De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Verschuivend Schriftgezag?

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Verschuivend Schriftgezag?

OUDE VRAGEN OVER BIJBELUITLEG OPNIEUW OP TAFEL

9 minuten leestijd

Een van de grootste zegeningen uit de Reformatietijd is, dat de Bijbel voluit het boek van de gemeente werd. Dankzij de vertalingen in de volkstalen van Europa konden de gewone kerkmensen de Bijbel in hun eigen taal lezen. Daardoor kwamen ze op een geheel nieuwe manier in aanraking met het levende Woord van God. Niet langer was de omgang met de Bijbel voorbehouden aan een selectegroep theologen. Vanuit de kloosters kwam de Bijbel op straat te liggen. En dat bleef niet zonder zegenrijke gevolgen. Door het lezen ervan drong de bijbelse boodschap bij velen pas goed door. Wanneer wij van jongsaf aan met een open Bijbel zijn opgegroeid, kunnen we ons de bevrijdende kracht die ervan uitging maar nauwelijks meer voorstellen.

Wie de Bijbel leest, stelt zich intussen ook steeds de vraag hoe het gelezene begrepen wil worden. Met dat de Bijbel op straat kwam te liggen, gebeurde dat dus ook met de vraag naar de juiste uitleg ervan. Die werd immers niet langer in Rome vastgesteld. Belijdenisgeschriften namen de functie van het kerkelijk leergezag over. De vragen naar het juiste verstaan van de Schrift hielden daarmee echter niet op. Dat was, als ik het goed zie, ook niet de bedoeling. De belijdenis wil(de) veeleer sturing geven aan de wijze waarop die vragen gesteld worden: in dankbare erkenning van wat ons in de Bijbel van Godswege geschonken is. En in eerbied voor wat de Schrift zélf te zeggen heeft. Binnen dat kader mogen vragen die opkomen over de wijze waarop de Bijbel uitgelegd wil worden, eerlijk en onbevangen aan de orde komen. Naarmate onze kennis van de ontstaanswereld van de Bijbel groeide, zijn zulke vragen immers alleen maar toegenomen.

De derde weg van de Reformatie

In de praktijk lukte het de eeuwen door maar zelden deze toonhoogte te halen. Verkwanseling van de kostbare schat van het Woord aan de kritische tijdgeest aan de ene kant riep vaak verstarring en verstrakking op aan de andere - en omgekeerd: Met name vanaf de achttiende eeuw is dit proces achteraf goed te traceren. Ook in onze tijd lijken fundamentalisme en Schriftkritiek soms de enige elkaar bevechtende alternatieven. Met als gevolg dat mensen die in de verstandelijke, rationalistische sfeer van het fundamentalisme niet kunnen ademen van de weeromstuit in het kamp van het Schriftkritische denken terecht dreigen te komen. Dat de Reformatie een derde weg bewandelde - géén eigenmachtige uitleg van de Bijbel, maar ook geen krampachtige verdediging ervan als ware zij foutloos in wetenschappelijke zin - wordt daarbij niet altijd gezien.

Nog altijd is het in de gereformeerde gezindte niet eenvoudig om reële vragen die zich voordoen rondom de uitleg van de Schrift ter sprake te brengen. Het verwijt van Schriftkritiek is snel gemaakt. En wie beseft hoe negatief een Schriftkritische benadering uitwerkt op het geloof van de gemeente, en hoe gemakkelijk de panelen inderdaad in die richting kunnen schuiven, begrijpt dat ook wel. Toch heeft dit ontbreken van gesprek een keerzijde. Bepaalde ontwikkelingen gaan daardoor onderhuids namelijk veel verder dan we doorhebben. Het was niet geheel onbegrijpelijk dat L. M. P. Scholten in september vorig jaar in het blad Standvastig zijn verbazing uitsprak over de wijze waarop sommige hervormd-gereformeerde auteurs met de Schrift om blijken te kunnen gaan. De één acht het haast vanzelfsprekend dat bepaalde nieuwtestamentische brieven die op naam staan van Paulus in werkelijkheid door een latere auteur zijn geschreven. Een ander kan niet meer uit de voeten met de heldere scheidslijn die de kerk altijd zag tussen Genesis 2 en 3, tussen Gods goede schepping dus en de breuk die door de zondeval in de wereld gekomen is. Wat zit er achter dit soort verschuivingen? Is er sprake van nieuwe ontdekkingen waardoor ze gerechtvaardigd worden? Of is het meer zo dat niet de vragen veranderd zijn maar de mensen? In de Oudejaarsbijlage van 2001 waarin het Nederlands Dagblad recente ontwikkelingen rond de Schriftvisie in de gereformeerde gezindte op een rijtje zette, betoogde dr. M. J. Paul dat laatste: het zijn niet zozeer nieuwe standpunten die ingenomen worden, het zijn slechts nieuwe mensen die bekende, maar indertijd afgewezen standpunten innemen. Zo'n geluid stemt tot nadenken. Tegelijk roept het de vraag op hoe het dan komt dat oude dillema's zich vandaag blijkbaar met nieuwe kracht aan ons opdringen.

En ook, hoe we er in een eigentijdse maar tegelijk voluit gereformeerde Schriftvisie mee om kunnen gaan. Alleen gemeenschappelijke bezinning kan ons hier verder helpen.

Vrijgemaakte bundel loopt niet om vragen heen

Een hoogstaand voorbeeld van hoe zo'n bezinning concreet vorm kan krijgen, vinden we in een belangwekkende studie die recentelijk in vrijgemaakt-gereformeerde kring verscheen onder de titel Woord op schrift (naar NGB art. 3). Vier theologen uit diverse generaties geven zich in deze bundel rekenschap van enkele actuele vragen rondom het verstaan van de Bijbel. Zij spreken over enige 'inhaalmanoeuvres' die de gereformeerde theologie op dit terrein moet maken, zonder helaas aan te geven waarom dit volgens hen zo is. Wel laten ze duidelijk uitkomen te willen buigen voor de Schrift zoals deze zichzelf aandient.

Mooi is dat B. Kamphuis in zijn openingsartikel de Schrift niet neerzet als onwrikbaar uitgangspunt van de dogmatiek, maar haar plaatst in het kader van het werk van de Heilige Geest. 'De bijbel is geen zekerheid vooraf, maar heeft zijn plaats in de levende omgang met God'. Inderdaad. Zó heeft de gemeente het gezag van de Schrift ook altijd ervaren! C. Trimp maakt vervolgens duidelijk, dat we ons hier toch in een volstrekt andere atmosfeer bevinden dan die van het Amerikaanse fundamentalisme. Helder onderscheidt hij een verstandelijk foutloosheidsdenken ('inerrancy', in het Engels) van de belijdenis van de onfeilbaarheid van de Schrift. 'Onfeilbaarheid wil zeggen, dat de Schrift ons niet bedriegt in zijn beloften van het heil' (36). Nog krachtiger zet hij zich in een volgend hoofdstuk echter af tegen de 'neo-evangelische' omgang met de Bijbel zoals hij die o.a. aantreft bij de veelgelezen schrijver Alister McGrath. Hem verwijt hij te weinig afstand te nemen van een Schriftkritische benadering. Het valt nog niet helemaal mee deze beide lijnen bij Trimp goed met elkaar te verbinden. Schreef hij het eerste hoofdstuk misschien later of in een heel andere context dan het vervolg? De bijdrage van de Vlissingse predikant J. J. T. Doedens illustreert aan de hand van Genesis 1 hoe een eigentijdse gereformeerde omgang met de Schrift er concreet uit kan zien. Het is een gedurfd en ook gedegen opstel, waarin ingegaan wordt op vele vragen die het scheppingsbericht oproept (tot aan de wat scholastieke vraag toe waarmee vleesetende planten zich op de derde dag voedden...). Duidelijk blijkt dat Genesis 1 niet bedoeld is om onze nieuwsgierigheid te bevredigen met allerlei zakelijke informatie. De boodschap ervan is ten diepste, aldus Doedens, dat God trouw blijft aan Zijn scheppingswerk. Dat laatste is inderdaad een belangrijk gegeven. Maar zegt Genesis 1 toch niet méér dan dat? Doedens let vooral op de structuur van het hoofdstuk, en acht het van daaruit niet uitgesloten dat de zeven dagen als het ware het kader vormen waarin de bijbelschrijver zijn vertelling goot. Als hij die theorie vervolgens 'kloppend' moet maken met de tekst van het vierde gebod, dat de scheppingsdagen toch letterlijk lijkt op te vatten, wordt het betoog nogal gekunsteld. Zo zou-

den er meer kanttekeningen te plaatsen zijn (we misten bijv. verwerking van de studie van B. Maarsingh over de schepping in het Oude Testament). Belangrijker is echter dat de toon goed is: niet stellig en zelfverzekerd, maar zoekend en tastend naar wat de tekst zélf te zeggen heeft. En passant levert dat heel wat verrassende uitlegkundige inzichten op waar ieder z'n winst mee kan doen.

Meer beeldspraak?

De grootste helft van het boek bestaat uit drie uitvoerige, goed geschreven hoofdstukken van ethicus A. L. Th. de Bruijne (de opvolger van prof. J. Douma). Deze stelt de vraag centraal, of er in de Bijbel niet meer beeldspraak (metaforie) voorkomt dan vaak gedacht is. Hebben we de Bijbel niet te veel gelezen vanuit een meer filosofisch dan bijbels bepaalde voorkeur voor letterlijk taalgebruik? Bevindt de hemel waarheen Christus opvoer zich bijvoorbeeld werkelijk rechtstreeks boven de dampkring? Of moeten we eerder denken aan een andere dimensie? In discussie met B. Loonstra's opvattingen - we vinden hier misschien wel de meest uitvoerige, ter zake kundige en grondige repliek op diens inzichten tot dusver - houdt De Bruijne staande dat de Schrift zélf het moet aangeven. Dat laatste zal Loonstra hem overigens wel toestemmen. Beider visies ontlopen elkaar m.i. minder dan De Bruijne hier en daar suggereert. Temeer daar ' De Bruijne in zijn laatste hoofdstuk, over de ethiek, méér dan Loonstra zoekt naar een gemeente-ethiek waarin de bijbelse geboden niet als tijdloze regels worden opgevat, maar vanuit hun onderliggende bedoeling door de gemeente doorvertaald dienen te worden naar vandaag. Wat dat concreet betekent voor diverse hete hangijzers in de ethiek, blijft daarbij in het midden.

Ook hier resteren dus de nodige vragen, ook bijvoorbeeld over de rol van de gemeente. Dat zij door de Geest geleid wordt (224W.), maakt haar niet immuun voor dwaling. De bijdragen van De Bruijne zijn echter voorbeeldig vanwege diens theologische grondigheid, luisterbereidheid en zorgvuldigheid. Zonder oogkleppen op (maar daarom niet kritiekloos!) verwerkt De Bruijne wat zich vandaag de dag ook internationaal gezien rondom zijn thema aandient. Tegelijk weet hij dat vruchtbaar te maken voor zijn zoektocht naar een eigentijdse gereformeerde Schriftleer. Niemand hoeft zich hier teleurgesteld af te wenden, omdat niet serieus ingegaan wordt op de vragen waarvoor we vandaag staan. Het kan dus wél - de koe open en eerlijk bij de horens vatten in plaats van ongemerkt te verschuiven in Schriftvisie.

Onthutsend

Ongeveer terzelfder tijd als de vrijgemaakte bundel las ik ook de vuistdikke studie van een andere Kampense hoogleraar, de synodaal-gereformeerde emeritus G. Manenschijn. Hij gaf zijn boek de merkwaardige titel mee God is zo groot dat Hij niet hoeft te bestaan. Wie dit onthutsende boek ter hand neemt, treedt een volstrekt andere wereld binnen dan die van de genoemde vrijgemaakte bundel. Hier mag de Bijbel nog slechts als buikspreker dienen voor extreem geseculariseerde opvattingen die de auteur er zelf op nahoudt. En voorzover Manenschijn zelf ook wel ziet dat die niet door de Bijbel ondersteund worden, wordt de Bijbel langs onnavolgbare exegetische en hermeneutische kronkelwegen monddood gemaakt. Zo weet Manenschijn de indruk te wekken, dat volgens de Bijbel dood dood is, en dat we niet op een leven na dit leven hoeven te hopen. Met die troosteloze boodschap gaat hij verder dan Kuitert tot voor kort ging. Maar is het geen typische 'verwende mensentaal' (zo dr. T. H. van der Hoeven) van iemand die eigenlijk niets meer te wensen over heeft? Je vraagt je af waarom Manenschijn zijn eigen visie eigenlijk nog wil optuigen met het gezag van de Bijbel. In elk geval is deze studie een baken in zee, dat de gevaren helder markeert.

Sceptische lezers zullen wellicht vrezen dat er een onvermijdelijke lijn loopt van De Bruijne c.s. naar Manenschijn. Dat is echter geen automatisme. We geloven niet in een noodlot. Bepalend zal zijn, of de Schrift zélf het zeggen mag. En of theologen voluit deel blijven uitmaken van een gemeente, die volhardt in de levende omgang met het Woord die haar in de Reformatie geschonken werd.

G. VAN DEN BRINK

Mede n.a.v. C. Trimp e.a., Woord op schrift. Theologische reflecties over het gezag van de bijbel, Uitg. Kok, Kampen 2002, 238 blz., € 14, 95; Gerrit Manenschijn, God is zo groot dat Hij niet hoeft te bestaan. Over narratieve constructies van de geloofswerkelijkheid, Uitg. Ten Have, Baarn 2001, € 24, 90.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 augustus 2002

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Verschuivend Schriftgezag?

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 augustus 2002

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's