De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Dromer van een kerk [4]

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Dromer van een kerk [4]

14 minuten leestijd

Theocratie

De dromer heeft ook een vriend; ik doel daarbij op ir. L. van der Waal, voor mijn gevoel van jaren her een onafscheidelijke kameraad van broeder Van der Graaf. Uiteraard ontbreekt een bijdrage van Van der Waal niet in de afscheidsbundel Dromer van een kerk. En zij gaat over een voor beiden aangelegen thema, de theocratie. Van der Graaf noemde zich eens een door het theocratisch visioen gegrepene. Van der Waal gaat in zijn artikel na hoe Van der Graaf aan dit onderwerp inhoud heeft gegeven.

Onlosmakelijk aan deze diepe interesse voor de theocratie is verbonden de naam van wijlen dr. A. A. van Ruler. Diens denken over dit thema is voor Van der Graaf de belangrijkste bron van inspiratie geweest. De proclamatie van het Koninkrijk Gods is, volgens Van Ruler, de kern van het bijbelse getuigenis. Heel de wereldgeschiedenis wordt door God gestuurd en is op dat Rijk gericht. En ieder die Van Ruler heeft gehoord of gelezen, weet van zijn grote waardering van het aards bestaan. Wat kon hij er op college bijkans lyrisch over spreken, zodat wij meermalen op de vrijdagmorgens er door meegesleept werden. Voor me-nigeen van mijn eigen generatie zijn dat onvergetelijke momenten geworden. Maar dat even terzijde! Van Rulers theocratisch gedachtengoed heeft eigenlijk niets aan actualiteit ingeboet. Van der Waals artikel maakt dat duidelijk. Het gaat er immers om dat aan de kerk staatsrechtelijk een plaats is toegekend en dat het volksleven geregeerd wordt overeenkomstig Gods geboden en beloften. Daarom was politiek voor Van Ruler 'een heilige zaak' en neutraliteit een onmogelijkheid. 'Men kiest vanuit de theocratie, de belijdenis dat God regeert, of men onderwerpt zich aan de een of andere ideologie' (74).

Bronnen

De studietijd bracht voor Van der Graaf als CSFR-lid de 'ontdekking' van Van Ruler mee, die op zijn beurt leidde tot een speuren naar de wortels van wat hij uit het ouderlijk huis had meegekregen, kerkelijk en politiek. Vader Bastiaan van der Graaf was een prominent SGP'er en mede gevormd door de prediking van ds. D. J. van der Graaf in diens Ridderkerkse jaren, een prediking met sterke nadruk op de gerechtigheid Gods. Met andere woorden: een vruchtbare voedingsbodem voor theocratisch gedachtengoed. En toen kwam de vraag naar voren naar het verband tussen Reformatie en Nadere Reformatie en Van Rulers theocratische conceptie. Voor het antwoord daarop kunnen we terecht in Van der Graafs boek In de Mozes en Adronstraat (1976). Van meet af heeft de Gereformeerde Kerk in ons land een levendig besef gehad van de verantwoordelijk-

heid die de kerk heeft naar volk en overheid, een visie die tot uitdrukking kwam in artikel 36 van de NGB. De kerk begeleidt de overheid in voorbede en gesprek en de overheid beschermt de (dan nog) ongedeelde Gereformeerde Kerk.

Van der Graaf raakte er diep van overtuigd dat het 'hachelijk zou zijn als deze periode uit onze geschiedenis zou wegzakken uit ons nationaal bewustzijn' (75). De wet van God, zo stelde Calvijn, moest het normerend beginsel van het overheidsbeleid zijn. De Reformatie wilde niet weten van een verinnerlijkte theocratie! Over actualiteit gesproken!

Luisterend naar Calvijn en geïnspireerd door Van Ruler, heeft Van der Graaf zo zijn conceptie van de theocratie ontwikkeld. En theocratie heeft dan twee zijden: er is de letterlijke zin van de Godsregering (zie Ps.99) maar zij is er ook als vorm van menselijke verantwoordelijkheid, een praktijk van overheidshandelen waarbij aan de doorwerking en zichtbaarmaking van de Wet van God in de samenleving gestalte wordt gegeven. Ook in het Nieuwe Testament gelden deze dingen. Ook daar is de 'overheid de wethouder van de Allerhoogste' (H. G. Abma). Dat alles betekent dat het bevindelijke dienen van God niet tot de binnenkamer beperkt blijft; de eer van God dient gestalte te krijgen in het geheel van het volksleven (76).

De kerk spreekt

Als een gouden draad loopt door de publicaties van Van der Graaf over dit onderwerp de nadruk op de profetische roeping van de kerk in de samenleving. Zo gezien kan de kerk nooit zich tevreden stellen met een plaats tussen allerlei organisaties en instellingen. Daarmee verloochent zij haar wezen, zij is draagster van het hoogste gezag, dat van de Waarheid van Gods Woord. Juist vanuit theocratisch oogpunt en zicht op de samenleving bekleedt de kerk in de samenleving een unieke positie. Het betekent dat Van der Graaf de visie van Kuyper afwijst, die stelde dat de kerk als organisme (via het getuigenis van haar leden, in specifieke organisaties) en niet als instituut een profetische taak heeft te vervullen. Hoedemaker komt hier ook weer aan de orde: 'het gaat niet zoals bij Kuyper om de majoriteit (meerderp w p heid A.B.) van de kiezers waaraan de overheid haar gezag ontleent, maar om de autoriteit van Gods Woord' (78).

In dit licht verwelkomde Van der Graaf het spreken van de Hervormde Kerk in haar nieuwe, belijdende kerkorde van 1951. Zij werd weer sprekende kerk. Het synodale geschrift De politieke verantwoordelijkheid van de kerk (1964) vond een goed onthaal bij de oud-secretaris van de Bond. Een zin als: 'kerk en staat hebben ieder een eigen verantwoordelijkheid in het Koninkrijk Gods', wekte zodoende nogal verwachting. Wij weten intussen de verdere ontwikkeling en de 'snelle afloop als der wateren'. Al spoedig boette het theocratisch spreken van de kerk in aan kracht en wezen en werd zij steeds meer slechts partij in het politieke krachtenspel. Juist toen de secularisatie om zich heen ging grijpen, verzwakte het getuigenis van de kerk meer en meer. Van der Graaf zag echter in de secularisatie nimmer een reden om de publieke functie van de kerk te heroverwegen. Integendeel. Hij bleef de dromer. Van een kerk en van een samenleving! Beide onder de gehoorzaamheid aan de waarheid van het Evangelie.

Schijnbare her-ijking

Van der Graaf heeft positie moeten kiezen in een afgaand getij in kerk en samenleving. Ook ten aanzien van het theocratisch ideaal. Van der Waal 'volgt' hem daarin in zijn bijdrage en het trof mij hoe intens de worsteling was en is om het rechte zicht op de theocratie te bewaren en er niettemin mee in rapport te blijven tot de samenleving en de kerk in de ontwikkelingen die zich in beide manifesteerden. Van der Waal oppert de vraag of er bij Van der Graaf sprake is van een her-ijking van het theocratisch ideaal. Immers, dat heeft de meeste kans van realisering wanneer de kerk één en ongedeeld is. Dat is namelijk mede-bepalend voor het gezag van haar spreken. En zo komt de grote pijn van de kerkelijke verdeeldheid weer naar voren. Van der Graaf zei het zo: 'Het theocratisch visioen was gegeven met het corpus christianum (zeg maar: een soort christelijk gemenebest, A.B.). Intussen erd de samenleving ontkerstend, de politieke constellatie paars en de kerk gesmaldeeld. Dat vraagt om her-ijking

van het theocratisch ideaal' (79). Wat bedoelt Van der Graaf met 'herijking'? Laat hij het oude ideaal los, past hij het aan of vult hij het anders in? Voor het antwoord op die vraag kunnen we terecht in de publicatie De apostel ook profeet (2001). Van der Waal oordeelt dat er eigenlijk van her-ijking geen sprake is. Integendeel, Van der Graaf houdt aan de theocratische gedachte vast, met alle klem zelfs. Hoe meer kerk en staat vervallen, des te urgenter wordt het theocratisch-profetisch getuigenis. De kerk mag allerminst lijdelijk toezien dat de politieke orde wordt losgemaakt van zijn wortels in de Wet van God. Maar hier rijzen in (post-)moderne tijden intussen wel de nodige vragen en problemen. Uit vervlogen jaren stamt al het begrip van de 'zedelijke draagkracht' van een volk, als het gaat over de normering van wetgeving en beleid in relatie tot de 'ontvankelijkheid' daarvoor van het volk. Hoe zit dat met die 'ontvankelijkheid'? Is zij er heden ten dage nog, althans voldoende? De cultuur wordt god-loos immers! En de kerk lijdt aan een schrikbarend functieverlies. Sinds de scheiding van kerk en staat (1795) kan de kerk staatsrechtelijk geen unieke plaats meer voor zich opeisen. Ik leg er de vinger nog maar even bij hoezeer dit item op dit moment de gemoederen beroert! De kerk wordt geduld als 'maatschappelijke organisatie' (sic!). Maar een christen kan toch geloof en politiek niet scheiden? Dat kan toch de conclusie op basis van de scheiding van kerk en staat niet zijn? Groen van Prinsterer stelde reeds dat het 'altijd plicht is om voor de Waarheid uit te komen'!

Van der Waal stelt dan dat de profetie tijd en wijze moet weten (80). Gezien de tijdsomstandigheden komt het primaat voor het profetisch appèl nu meer bij de christelijke gemeente en de individuele christenen te liggen dan bij de landelijke kerk. Theocratie moet door christenen worden voor-geleefd (A. Noordegraaf). Laatstgenoemde wees erop dat de gemeente het is die geroepen is de theocratie zichtbaar te maken. Hier is nu het grote pijnpunt aan de orde. Is het theocratisch ideaal onhaalbaar gebleken? Zal het een droom blijven en blijken? Daar zit ongetwijfeld een kern van waarheid in inzover deze aardse bedeling nimmer de volkomenheid der dingen zal bereiken. En waar iets van de theocratie zichtbaar wordt (ik denk ook aan het Genève van Calvijn, hoewel... ach, de werkelijkheid ervan wordt door ons veelal geromantiseerd!), kunnen wij 'hooguit' spreken van een teken van • het Koninkrijk. Het geloof leeft daar trouwens bij, vergeten wij dat niet! Maar laat het terugtrekken op de wal van het persoonlijk, christelijke getuigenis niet een te snelle exit zijn. Wij mogen van de nood geen deugd maken. Dat betekent dat wij in de kerk en de politiek toch altijd zullen blijven zoeken naar de mogelijkheid van een getuigenis. En ik denk nu weer aan het SoW-proces. Waar is toch de hoge doelstelling van het begin ervan gebleven? Eenheid der kerken met het oog op het getuigenis in een ontkersten(en)de samenleving... Horen wij daarover nog? En dient men het getuigenis in deze samenleving met een vorm van 'sale' van 'onverkoopbare' restanten van een rijke traditie in belijden en beleven, waarmee men de hedendaagse mens niet meer durft aan te komen?

Het theocratisch ideaal is dusdoende (overigens opnieuw) in zwaar weer beland. Hoe kan een kerk met ambtelijk gezag spreken, als zij eigen huis niet op orde heeft en hooguit op zoek is naar waarheid zonder die in te durven vullen met de inhouden van de Heilige Schrift? Vandaar de grenzeloze verwarring en uitholling, gekristalliseerd in plurale Schriftbeschouwing, diepe verdeeldheid in ethicis en wezenlijke confessionele aangelegenheden.

Christelijke politiek(e partijen)

De belijdenis van de theocratie staat intrinsiek op gespannen voet met elke vorm van partij (politiek). Vanuit dat geloof immers was bijvoorbeeld Groen van Prinsterer voorstander van de openbare school met de Bijbel. Het is consequent gedacht van Van der Graaf dat hij in zekere zin altijd kritisch heeft gestaan tegenover christelijke organisatie. Zij kan geen vanzelfsprekendheid zijn. De kerk heeft, theocratisch gedacht, de publieke functie om de staat voor te lichten omtrent de waarheid van Gods Woord. Een politieke partij kan dan nooit plaatsvervangend voor de kerk optreden. Er blijft altijd onderscheid. De kerk kan, naar haar wezen, nooit een compromis sluiten. De politieke partij ontkomt daaraan niet, tenzij zij haar rol beperkt ziet tot getuigenispartij. Daar komt nog bij dat christelijke (politieke) organisatie het gevaar in zich bergt van een gerichtheid op eigen 'achterban' en een verlies van vizier op het geheel in kerk en samenleving. Maar ook hier kan nood wet breken en zij doet dat ook. Van Ruler erkende uiteindelijk ook de noodzaak van de christelijke partij, maar voegde er aan toe dat het 'heimwee naar het hele volk en de hele kerk en de hele staat in ons moet blijven branden.' Mij dunkt dat daarin de positiekeuze van Van der Graaf is uitgedrukt. Maar het bracht en brengt hem en ieder die theocratisch denkt en belijdt telkenmale in een spagaat.

Er is dus van een her-ijking van het theocratisch ideaal geen sprake. Het stuit echter op de weerbarstigheid van de werkelijkheid. Een theocraat heeft het moeilijk. Hij is en blijft een dromer en hunkert naar de volkomenheid die binnen het aardse bestek nooit zal aanbreken. Maar daardoor zal hij zich nimmer ook ongeremd kunnen geven aan de delen in het geheel van kerk en staat, in casu de christelijke politieke partijen, een refo-zuil en evenmin exclusief aan het orthodoxe deel van de kerk. Een theocraat kan het, denk ik, nooit voor zijn God en Diens Woord verantwoorden zijn post te verlaten. Die houding lijkt mij de uiterste consequentie van het belijden der theocratie. En daarin kunnen belijden en lijden in elkaar vloeien. Wij zullen er het nodige van ervaren, ook in de huidige situatie binnen de kerk en in de toekomstige ontwikkelingen.

Missionair

Het zal duidelijk zijn: in de visie van Van der Graaf vereist een situatie van neergang en verval een des te bezielder theocratisch getuigenis in woord en daad. Zuilvorming verkeert daarmee op gespannen voet. Ik meen dat de eigen 'achterban' meer dan eens moeite heeft gehad om Van der Graaf daarin te verstaan en recht te doen. Dat geldt zijn staan in de samenleving en in de kerk. Hij is daarbij ongetwijfeld niet ontkomen aan de pendelbeweging tussen ideaal en werkelijkheid. Maar één ding blijft motiveren: de 'missionaire theocratie vanuit een open houding naar de wereld en de cultuur, niet om met die cultuur te assimileren maar om haar met het Evangelie te in-cultureren' (85). Je hoeft geen enkel gezelschap te schuwen om met het Evangelie present te zijn. Ieder die dit leest, weet hoe moeizaam in dit opzicht het is geworden. Heftige polarisatie woedt op breukvlakken waarin men in onze eigen kring uit elkaar drijft in uitersten van rigide conservatisme en dolgedraaide oppervlakkigheid. Onze hele gereformeerde beweging binnen de kerk verkeert dientengevolge in een spagaat. Je vraagt je af welke de remedie is. Of gaan processen eigenstandig en onomkeerbaar hun gang? Je moet zo oppassen om niet in oppervlakkige en ondoordachte schabionen te reageren. En toch: Werp het Woord erin.'? (Kohlbrugge). Ik dacht het wel. Maar dat zou wel eens het verlies van veel gekoesterde eigenheid en beslotenheid kunnen kosten. Mij dunkt dat daar zelfs vragen liggen die raken aan het (voortbestaan van de Gereformeerde Bond.

Bescheidenheid siert ons. Dragen wij geen schuld aan de teloorgang van de werfkracht van het Evangelie? Deden we er verstandig-geestelijk aan door ons op te sluiten in allerlei cocons? Wie kan die vragen heden nog ontlopen? Waar is de geestdrift van de vroege christelijke kerk? Of hebben wij geen spankracht en geestelijke diepgang meer? Daarover kunnen we ons gerust grote zorgen maken.

Ten slotte

Aan het einde van dit artikel wil ik Van der Waal bijvallen in diens conclusie dat Van der Graaf met 'de gedrevenheid van Kuyper in het bloed en met de visie van Hoedemaker en Van Ruler in het hart met grote stelligheid onvermoeibaar aandacht heeft gevraagd voor de kracht van het openbaar belijden van Gods handelen in de geschiedenis en de plaats van het Evangelie in het publieke debat' (91).

De vraag is of het nog zin heeft om in deze tijd over theocratie te blijven spreken. Worden degenen die dat doen, niet de risee van de tijden? Perkamenten figuren achter matglas, hooguit een soort spectatoren die vanuit hoogten en verten de dingen bezien maar feitelijk niets constructiefs produceren? Niemand zal in gemoede echter kunnen zeggen dat Van der Graaf zich als zodanig heeft gedragen. Zo perkamenterig ziet hij er niet uit,

bijna zou je hem van een bourgondische levensopvatting verdenken...

Toch heet hij 'de dromer' in dit boek. Met dat volk weet men meestal niet helemaal goed raad. Zij hebben vaak iets dwarsigs. Theocraten passen eigenlijk nergens echt in, al moeten we ook het woord van Van Ruler niet vergeten dat 'de theocratie het theocratisch gehalte is van de actuele situatie' (91). Theocratie is ook niet een gerealiseerd program. Zoiets heeft wat van een contradictio in terminis. De theocraat zegt altijd weer, desnoods tegen alles in: God regeert! Dat is de echte wijsheid, gevoed door de vreze des Heeren. Die wijsheid hebben wij heden in kerk en staat nodig. De blijvende actualiteit van de theocratie ligt in het heimwee naar de Gloria Dei. Een zodanige, diep wortelende levenshouding in belijdenis en praxis, veroudert nimmer.

A. BEENS, KATWIJK AAN ZEE

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 juli 2002

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Dromer van een kerk [4]

Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 juli 2002

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's