformeerde kerk wordt geplaatst in de ruimte van de kerk der eeuwen. Van der Graaf gaat in zijn denken immers sterk uit van het belijden zoals vertolkt in de Nederlandse Geloofsbelijdenis. Uit het 'de kerk geloven' vloeit heel wat voort dat onze houding dient te bepalen: ootmoed, solidariteit in de schuld aan het verval, maar ook vertrouwen in God en overgave aan Christus, de Heere der kerk. Ieder van ons weet hoe vaak Van der Graaf de 'gruis-en puin-woorden' van de 102e Psalm gebezigd heeft. Dat geeft ook aan hoezeer de kerk een bevindelijke notie is. Zij heeft haar plaats in de verborgen omgang met God, in haar noden en haar zegeningen. Je kunt de kerk niet geloven zonder haar lief te hebben. Die liefde ziet beslist de gebreken, maar is vooral verwonderd over de genade Gods die ons in haar midden verkondigd wordt en over de sacramenten die wij in haar schoot ontvangen. Hier moet de dode rechtzinnigheid niet in de strijd geworpen worden want zij weet niet wat de liefde Gods is; zij brengt zoveel ongeestelijks voort, juist in de strijd, het geding om de waarheid.
Lijden
En dan het lijden aan de kerk. Bijna is die uitdrukking door Van der Graaf spreekwoordelijk onder ons geworden. Het lijden aan de concrete Hervormde Kerk, als belijdende kerk met name. Een lijden dat in tal van facetten aan de dag komt, onder meer in het tanen van de passie om de afgedwaalden te zoeken en terecht te brengen, met daarin het faillissement van de naoorlogse apostolaatstheologie. Maar lijden aan de kerk is vooral lijden aan onszelf, in het besef van eigen schuld en onvermogen. Een bijzonder element daarin, door Van der Graaf in toenemende mate benadrukt, is de groei van het kerkelijk individualisme: ongeremde perforatie, onkerkelijke polarisatie en verachting van de sacramenten.
Van der Graaf is zeer betrokken geweest vanuit bovengenoemde grondpositie bij de opstelling en de uitwerking van het in 1971 gepubliceerde Getuigenis. Ik realiseer mij dat de jonge generatie daar slechts uit de overlevering van weet. Alle arbeid in de kerk heeft iets van tijdgebondenheid. Maar
Van der Graaf heeft met anderen samen een document ons gegeven waarmee wij vandaag nog altijd onze winst moeten doen. Het Getuigenis wilde met klem stellen dat het belijden van de kerk prioriteit dient te genieten boven het apostolaat. Mij dunkt dat deze kwestie nog altijd actueel is en dat het niet onmogelijk is dat het vroegere front intussen als het ware naar binnen valt in eigen kring. Ik kom daarop in het opmaken van de balans nog terug. Visser komt tot de conclusie dat er naar het Getuigenis niet is geluisterd. Niet door de kerk, maar, zo vraagt hij zich af, door het hervormd-gereformeerde deel wel?
In dit kader wordt ook de verhouding tussen de Gereformeerde Bond en de Nederlandse Hervormde Kerk aangesneden. Als man van de kerk was Van der Graaf ook secretaris en woordvoerder van een modaliteitsorganisatie binnen de Hervormde Kerk. Zo'n positie kan iets van een spagaat hebben. Hij heeft er ook de nodige verwijten door moeten incasseren. De Bond zou vooral'het gelijk en de positie van eigen modaliteit, zeker in knelpunten binnen de kerk (grote steden, het Noorden), hebben gezocht en het markante hoofd van de secretaris heeft nogal eens iets van een kop van Jut gehad. En altijd weer luidde zijn adagium dat het de Bond niet om de macht ging maar om de kerk, om het blijvend gezag van het Woord van God in de kerk. En niet alleen bonders moesten worden bereikt maar ieder moest met het Evangelie in aanraking gebracht 'De kerk is er echt niet bij gebaat als er overal Gereformeerde- Bondsdominees komen maar wel als alle dominees gereformeerd gaan preken.'
Hoop
Geloof, liefde, lijden. Maar wat zouden zij betekenen zonder hoop? Van der Graaf heeft altijd hoop voor de kerk gehad en gehouden. Omdat de kerk niet rust in mensen, maar in God, de God van het verbond, de HEE- RE! Hier valt de naam van dr. Ph. J. Hoedemaker (1839-1910). Van der Graaf heeft er nooit een geheim van gemaakt dat, wat visie op de kerk betreft, Hoedemaker zijn grote inspirator en leermeester is geweest. De opstelling van Hoedemaker in de woelingen ten tijde van de Doleantie en ook in het begin van de twintigste eeuw is voor Van der Graaf van fundamentele betekenis geworden. Visser merkt terecht op dat er moed voor nodig was om Hoedemakers gedachtegoed te in- ' troduceren in de kring van de Bond, waar eigenlijk veel meer geestelijk-kerkelijke verwantschap met Abraham Kuyper de toon zette. Dat blijft een boeiende ontwikkeling die mijns inziens haar relevantie laat gelden tot op de dag van heden in de verwikkelingen en de misère in het kader van Samen op Weg. Het zou onder ons nu wel eens weer om Kuyper of Hoedemaker kunnen gaan, om zo te zeggen. En iedereen weet tot welke immense onderlinge spanningen dat kan leiden. Wat met 'Jan Rap en zijn maaf, althans wat daar nog van over is? 'Heel de kerk en heel het volk', zo luidde de leus, nee, het belijden van Hoedemaker. Deze stond, aldus Visser, een meer geestelijke, bevindelijke benadering van het kerkelijk vraagstuk voor. Contra Kuyper die deze kwestie streng juridisch- (kerk)ordelijk benaderde. Kuyper heeft 'afgeschreven wat wel geestelijk ziek was, maar niet dood', zei Hoedemaker. Hij geloofde in hope dat de waarheid zou zegevieren over liberalisme en modernisme en bleef daarom uit gehoorzaamheid aan Gods verbond in de diep vervallen moederkerk.
Het is deze visie, dit geloof en deze hoop die Van der Graaf met alle klem getracht heeft ingang te geven onder de hervormd-gereformeerden. Het heeft van jaren her al voor hem vastgestaan dat het moment van (op)breken pas is aangebroken als men met de prediking van het totale Woord van God niet meer terecht kan in de kerk. Dat is toch in hoofdlijn de koers van de Bond geweest en steeds meer geworden. Van der Graaf heeft daar heel duidelijk zijn inbreng bij gehad. Ook hier liggen vragen waarop ik verderop nader wil ingaan. Zij raken uiteraard het bestaan van de Bond zelf. Waarom een 'Bond' als men zegt 'heel de kerk en heel het volk' op het oog te hebben?
Verbond
Het verbond van God is de uiteindelijke motivatie om tot het alleruiterste toe in de kerk te blijven. In deze visie is afscheiding verbondsbreuk en daar ligt tot op de dag van heden het geding met de Afscheiding en de daaruit stammende kerkgenootschappen. Visser signaleert een constante onderstroom van verbondsdenken in de vele artikelen en geschriften van Van der Graaf. Het brengt hem tot de vraag of het hoofdbestuur van de Bond de ecclesiologische vragen op dit punt niet helderder uit de verf had moeten laten komen. Hij heeft de indruk dat deze dingen pas zijn gaan leven toen het er in het SoW-proces om ging spannen. Is de taak van het hoofdbestuur om de relatie tussen verbond en kerk theologisch, bijbels verantwoord te vertolken en in het licht te stellen, wel voldoende ten uitvoer gebracht? Een beetje ondeugend zou ik willen zeggen dat Visser dat misschien zelf, als oud-bestuurslid, redelijk goed zou kunnen duidelijk maken...
Wij moeten, ondanks het verval van de kerk, stelt Visser, voor haar ontrouw aan de God van het verbond ootmoedig schuld bekennen en gelovig blijven hopen op de trouw van God, daarmee Van der Graafs kerkvisie samenvattend. Hier liggen, dunkt mij, nogal wat vragen, ook als wij belijden dat onze ontrouw Gods trouw niet teniet doet. Wie weet de dingen altijd zuiver te vertolken en ontwikkelingen recht te duiden? Wij zitten heden midden in zulke vragen. Van der Graaf heeft zelf gezegd: 'De kerk is wel degelijk verbondsgehoorzaamheid verplicht jegens de God van het verbond, maar het voortbestaan van dat verbond is daarvan niet in eerste instantie afhankelijk.' Welke ecclesiologische implicaties daaruit voortvloeien, is een vraag die mij en uiteraard zeer velen bezighoudt. Zij heeft oogziens alles van een vergaarbak maar is, bijbels verstaan, schaapskooi van de kudde van Christus. Wie kan die twee ooit harmoniëren? Hier wijst de hoop wegen die ons verstand niet verstaat en waarop onze natuurlijke vroomheid stuk breekt. Daar opent het geloof waardoor de goddeloze gerechtvaardigd wordt, onvermoede perspectieven, ook en juist in de kerkelijke noden en ellenden. En dat geloof dat leeft in de hoop, hecht zich als een klimplant aan het Woord van de belofte, ons gegeven en verzegeld in de Doop. 'Aanschouw Uw verbond!'
A. BEENS, KATWIJK AAN ZEE
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 juni 2002
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 juni 2002
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's