De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Doorgaande studie in bredere zin

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Doorgaande studie in bredere zin

EEN NIET-THEOLOOG OVER THEOLOGISCHE THEMA'S [I]

7 minuten leestijd

Toen ik eraan begonnen was, dacht ik: waaraan ben ik begonnen? Aan het begin uan een lezing voor de CSFR in mijn studententijd uerzuchtte de vermaarde ds. J. T. Doornenbal, dat zijn lezing tot mislukken gedoemd was. Ten eerste had hij niets te zeggen en ten tweede: wannéér hij al wat te zeggen had, zouden studenten toch niet luisteren. Het werd nochtans een boeiende ochtend. En Doornenbal, zo begreep ik later, placht deze uerzuchting zo ongeueer aan het begin uan elke lezing te slaken. Ik zucht een beetje met hem mee. Een promouen dus weet toch zelf al wel wat studeren is? En: wordt het ervaringsverhaal niet een beetje een egodocument? Ervaringen zijn nu eenmaal persoonlijk. Ik waag het er echter toch maar op.

Lenig

Studeren is lezen, veel lezen. En veel lezen is vermoeiing van het vlees zegt de Prediker. Wie niet graag leest, komt aan studeren niet toe. Maar studeren is voor elke dominee plicht. K. Schilder zei ooit, dat een domine, die niet studeert, niet bekeerd is. Men moet er echter wel vooral geestelijk toe in staat zijn. Wie vermoeid van geest is, neemt maar moeilijk de dingen tot zich.

Daarom is het van belang zowel de geest als het lichaam - in hun onderlinge wisselwerking overigens - fit te houden. De vroege uren van de dag zijn dunkt me de beste voor de geest (kleine letter!), zeker als men eerst het lichaam ook wat gunt en bijvoorbeeld gaat zwemmen. Is iemand geen watermens dan zijn er nog mogelijkheden te over om het lichaam te oefenen. Als ik mij niet vergis wordt dat vandaag ook door pastores in toenemende mate beseft en gepraktiseerd. In Katwijk levert dat vanaf het Riet tot Confessioneel zelfs enige verbroedering op, althans op momenten dat men samen volleybal speelt.

Maar dan de geest. Ook die vraagt oefening. Die oefening voltrekt zich niet door van de geest monomane inspanning te vragen, altijd gericht op dat ene thema, bij weer een andere schrijver. Ds. J. van der Haar kreeg in de laatste tijd van zijn leven brede erkenning als wetenschapper, in ieder geval als bibliograaf op het terrein van de kerkgeschiedenis. Tot op hoge leeftijd bleef hij lezen en studeren. Hij liet een keer weten, dat hij zijn geest fit en levendig probeerde te houden door het oplossen van vijf-sterren-cryptogrammen. Ik zeg hem dat van harte na. Oefening van de geest ligt in variatie van de geestelijke inspanning.

Die variatie ligt ook in breed lezen. Afgezien van het feit dat dat ontspannend is, ontwikkelt men al lezende zo ook een soort grondvlak, waarop specifieke torentjes van deskundigheid gemakkelijker zijn op te trekken. Ze worden gestut door een breed draagvlak. Ook raakt men thuis in een breed geschakeerd idioom. Kennisname van literatuur en lectuur in de brede zin van het woord werkt vormend en bewaart voor (theologische) levensvreemdheid. Wie breed leest, studeert ook breed. Men kan ook gemakkelijk gaan droogzwemmen op eenzijdigheid van thematiek.

Ieder zal zo z'n eigen voorkeur hebben. Mij ontging geen Agatha Christie, Godfried Bomans of Charles Dickens. Maar ook levensbeschrijvingen van al of niet gewezen leidinggevende politici, uit eigen land of daarbuiten, of van wetenschappers kunnen heel inspirerend zijn. En gedichten, vooral ook gedichten.

De geesten dienen bij dit alles wel te worden onderscheiden. Maarten 't Hart las ik maar twee maal: de eerste en de laatste keer. Bij W. F. Hermans en Harry Mulisch en ook bij Jan Siebelink lag dat bij mij anders. En laatst kwam er een herdruk van Bartje. Dat moet men toch ook gelezen hebben. Veertig jaar geleden zei de Leuvense hoogleraar Van Leeuwen, dat in Nederland de ene helft van de theologen 's avonds Barth leest en de andere helft Bartje.

Voorbeelden

Studiezin is in zekere zin aangeboren. Maar die kan ook gestimuleerd worden door identificatiefiguren. Ik had er in mijn jeugd twee. De eerste was mijn leraar Nederlands op het lyceum, dr. Cebus Cornelis de Bruin. Hij was een geleerde, wisten we. Zou wel eens professor worden. Hij had al een keer een professoraat afgeslagen. Toen hij overigens in Leiden werd benoemd, brak uit 'onze kring' geduchte kritiek los, omdat hij geen theoloog maar mediaevist (kenner van de Middeleeuwen) was. Hij wist, althans mij, liefde voor de literatuur en voor de geschiedenis van de Middeleeuwen bij te brengen. Zo als hij zou je ook geleerd willen wezen. Hij paarde merkbaar: hoorbaar en zichtbaar dus, wetenschap aan vroomheid. Hij had grote liefde voor de Statenvertaling. Die liefde had hij geleerd bij een oude tante in Nijkerk, waar hij als kind kwam en die met eerbied in haar oude Statenbijbel las, vertelde hij bij zijn afscheidscollege later in Leiden. Studie en contact met eenvoudige vromen waren voor hem complementair. Een voorbeeld ter navolging. Alle wetenschap is nog geen wijsheid. Later hebben we elkaar regelmatig ontmoet. Zijn werk over de Statenvertaling wordt ook in onze tijd nog herdrukt. Hij was en bleef voor mij een lichtend voorbeeld van echte wetenschapsbeoefening, waardoor nog telkens weer nieuwe dingen te ontdekken zijn.

De tweede identificatiefiguur was voor mij ds. Roelof Bartlema, een erudiet theoloog en begenadigd prediker, wiens preken er blijk van gaven, dat hij nog telkens verrassend nieuwe dingen vond bij zijn bestudering van het Woord en ook dat hij bij de tijd bleef. Hij verzorgde in die jaren trouwens een veertiendaagse, altijd actuele Kroniek in de Waarheidsvriend. Al schrijvende blijf je bij de studie en bij de tijd. Als het aan hem gelegen had was ik dominee geworden. Zó zou ik het ook wel hebben willen zijn. Maar dat zat er niet in. Bartlema nam er de tijd voor om met een jong, aankomend studentje over theologische en geestelijke onderwerpen te praten. Hij kweekte studiezin, vooral theologische studiezin. Een dominee mag zich gelukkig weten als hij van tijd tot tijd in de gelegenheid is bij jonge mensen zulk een theologische studiezin aan te kweken.

Bartlema had na mijn afstuderen ook een kring van hervormd-gereformeerde intellectuelen om zich heen. Een lezing voor en binnen die kring was geen sinecure. Het werden mijn eerste serieuze schreden. Zo dook ik in Luthers tweerijken-leer: Vöm weltlichen Obrigkeit, wieweit man Ihr Gehorsamkeit schuldig sei. Ook leidde het tot verdere doordenking van Calvijns theocratische gedachte. Dat resulteerde in een bredere zoektocht, in een mer a boire. Maar het zette wel op een bepaald spoor.

Studietijd

Ik moet hier nu toch ook iets zeggen over mijn studietijd. Ik behoorde tot de, ruim genomen, eerste categorie studerenden uit wat de smallere Gereformeerde Gezindte heet. Bètastudie was in die tijd eerste keuze. We werden toen samen geworpen op de vragen van onze traditie; vragen rond verbond en verkiezing, geloof en belofte, het objectieve en het subjectieve element in het geestelijke leven. De studentenvereniging CSFR heeft voor velen stimulerend gewerkt om de bronnen van onze traditie te bestuderen: de Reformatie, de Nadere Reformatie; maar ook schrijvers over het kerkelijk vraagstuk, dat met 1834 en 1886 eigenlijk onoplosbaar was geworden. Ik permitteer me hier twee concretiseringen. De geschriften van Calvijn boeiden me in die tijd mateloos. Twee maal kroop ik door De Institutie heen. Datzelfde gold overigens voor De Redelijke Godsdienst van vader Brakel. Dat zet voor het hele leven op een spoor.

En wat het kerkelijk vraagstuk betreft nam ik gretig tot mij heel het werk van

dr. Ph. J. Hoedemaker in zijn geding met Abraham Kuyper. Een warhoofd volgens A. W. Bronsveld, maar dan een heilzaam warhoofd, die, als het om persoonlijke vroomheid ging, bevindelijk een brug sloeg naar de Afgescheidenen, en nochtans kerkelijk niet afschreef wat wel ziek was maar niet dood. Hij was voor mij een van de groten op wiens schouders ik kwam te staan.

Later realiseerde ik me wel dat deze studie van Calvijn en Hoedemaker te maken heeft gehad met een zekere spagaat in mijn bestaan: dominee nee - daarvoor ging het deurtje van binnen niet open - , theologie nochtans ja. En toch is zo de keuze goed geweest.

Overigens ging vooral via Van Ruler de weg naar Hoedemaker open. Die liefde is gebleven.

v.D.G.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 augustus 2002

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Doorgaande studie in bredere zin

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 augustus 2002

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's