De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Dromer van een kerk [5]

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Dromer van een kerk [5]

21 minuten leestijd

Ter plaatse waar men is

Deze titel gaf A. de Reuver mee aan zijn bijdrage in de afscheidsbundel 'Dromer van een kerk', aangeboden bij het afscheid van dr. ir. J. van der Graaf als algemeen secretaris van de Gereformeerde Bond. De Reuver volgt hierin wat Van der Graaf in een reeks van jaren heeft geschreven over de prediking. Hij voert vijf begrippenparen op waarin hij de prediking getypeerd ziet: Volmacht en ootmoed, Heilsfeit en bevinding, Tijdloos en tijdbetrokken, Existentieel en universeel en tenslotte Hermeneutiek en Heilige Geest. Uit vijf volle bekers een teug, bedoeld om heel deze bundel opstellen onder uw aandacht te brengen.

Concentratie op de kern - de rechtvaardiging van de goddeloze - en de hedendaagse hoorder op zoeken in de crisis waarin hij zich bevindt (93). Daarin wordt de kern van de prediking gevat. Het gaat om de vraag naar Gods genade maar ook om de vraag naar Zijn presentie. Beide op elkaar betrokken, vormen zij geen tegenstelling. Twee brandpunten vormen een ellips waarvan de twee ovalen elkaar snijden in het trefpunt van het Kruis, aldus een wiskundig-reuveriaanse zinsnede die de kwestie in het hart raakt.

Nu heeft Van der Graaf nooit gepreekt maar des te opmerkelijker is het dan dat hij zich zo vaak heeft uitgelaten over het waagstuk van de prediking. Hij heeft dat gedaan als uitermate betrokken hoorder, een insider noemt De Reuver hem. Zijn bijdrage aan het gesprek over de prediking was kritisch maar nergens pedant. Maar de gouden draad in wat hij schreef en zei was toch wel genoemde tweeslag van kern-bewaren en hoorder-opzoekenwaar-hij-zit. Anders gezegd: kerugma (=verkondiging) en cultuur.

Volmacht en ootmoed

De boodschap die in de kerk gebracht wordt, is geen beschouwing, verhandeling of prognose maar een woord van omhoog (95). Sleutelwoord is hier het begrip: volmacht. Daarmee wordt bedoeld een geschonken bevoegdheid die de prediker de vrijmoedigheid geeft om de gemeente te dagen voor de rechterstoel van God. Dat is een eigen uitdrukking van Van der Graaf, door hem menig keer gebruikt. Ongetwijfeld weet hij uit ervaring wat daarin bedoeld is. Ik kan mij althans dienaren van het Woord voor de geest halen op wier prediking deze karakteristiek voluit van toepassing was. De prediking wordt dan een gebeuren waarin je met huid en haar betrokken wordt en waarbij het gewicht van de eeuwigheid en het staan tegenover

God alsook de genade Gods tot welhaast tastbare realiteiten worden. Niet altijd ervaart men dat, de eerlijkheid gebiedt het te zeggen. Geen predikant verkeert altijd in het zenith van deze dingen. Niemand zou het ook ten allen tijde kunnen volhouden, op de kansel niet en eronder al evenmin. Het zijn ook altijd bepaalde preken die ons bijblijven waarin wij de werkzame en krachtdadige presentie Gods ervoeren, meer dan andere keren. Maar de prediking dient eeuwigheidsernst met zich te dragen. De Reuver vermoedt dat Van der Graaf met deze notie een kritische bedoeling heeft en impliciet wil aangeven dat deze ernst niet zelden aan onze prediking ontbreekt.

Wie wat langer in dit heilige handwerk bezig is, kan er wat van meevoelen. Er kan langzaam maar zeker slijtage optreden door allerlei oorzaken. De Reuver benoemt het als 'burgerlijkheid die een stereotiep-orthodoxe preek kan omfloersen' waarbij ik zo vrij ben om te stellen dat niet alleen die preek daar patent op heeft. Er is net zo veel burgerlijkheid in lichtvoetige, leuke en niet te moeilijke preekjes waarin de gemeente op een soort christelijke peptalk wordt onthaald en het echte horen verleert.

En dan de tweede component van dit eerste duo: de ootmoed. Van der Graaf noemde prediking een oefening in ootmoed. Voorwaar een heikel punt. Zou ergens de hoogmoed zo gemakkelijk triomferen als op de preekstoel? 'Volmacht geperverteerd tot machtsvertoon en ongenaakbaarheid.' (96).

Het zou alzo niet moeten wezen! Het rechte besef van volmacht moet de prediker toch op zijn plaats zetten en houden. Maar wat een voetangels en klemmen liggen hier. Met recht is het een scholing in ootmoed. Ootmoed moet je leren zonder haar onder de knie te krijgen want daarvoor laat zij zich niet gebruiken. Om de volmacht moet de prediker altijd weer vragen, zij blijft een geschenk. 'Met zeggenschap preken is geen capaciteit maar gunstbewijs'. En bovendien, de prediking blijft als instrument en middel een weerloos woord omdat zij deelt in de kwetsbaarheid van Christus' volmacht zelf. Zijn macht is betwiste en betwijfelde macht en de prediking treft hetzelfde lot, zij draagt er althans de sporen van. Zeker vandaag de dag in het licht van de heersende cultuur. Wie geeft er nog wat om preken? Zij lijken veilig opgeborgen in het museum der kerkelijke oudheden. 'Lijken', ik zeg het met enige nadruk. Omdat de factor van het geloof dan buiten beschouwing wordt gelaten. Want dat middel waardoor God mensen tot de zaligheid brengt, wordt toch beaamd. Soms ziet een dominee het voor zijn ogen gebeuren en hoort hij als het ware het ruisen van de Geest en hij weet dat de prediking niet ijdel is in de levende Christus. Juist dan weten wij dat wij gebruikt zijn, ondanks onszelf en dankzij Gods genade.

Heilsfèit en bevinding

Een tweede duo nu, bijna zou ik zeggen: een tweede duet. Twee stemmen klinken samen in symfonisch spel. Niet ieder ziet ze trouwens als onafscheidelijke metgezellen, zo wijst de praktijk uit. Voor sommigen lijken zij eerder vijanden dan vrienden, linksom of rechtsom, als ik dat zo mag zeggen. In de prediking gaat het om de verkondiging van Gods grote daden. Zij vindt haar bron niet in de menselijke ervaring maar geschiedt van 'bovenaf.

Zij staat op de hoogte van de heilsfeiten, stelt die als het ware present in het heden. De Geest is ten diepste het subject van de prediking. Wij raken hier aan de onopgeefbare essentie van de verkondiging van het Woord. God is erin tegenwoordig in ons midden. Mij treft het in de omgang met de gemeente in pastoraat en andere gesprekken telkens weer hoe weinig deze dingen zó worden verstaan. Zo maar vervluchtigt dan de prediking tot een verhaal of wordt zij gezien als een stukje nodige uitleg van de Bijbel terwijl toch het eigenlijke daar los van staat en ook als zodanig wordt beleefd. Nietwaar, het moet nog worden toegepast, heet het dan. En het kan heel goed zijn dat God dat doet buiten de prediking om. Nog altijd hebben mensen zo'n scheve visie op de verkondiging van het Woord. Houden wij ons toch aan de les van zondag 25 dat het geloof in onze harten wordt gewerkt door het Woord en de Heilige Geest! En wat de Geest te binnen brengt, komt van buiten. Daarin brengt Hij de verbinding tot stand met de Persoon van Christus en Zijn daden en eigent Hij ons toe hetgeen 'wij in Christus hebben' (doopformulier). De Geest schept geloof. Dat is een ondoorgrondelijk geheimenis: een mens wordt wederomgeboren en hangt het Woord aan; het Woord en de Geest verankeren zijn leven in de feiten van het heil. In dit kader spreekt De Reuver van de 'specifieke armoe' van de prediking die haar rijkdom uitmaakt (97). Daarbij citeert hij Luther die schreef dat de Geest louter van Christus kan preken en dat 'die arme Heilige Geest' van niets anders weet. Hij kan slechts spelen op één enkele snaar.

Maar ook hier wil Van der Graaf met twee woorden spreken. De grote daden van God willen een wending nemen naar het mensenhart. Daarom doet de Geest meer dan de gedane zaken verkondigen. Hij eigent ze ook toe in geloof. Zo wordt onder de verkondiging de rechte bevinding 'geboren en getogen'. En daar valt een begrip dat Van der Graaf frequent heeft gebruikt: bevinding. Het kost echter altijd moeite bevinding exact en omvattend te definiëren. Die worsteling laat zich bij Van der Graaf nadrukkelijk lezen. Is het religie der belijdenis? Maar wat stelt men zich daarbij voor? De Reuver vindt Van der Graaf het meest overtuigend wanneer hij bevinding vertaalt in termen van Godsontmoeting en ervaring van Zijn persoonlijke tegenwoordigheid, in de heiligheid en de genade van God.

Echter, men mag niet vergeten dat de bevinding het totale leven omvat, niet alleen dat in de binnenkamer maar ook in de publieke dimensie van 'de schepping die zucht, het journaal dat verbijstert en de cultuur die bedreigt'. Daarmee wil gezegd zijn dat veelal bevinding versmald wordt, gereduceerd tot de innerlijke werkelijkheid van de individuele ontmoeting en omgang met God. Het zou wel eens kunnen zijn dat daarmee een van de diepe oorzaken van neergang, verval en discontinuïteit in de overdracht van de praxis pietatis is benoemd. Soms denk je met weemoed terug aan gestalten in de gemeente die een uiterst nabij leven met God wisten te combineren met een staan in gezin, kerk en samenleving waaraan een weldadige uitstraling was verbonden tengevolge waarvan er sprake was van een heilzame traditie van het leven met God van generatie tot generatie.

Zo is de bijbelse bevinding louter aan het eenrichtingsverkeer van de Heilige Geest te danken. Maar dat verkeer houdt even goed wederkerigheid in. De stem van het Woord ontvangt weerklank in het hart. Maar de lijn loopt van boven naar beneden. Wij reiken niet omhoog, God komt omlaag. Daarin valt heel het Evangelie samen te vatten. Daarin wordt ons de sleutel voor de rechte prediking in handen gelegd. Ik wil dat met name onze jonge ambtsbroeders op het hart binden. Preek a.u.b. van Boven naar beneden. Het geeft uw prediking kracht en leven. Het bevrijdt u van angsten en krampen, veroorzaakt door toegeven aan scheefgroei in de verwachtingspatronen van de gemeente en een lichtelijk beduimelde theologie die borg staat voor schemer en nevel. Het grote geheim is en blijft de bemiddelingsfunctie van de prediking tussen heilsfeit en bevinding. En van die laatste is het wezen dat zij een innerlijkheid is die 'buiten zichzelf haar ankergrond vindt in de feiten van de verkondiging' (98).

Tijdloos en tijdbetrokken

Over dat deelthema in De Reuvers bijdrage is al heel wat af-gedelibereerd en geschreven. Van der Graaf heeft er zijn partij geducht in mee-geblazen. Hij heeft voortdurend principieel een lans gebroken voor een inhoudelijke kern die voor alle tijden geldt en boven-tijdelijk karakter draagt. De basis ervan ligt in een gedegen exegese en eerbied voor de tekst. Wat lijkt het soms een geweldige kunst-het is bovenal gunst!- om te zeggen wat er staat. Wie er zich werkelijk moeite voor geeft, ontdekt pas echt de rijkdom van de Schrift en is paraat voor elke tijd. Maar wij gaan de weg van de Schrift naar de situatie. Het omgekeerde leidt mijns inziens heel gemakkelijk tot een vervluchtiging van het concrete Schriftwoord en accommodatie aan de situatie van het ogenblik of de tijd. Op die manier worden nogal wat mogelijke bronnen voor de prediking toegestopt: cultuur, politiek, ervaring/ gevoel, eigentijds levensgevoel enzovoort. 'Onder ons' tekent zich de laatste tijd wel een kentering af op dit aangelegen punt, een wijziging van inzicht die niet zelden consequenties blijkt mee te brengen, bijvoorbeeld in ethisch opzicht. Wij ervaren - althans wanneer wij midden in de werkelijkheid staan! - ontegenzeggelijk spanningsvelden. Zij hebben de laatste tijd uitkristallisering gevonden in begrippen als 'de boodschap en de kloof hoewel zo'n begrip gemakkelijk iets krijgt van een slogan, zelfs van een zichzelf vervullende profetie. Moeten wij de 'oerwoorden' - verzoening, rechtvaardiging, wedergeboorte etc.niet laten vallen? Van der Graaf meent dat zij uitleg behoeven maar tot het begrippenmateriaal van de verkondiging dienen te blijven behoren.

Terecht, meen ik. Wij moeten beducht zijn voor andere woorden die intussen een andere inhoud vervoeren. Mits wij ons de problematiek blijven realiseren.

Wij leven niet in een vorige eeuw maar in de huidige met haar specifiek gekleurde problemen en levensklimaat. Wie doet alsof die allemaal niet meetellen, verglaast en maakt de kloof nodeloos dieper.

Toch gaat het in de prediking over andere dingen dan die ons door cultuur en samenleving worden aangereikt. Staat het Evangelie niet haaks op de tijd? Ia en nee, zegt Van der Graaf. Ia, omdat Gods woorden nooit in het verlengde liggen van onze mogelijkheden en werkelijkheden. Nee, omdat het Evangelie moet landen in de tijd en de concrete werkelijkheid. Er wordt een kritisch appèl gedaan aan de predikers. Zij zijn dan toch degenen die de taak hebben het Evangelie 'te doen landen', zij zijn in de positie van de bemiddeling gesteld. Dat is niet een kwestie van populair taalgebruik. Het gaat veelmeer om het verstaan van tijd en tijdgeest. Want- en dat maakt de titel van De Reuvers bijdrage duidelijk - God zoekt de mens op 'ter plaatse waar hij is', een verwijzing naar Gods opzoeken van Ismaël (Gen. 21: 7).

Op de hedendaagse cultuur als de ruimte waarin de hoorder ademt, heeft Van der Graaf zich diepgaand bezonnen. De eeuwen door is de mens een gevallen zondaar. Toch kent iedere cultuurfase zijn eigen specifieke weerbarstigheid tegenover de waarheid Gods. Menstype en mentaliteit hangen nauw samen. Wie ervaart dat niet? De mens van deze tijd is toch anders dan die van dertig, veertig jaar geleden. Laat staan van langer geleden.

Alleen al daarom gaat het niet aan zonder meer tijdloos te preken. Zulk preken raakt de mens van heden nauwelijks. 'Luisteren naar wat de tekst aan eeuwigheidswaarde behelst, maar ook wat ze voor onze tijd te zeggen heeft.', aldus Van der Graaf. Ik moet eerlijk zeggen dat ik dat behartenswaardige woorden vind maar al met al blijft preken in dit opzicht een tasten en zoeken. In tijden van aanvechting komt het je soms als een onmogelijk werk voor en toch vallen wij terug op het geloof in de Heilige Geest. En - niet te vergeten!- op de Schrift zelf, wat men er ook van vindt. Ook al accepteert de moderne mondige mens geen gezag buiten en boven zichzelf en wil hij derhalve niet buigen voor Gods heilige wil. Zo verstaan is de prediking nog altijd het zwaard van de Geest

waarmee Hij strijdt. Niet de dominee in de eerste plaats. Dat is meer dan een nuance. Zo maar zwaait dat mannetje uit het stof gedoken met z'n zelf gefabriceerde instrumenten!

Bij Van der Graaf mondt dan de ontmaskering van de god-loze, mondige mens bijna geruisloos uit in de rechtvaardiging van de goddeloze om niet, stelt De Reuver (100). 'Als de mondige mens in zijn voosheid aan de kaak wordt gesteld, zal de prediking van de Middelaar temeer in alle rijkdom naar voren komen.' Maar dat kan niet anders dan een gevecht op leven en dood opleveren, zeg ik dan. En alléén met de mondige mens buiten de kerk? Die indruk zouden we kunnen krijgen.

Maar die mens zit zelden in de kerk, die ontmoeten we zo nu en dan bijvoorbeeld in een rouwdienst en op een begrafenis zodat wij ook daar met het Evangelie in de mond soms spitsroeden moeten lopen. Maar is het met de meelevende kerkganger anders gesteld? Ik weet eerlijk niet waarmee God meer werk heeft, met een onkerkelijke of met een binnenkerkelijke.

Beide categorieën hebben uiteindelijk deronfrontatie en de ontmoeting met de hoge en heilige God nodig om rijp te worden voor het Evangelie dat bevrijdt en zalig maakt. Hoe komen zij daar? Door het Woord? Ja, dat kan. Soms ook op een andere manier. Veelal in een crisis van welke aard ook. Maar men moet naar de kerk worden geleid, hoe dan ook. Dat onderstreept de opdracht tot een boventijdse en tijdbetrokken prediking. Maar niet minder ook die van een daar zijn waar de mens is voor allen die het Evangelie en de nood van de medemens ter harte gaan!

Hermeneutiek en Heilige Geest

Ik meen dat het existentiële en universele aspect van de prediking in het bovenstaande voldoende heeft meegeklonken, het persoonlijke bestaan in het geheel van wereld en samenleving.

Nu nog iets expliciet over de problematiek van de hermeneuse, de vertolking, het overbrengen van de boodschap, die haaks staat op het moderne levensgevoel. Hindernissen zijn er dus te over. De uitdaging met het eigentijdse klimaat dient aangegaan te worden. Dat is één kant van de zaak. Maar voor de andere heeft Van der Graaf ook getoond oog te hebben. En dan gaat het over de kant van de passiviteit, de bescheidenheid, de machteloosheid. Ik stipte het in het voorbijgaan hierboven al wat aan. Met andere woorden: de prediker ondervindt en belijdt zijn eigen strikte afhankelijkheid van de Heilige Geest. Godlof!, Hij zond en zendt Zijn Geest. Het lijkt mij goed om daar alle nadruk op te leggen zonder dat wij die werkelijkheid als een al te gemakkelijke exit gebruiken om ons niet in te spannen. Er is in het horen en het verkondiging van het Woord een innerlijke zalving met de Geest nodig. Hier raken wij aan een groot geheimenis. Want wij kunnen die zalving niet organiseren en niet over ons en de gemeente afroepen. Er is in de Geest ook vrijmacht.

Wij moeten in de klem tussen volmacht en vrijmacht leren opereren. Het laatste der dingen verstaan wij nooit. Dat houdt een prediker óók op zijn plek. En toch knevelt het ons niet. Het maakt ons veeleer alert, betrokken en hoopvol, het doet ons boven onszelf uit grijpen, ons vastklampen aan de beloften van God ten aanzien van de verkondiging van het Evangelie. De prediker, zegt De Reuver, kan geen ziel in beweging krijgen en toch weet hij zich geroepen om vlak bij de hoorder te komen! 'Ook in het pastoraat van de prediking zoeken we distantie te veranderen in communicatie.' En de iustus (=rechtvaardige) blijft ook als prediker een peccator (=zondaar)' (104). Betekent dat ook niet dat een prediker mag tonen een aangevochtene te zijn? Te delen in de stormen der tijden? Hoe zal hij anders betrouwbaar kunnen over komen? Maar de solidariteit heeft een grens. Wie predikt, legt getuigenis af van het overwicht van de Geest Gods over alle dingen, de moderniteit incluis. Maar juist wie zelf door de aanvechtingen en crises, ook in eigen innerlijk heen, wordt geleid door Gods goede Geest, zal in staat zijn anderen te leren, te vermanen en te troosten.

De Geest echter is en blijft, naar klassiek-christelijke overtuiging, de beslissende Hermeneut. Hij draagt het Woord, in die bepaalde tekst vertolkt, over naar het hart van de hoorder en verklaart het daar, geloof wekkend en verzegelend.

Balans

De Reuver biedt ons een hartverwarmend maar ook kritisch exposé over datgene wat tot het hart der kerk behoort: de opening van het Woord Gods. Hij laat daarbij uitkomen dat Van der Graaf grote zorg droeg over de prediking. Met name over een gebrek aan realiteitszin en tijdbetrokkenheid.

Maar ook over het diepste: het verlies aan concentratie op de kern. Ik denk dat er daarvoor reden is. Men kan zo onder de indruk zijn van de eigen tijd en haar vragen dat men wellicht ongewild of onbedoeld verdaagt in reductie van de waarheid van het Evangelie. Wij lopen wel degelijk het gevaar drukker te zijn met de vragen van de mens over en aan God dan met de vragen die God aan ons stelt. Wij behoeven die twee echt niet tegen elkaar uit te spelen. Maar wat het zwaarst is moet het zwaarst wegen. Geen sterveling heeft ooit eigener beweging Gods vragen aan hem of haar op zijn of haar ziel laten wegen. Daar moet de Heilige Geest aan te pas komen. Maar tegelijk bedenken wij dat Hij dat doet door het Woord. Op dat grensvlak tussen God en mens beweegt zich de prediking, in heilige pendel en meerzijdigheid.

Maar de Geest neemt 'het' uit Christus en verkondigt het ons. En in dat kleine woordje 'het' ruist de brede en diepe thematiek van de totale bediening van het Evangelie. Zo'n prediking kan niet gedateerd zijn. Zij is daarentegen wel geadresseerd aan mensen van vlees en bloed in deze tijd, die hun weg voor God verdorven hebben en voor eeuwig gered moeten worden. De boodschap zelf is in staat om de onderste steen boven te halen en de beslissende vraag te léren stellen, aldus De Reuver (106). En dat is uiteindelijk zo omdat de Redder der wereld kwam op de plaats waar wij waren: onder de toorn van God en diepe verlorenheid. Die plek zoekt Hij op in de prediking waarin de heilsfeiten als het ware worden present gesteld. Zo laat Hij zich door Woord en Geest in onze diepten neer.

En als wij nooit huiveren omdat Hij zo ver moest gaan en als nooit de verrukking over die genade ons overmeestert, wat dan? Het gebed vermeerdere zich om de Schepper-Geest die de hof van de kerk doorwaaie!

Ten slotte

Dit is geen recensie in de gebruikelijke zin geworden. Bovendien laat ik een aantal artikelen onbesproken. Dat zijn

de bijdragen van B. J. van der Graaf, 'Jan-zoon', een heel openhartig stuk, dat zich eigenlijk minder goed leent voor een kritische bespreking en dat heel veel herkenning biedt voor alle vaders en zonen in de dienst van het Koninkrijkswoord. Ik denk aan de waardevolle bijdrage van A. Noordegraaf over Diaconale verantwoordelijkheid in mondiaal perspectief en aan het artikel van C. Blenk over de oecumene en Van der Graaf. Uiteraard ontbreekt niet een bijdrage uit Hongarije over de Reformatus Kerk en de Van der Grafelijke betrokkenheid daarbij. Het is van de hand van dr Harkaï Ferenc. Van der Graafs bezigheden in de media worden door P. J. Vergunst voor het voetlicht gebracht en de omgang met de moderne cultuur in het werk van Van der Graaf wordt beschreven door W. H. Velema. En vanuit het wis- en natuurkundig verleden van de oud-secretaris van de Bond is de bijdrage te verstaan van E. Schuurman over de verhouding geloof en wetenschap. De rij van artikelen wordt besloten door I. A. Kole die schreef over Van der Graafs actieve deelname op het terrein van welzijn en onderwijs.

Een bonte staalkaart van een bezig en 'busy' leven! Ik heb u in deze bespreking in vijf delen dus nauwelijks de helft aangezegd. Maar de bijdragen die werden besproken raken, zonder de anderen tekort te doen, dusdanig aan het hart van kerk en gemeente dat daarmee een breedvoerige belichting gerechtvaardigd mag heten. Overigens blijven er nog een aantal punten liggen - ik denk aan de recente geschiedenis van en ontwikkelingen binnen de Bond, mede in het licht (of het donker, zo u wilt) van het S.o.W.-proces alsook aan de plaats van de Bond in het geheel van de 'kerkpolitiek'. Maar de bespreking daarvan gaat de kaders van een boekrecensie te buiten. Wellicht zou dat nog eens apart moeten en kunnen gebeuren.

'Dromer van een kerk' is een uiterst boeiend boek over een man en diens werk die allerlei, soms tegengestelde gevoelens, hebben opgeroepen. Ik beveel het u graag ter lezing aan indien u het nog niet tot u genomen hebt. De thema's erin aangesneden, zijn nog altijd zeer actueel en vragen om een continue doordenking, juist in de tijden die wij in het kerkelijke leven doormaken en tegemoet gaan. Van der Graaf heeft constructief willen bijdragen aan het welzijn van de kerk. Dat is een weg geweest waarop hij iets van het lijden aan de kerk heeft ervaren in de spanningen die er alom zijn geweest. Ik denk aan het gevleugelde woord van het 'wij kunnen niet mee en wij kunnen niet weg'. Niet iedereen heeft dat door hem verwoorde dilemma op de juiste waarde weten te schatten, beticht als hij is van verraad en misleiding. Dromers worden nogal eens misverstaan. Vooral vechters houden niet van dromers. Ik zou toch de dromer niet willen wegwerpen die, gezonken op het vaste Woord Gods, blijft hopen op de Heilige Geest en bij tijden het vergezicht ontwaart van de kerk, die, gekomen uit de grote verdrukking, heilig en heerlijk staat voor de troon van God en van het Lam. Hoe zouden wij ooit zonder dat het kunnen vol houden?

Maar de dromer staat toch met beide voeten in de werkelijkheid. Nuchter, God vrezend, en de kerk liefhebbend.

Zo iemand was ook wijlen ds. W. L. Tukker. In De weg uan het Woord schreef hij: 'Wij willen de kerk naar haar belijdenis terugbrengen, zelfs al zou zij daar geheel van afwijken, zelfs al zou zij al de belijdenissen schrappen, zelfs al zou zij de gehele belijdenis terzijde stellen.' De kerk is daar waar het Woord is. Houden wij daaraan vast. Houden wij zó elkander vast!

A.BEENS, KATWIJK AAN ZEE

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 juli 2002

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Dromer van een kerk [5]

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 juli 2002

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's