Uit de pers
Winst oQen verlies Levéren ontwikkelingen in de samenleving en in de cultuur voor ons mensen en voor onze kinderen louter winst op? Gaan we er steeds meer op vooruit in de verbanden van het leven waarin we staan en gaan? Het blad Wapenveld iseenoieuwepEtrserie gestart onder de titel Schade aan de ziel. Eén van de redacteuren, drs. W. H. Dekker, opende in het eerste nummer van de 52e jaargang de reeks met een introductie op het thema. Twee woorden van Jezus die elk een tegenspraak lijken te bevatten liggen ten grondslag aan de jaarserie: Wat zou het een mens baten wanneer hij de wereld won, maar schade leed aan zijn ziel? En dit woord: Indien de tarwekorrel niet in de aarde valt en sterft, blijft hij alleen; maar sterft hij, dan draagt hij veel vrucht. Twee uitspraken van Jezus die totaal haaks staan op het algemeen levensgevoel. Probeer het maar eens uit te leggen: je leven niet lief te hebben en het juist zo te vinden. Te sterven om zo tot het werkelijke leven te komen. Drs. Dekker is socioloog (Chr. Hogeschool, Ede) en als zodanig trof me de volgende analyse in zijn introductie op het jaarthema: 'Voorzover de sociologie van de laatste decennia zich bezighield met de mens en zijn vervreemding, lag het accent op de analyse van de gevolgen van onderdrukking door instituties en tradities. Impliciet werd de oplossing gezocht in de bevrijding van mensen uit die structuren. In een zegetocht naar meer autonomie en minder beknelling sneuvelden God, kerk, overheidsgezag en burgerlijke structuren als rollenpatroon, gezin en familiaire zorgsystemen. Met als resultaat individualisering en een verzorgingsstaat'. We lijken daarmee veel gewonnen te hebben, maar lopen het geweldige risico 'schade te lijden aan onze ziel'.
In een vervolgartikel (Wapenveld, jrg. 52 nummer 2, april 2002) spitst Dekker dit alles toe op kinderen, opvoeding, kerk en geloof in een artikel waar hij boven zet Als kinderen leven we van het geloof van onze ouders met als ondertitel 'De schade huist in de leegte'. Het winnen van de wereld trekt zijn sporen in de verhouding ouders en kinderen, waarbij de schade aan de ziel huist in het feit dat de overdracht van wat er werkelijk toe doet voor het leven van kinderen niet echt meer lukt. Ik citeer nu een gedeelte waarin Dekker ook voor kerk en gemeente de gevolgen signaleert.
'Het pedagogisch en didactisch klimaat in de kerkelijke gemeente is aanmerkelijk opgeschoven. Natuurlijk is mijn referentiekader beperkt. Myn kindertijd speelde zich eind jaren zestig, beginjaren zeventig af. Hoezeer ik het ongewone van mijn zondagse kerkgang (twee keer anderhalf uur) te midden van mijn vriendjes in de fiat ook besefte, zij gingen nooit of hadden toen al kindernevendienst, in ons gezin was het volstrekt vanzelfsprekend. "Als je ken, moetje gaan" luidde steevast het antwoord, als ik al eens aangaf, wegens lichte griep, niet te willen. Dat geen zin ook een argument zou kunnen zijn, kwam in mijn hoofd niet op. De vraag uit de Heidelberger Catechismus "wat baat het u dit alles te geloven? " had alleen een didactische Junctie. Stil zat ik daar. Creatief rekenend met de cijfers van het psalmenbord, spelend met schaduwen en lampen, een enkele keer luisterend naar de predikant. Eenmaal de vaardigheid van het lezen eigen, las ik de verhalen van Jozef en Esther. En zingen, heel hard zingen. Totdat ik de glimlach zag op het gezicht van mijn moeder of de omz ittenden.
Een enkele keer kreeg ik een indruk, een tekst qf een versje. Soms alleen de rol dropmintina. Ik leerde er stilzitten, dromen en zeker ook luisteren. Maar ik deed er ook kennis op. De tale Kanaans, psalmversjes, bijbelverhalen, tekstflarden, de wet, de liturgische jörmules. Bovenal een besef van heiligheid. Een enkele keer benauwend, meestal liefdevol. In moderne onderwijstermen heet dit het transfereffect van leeractiviteiten. Onbedoeld leerrendement. We werden immers zelden of nooit expliciet aangsproken. En als dat al eens gebeurde getuigde het van tenenkrommende pedagogische vaardigheden. Slechts één keer per jaar was er een dienst voor kinderen. Zonder votum en groet. Op tweede kerstdagmiddag. Kinderverhaal, bijbelvertelling, sinaasappel, kerstkransen en een boek.
Terwijl ik het opschrijf lijkt het welhaast prehistorisch te zijn. De aanwezigheid van kinderen en jongeren in de kerk is niet langer vanzelfsprekend. Was er vroeger verheuging over het Jeit dat ouderen na ziekte weer in de kerk kwamen, nu zijn wij eerder verwonderd dat er jongeren zijn. Het verwonderd en verrast zijn dat jongeren geloven en trouw zijn aan de kerk stralen wij, volwassen gemeenteleden, ook uit, terwijl dit toch niet meer dan de beantwoording van ons doopgebed is. We organiseren aparte momenten voor jongeren, daarmee bevestigend dat gewone diensten wellicht niet de moeite waard zijn. Dominees stappen tijdelijk uit hun ambtelijke waardigheid om een "spontaan" kinderpraatje te houden. Niet zelden met voorwerpen, plaatjes of sprookjes, daarmee hun verlegenheid met de bijbel en preek als woorden voor kinderen verradend. Diensten worden opgeleukt. De catechese is niet langer onderwijs in de leer, maar een praatgroepje waar jongeren gevraagd wordt wat het hun nog doet. Met het accent op "nog".
Het Jèlste verzet tegen "saaie" diensten tref ik niet aan onder jongeren en kinderen zelf, maar bij de (groot)ouders die bang zijn dat hun kinderen er niets meer aan vinden. De zorg om kerkverlating is groot en zit er diep in.
Wat mij hierin opvalt is dat kerk en geloof
aan jongeren voorgesteld wordt. Ze worden dringend en smekend en tegelijkertijd vertwijfeld uitgenodigd om te gaan geloven. "Kiezen voor Jezus" is iets heel anders dan het "ze met de Heiligen Geest laten regeren". Christelijke opvoeding en kerkelijkjeugdwerk lijkt de "geïndividualiseerde wil" van het kind te veronderstellen.
In de tale Kanaans werd en wordt gesproken over "jaloersmakende genade". Tegenwoordig gebruiken wij woorden als "de communicatie van het geloof", "doelgroepen" en "de metafoor van de markt"; zeker als we het over jongeren en kinderen hebben. Om in dit jargon te blijven: hoe een product te verkopen als je er zelf als verkoper niet in gelooft en meewarig naar je klanten kijkt? '
Ik ben het wel voor een deel met Dekker eens dat we ervoor moeten oppassen de bakens niet zo ver te verzetten dat we geen werkelijke inhoud meer overhouden om door te geven. Intussen is het voor mij wel een vraag of je als gemeente niet rekening hebt te houden met veranderde omstandigheden die geweldige invloed hebben op de mens als persoon, als gelovige. Ik herken de schets die Dekker geeft van vroeger jaren, al ben ik van nog een paar generaties eerder dan hij is. Je vulde als kinderen banken en stoelen van het kerkgebouw en verder werd er over je hoofd heen gepreekt, wat niet wil zeggen datje daardoor niets begreep of opving. Wat is er verkeerd aan om kinderen soms apart aan te spreken? Verlagen wij daarmee onszelf als voorgangers? Onlangs nam Jaap Graveland afscheid als jeugdwerkadviseur in de provincie Gelderland van de HGJB. In interviews vroeg hij terecht aandacht voor het verdwijnen van steeds meer jongeren uit de kerk. En juist daar waar wij nog jongeren kunnen bereiken en merken dat (ver)oude(rde) methoden bijvoorbeeld in de catechese niet meer werken, hebben we te zoeken naar methoden die meer van deze tijd zijn in de hoop zo onze jongeren blijvend te interesseren voor God en Zijn dienst. De onkunde is zo aangrijpend groot, ook in onze hervormd-gereformeerde gemeenten, dat ik ook weieens moedeloos denk: we gaan dezelfde kant op als anderen, meer modern-gereformeerden, allang vóór ons zijn gegaan.
Opleuken
Dat lijkt een nieuw woord te zijn in onze taal: opleuken. Leuker kunnen we het niet maken, aldus de belastingdienst van ons goede vaderland. Kerkdiensten moeten vooral 'leuk' zijn. Dr. Gert Marchal (Beekbergen) loopt er ook geregeld tegen op in zijn contacten met gemeenteleden. Hij is het ermee eens datje de zaken van kerk en geloof helder en aansprekend moet brengen. Maar het gaat in de kerk niet om leuke dingen. Ik citeer een deel van zijn artikel in het Centraal Weekblad van 14 juni 2002 dat hij dit opschrift meegeeft: Religieuze fanfare houdt geen stand.
'Aansprekend is iets anders dan leuk. Alles moet "leuk" zijn tegenwoordig. Wellicht vroeger ook al, maar deze roep klinkt des te meer, des te sterker. De behoefte aan "leuke dingen" heeft naar mijn besef een sombere achtergrond. Wie enigszins is ingeleid in de psychologie - een gezonde dosis zeljkennis is al een uitstekende leerschool - weet dat een bepaald verlangen, veelvuldig benadrukt, meestal de vrucht is van een schrijnend gemis. Om een verwant voorbeeld te noemen: een gemeente zoekt een predikant(e); uit de profielschets van de gewenste voorganger kan men tamelijk goed ajleiden wat men tot dusver heeft gemist.
Wie heeft overigens ooit bedacht dat het horen bij deze God "leuk" zou zijn? Deze voorstelling van zaken kan zomaar een schijnvertoning worden, waarbij men elkaar zand in de ogen strooit. Dat kan nooit de bedoeling zijn. Het is helaas overbekend dat bepaalde vormen van verzekeringen gepropageerd, mensen aangesmeerd worden, waarbij de "kleine lettertjes" onthutsend zijn. Als de betrokkenen, de gedupeerden (zoals later blijkt) dat geweten hadden, zouden zij zich - zoals dat heet - geen oor hebben laten aannaaien. In het heilig evangelie staan de bepalingen echter in "grote letters".
Geloven in God heeft alles te maken met schuld belijden, de minste willen zijn, jezelf verloochenen, kruis-dragen en de Heer - voor wie in deze wereld geen plaats was en is - volgen. Daar is niets "leuks" bij. Het kostje alles en alleen zo zul je het leven ontvangen dat niet vergaat, dat nooit meer stuk kan gaan. Ook ten aanzien van de geloofsweg geldt: bezint eer ge begint! Als je niet bereid bent alles op te geven, kun je je beter niet met deze Heer inlaten.
Wat dit geloof, anno Domini 2002, inhoudt is een kwestie van zorgvuldig overleg, uan duidelijke richtlijnen die een omwenteling betekenen van alles wat men belangrijk vindt en hoog op de agenda heeft staan. Het is ongehoord boeiend om daarover van gedachten te wisselen en dit geloof op een aansprekende (!) wijze te vertalen, te vertolken naar de situatie waarin we ons hier en nu bevinden.
In en om de kerk zie ik zoveel dingen die ik beschouw als "religieuze Jan/are". Alles moet zó zijn dat mensen het leuk blijven vinden. Ik doe er niet aan mee omdat het - naar mijn besef - een manier van doen en geloven is die ons steeds verder van huis, ook van het Vaderhuis, brengt. Laten we eerlijk en eenvoudig zeggen, gehoord de Heilige Schnjt, wat het geloof hier en nu betekent. Als onze woordjes de voorrang krijgen boven de dienst aan het Woord rukt de religieuze fanfare telkens opnieuw uit. Het Woord, het evangelie heeft alles met vreugde te maken, maar dat is iets anders dan dingen die "leuk" zijn. Religieuze fanfare is van een ander karakter en kaliber dan de vreugde die opklinkt uit het heilige evangelie!'
In combinatie met wat we eerder schreven naar aanleiding van Dekkers bijdrage, lijkt me hier een begaanbare tussenweg te liggen.
J. MAASLAND
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 juni 2002
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 juni 2002
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's