Vriend van de Bruidegom
Laat ik u vanmorgen meenemen naar de hervormde gemeente te Y. Het is een gemeente met tot voor kort één predikantsplaats. Maar er is veel nieuwbouw gekomen en hoewel lang niet alle nieuw-ingekomenen meelevend zijn, kon een tweede predikantsplaats worden gevestigd. Er was al jaren naar toe gewerkt. Nadat tevergeefs enkele keren een beroep op een predikant was uitgebracht, besloot men op een kandidaat tot de Heilige Dienst een beroep uit te brengen. Dit werd aangenomen en zo werd een zekere kandidaat B. predikant te Y.
Ds. A. stelde zich heel ruimhartig tegenover hem op, gaf zijn nieuwe collega alle informaties die nodig waren, stond steeds voor hem klaar, leefde met hem mee en gaf hem alle ruimte. Die collega van zijn kant vroeg steeds wanneer het nodig was om raad, was gespeend van alle eigenwijsheid die jongeren soms kenmerkt, liet de veel oudere predikant geheel in zijn waarde, respecteerde hem en was zeer op hem gesteld. Kortom, de verhouding tussen hen beiden was optimaal.
En toen gebeurde wat niemand had voorzien en had kunnen voorzien. Hoewel ds. A. steeds erg geliefd bij de gemeente was geweest, trok de jonge dominee B. steeds meer mensen. De kerk was bij hem veel voller dan bij ds. A. Catechisanten lieten duidelijk hun voorkeur voor de nieuwe dominee merken. Ouders wilden graag dat hij hun kind zou dopen. Voor pastorale zorg gingen de gemeenteleden het liefst naar hem. Dominee A. moest zijn drie bijbelkringen bij elkaar voegen, omdat bijna alle deelnemers op kring gingen bij dominee B. Waren gemeenteleden op vakantie, dan stuurden zij natuurlijk een ansichtkaart naar dominee B. en het stapeltje van deze kaarten bij dominee A. was nog nooit zo armzalig geweest als sinds de komst van zijn collega.
Toen kwam er kerkvisitatie, de gewone vijfjaarlijkse visitatie. In de vergadering van de kerkenraad brachten de visitatoren ter sprake wat zij in gesprekken in de beide pastorieën en vanuit de gemeente hadden gehoord. Voorzichtig werd de vraag gesteld of het wel goed ging in de gemeente nu dominee A. duidelijk werd achtergesteld bij dominee B. Hoe was nu hun verhouding onderling? Hoe reageerden zij beiden daarop? De ouderlingen en diakenen luisterden gespannen toe, want onderling hadden zij natuurlijk al lang over de ontwikkelingen gesproken en ook wel met hun beide predikanten afzonderlijk. Maar zij hadden er nog nooit over durven spreken in de volle vergadering en nu lag het heikele onderwerp op tafel. Dat was bij deze gelegenheid ook onvermijdelijk. Beide predikanten keken elkaar aan. Hun beider blik was vol vriendelijkheid en respect. Toen nam dominee A. het woord en zei, met een glunderend gezicht: 'Ik werk hier nu elf jaar en het ging altijd heel goed. Echt grote problemen zijn er in de gemeente nooit geweest. Ik voelde een stuk waardering en liefde en wist gebeden om mij heen. Ik merk natuurlijk dat ik de laatste tijd veel mensen ben kwijtgeraakt, maar het gaat nu nog veel beter dan voorheen, want mijn collega moet alle ruimte hebben en het gaat niet om mij, ik heb nooit een fanclub om mij heen willen verzamelen. Het gaat in de kerk om de drieenige God en wanneer mijn collega meer gaven bezit dan ik, dan is dat goed; wanneer hij meer mensen tot zegen mag zijn dan ik, dan is dat goed; wanneer hij meer mensen tot Christus mag leiden dan ik, dan is dat goed.'
Hier breek ik mijn gefingeerde verhaal af. Het is reeds een deel van de toepassing van de tekst waarvoor uw aandacht werd gevraagd. Het zijn in het Grieks maar zes woordjes. Maar wat een diepe inhoud hebben deze! Zij zijn gesproken door Johannes de Doper, 'de tweede Elia'. Zijn imponerende gestalte en machtige prediking hebben diepe indruk gemaakt op de Israëlieten. Van alle kanten is men gekomen om hem te horen en te zien. Zelfs uit het hoog-godsdienstige Jeruzalem zijn zij naar deze merkwaardige verschijning gekomen, rechtzinnig en vrijzinnig. Maar dan. Op een dag komen leerlingen naar hun meester en brengen een bericht over een gang van zaken die hen onrustig heeft gemaakt. 'Die met u was over de Jordaan en door u werd gedoopt, bedient nu zelf de doop en zij komen allemaal naar Hem toe'. Zij vinden het pijnlijk dat de aandacht van hun meester zich verplaatst naar die Ander. Dat de ene gemeente verloopt en de andere onstuimig groeit. Dat dadelijk niemand meer zich interesseert voor de een, hun meester, en allen alleen nog maar willen weten van die Ander. Moet dat nu zó gaan?
Tot zijn verontruste leerlingen spreekt Johannes die gouden woorden van onze tekst. Nooit is het hem om zichzelf te doen geweest. Nooit heeft hij aandacht voor eigen persoon gevraagd. Zijn leven staat geheel en al in dienst van die Ander. Diens optreden in het volk van Gods verbond heeft hij mogen voorbereiden. Hij heeft hem mogen dopen, lijnrecht tegen zijn eigen wensen in. Hij heeft hem aangewezen als het Lam van God, dat de zonde der wereld wegneemt.
Zo terecht heeft Matthias Grünewald hem op het bekende drieluik, te vinden in Colmar, met die wijsvinger van ongewone proportie geschilderd. Eigenlijk is Johannes slechts die wijsvinger. Het gaat niet om mij, het gaat om Hem! Hij moet wassen, maar ik minder worden. Dat is zijn levensdevies. Calvijn verwijst in dit verband naar de Zon der gerechtigheid uit Maleachi 4. Nu de zon is opgegaan, mag en moet de morgenster verbleken. Johannes weet dit en heeft er vrede mee. Volkomen vrede. Hij wil de glorie van Christus niet verduisteren, aldus opnieuw Calvijn. Zijn levensroeping loopt ten einde. Geboren als zoon van een priester en dus door zijn afkomst bestemd voor het priesterambt, heeft hij als profeet in Israël mogen werken. Zijn werk is klaar. Hij mag met emeritaat gaan. Ja, het zal anders gaan. Een rustige oude dag zal niet zijn deel zijn. Kort na deze woorden is hij om zijn getuigenis in de gevangenis gekomen en in zijn gewelddadige dood nog opnieuw een profetie geworden van zijn grote Meester.
Vol temperament
Laten wij evenwel niet menen dat voor Johannes deze ontwikkeling heel gemakkelijk en vanzelfsprekend is geweest. Hij was volstrekt geen stoïcijn, die alles gelaten aanvaardt zoals het komt. Hij was niet een man zonder karakter, die alles maar over zich heen laat gaan. Hij was een man vol temperament, een ziel van vuur, bruisend en vol energie. Maar het grote in hem was dat hij het goddelijk, heilshistorisch (Herman Ridderbos), noodzakelijk moeten geheel en al erkende. Hij boog hoofd en knieën voor Jezus, de Christus. En dat uitsluitend door genade. Zijn prediking bestond niet uit grote woorden, maar ging hand in hand met
de daad van deemoed. Hij was klein tegenover de Ene die werkelijk groot is. Zonder innerlijke strijd is dat niet gegaan. Al leefde hij niet in onze 'ikcultuur', sinds het gebeuren van Genesis 3 leeft in elk mensen-hart het 'ik' dat zich tegen God en Gods weg met ons verzet. En daarom wordt ook in de zaken van het Koninkrijk van God het 'ik' zo dikwijls en gemakkelijk uitgeleefd, de collega-ambtsdrager als concurrent geducht, al weet men dit vaak meesterlijk te bedekken onder een quasi vrome wade.
Heel treffend wijst Johannes in dit verband op de rol van de vriend van de bruidegom. Die vriend is dadelijk niet de echtgenoot van de bruid. Zijn taak is de bruiloft voorbereiden. Dan treedt hij terug en verheugt zich in de vreugde van de bruidegom en diens bruid. Zó is het de roeping van Johannes om de Christus in Israël te introduceren. Nu Christus met Zijn werk een aanvang heeft gemaakt, is het werk van Johannes ten einde. Of Johannes' discipelen dit hebben verstaan? In dit verband spreekt hij ook de woorden dat elk zijn eigen roeping heeft. Niemand kan de roeping, de opdracht van een ander 'aannemen'. De 'hemel' deelt die taken, die opdrachten toe. Johannes heeft een andere roeping dan Jezus. Daarom moet en wil hij niet als profeet werkzaam blijven. Zijn stem mag zwijgen, nu Jezus het woord heeft genomen. De heraut heeft zijn werk gedaan als de Koning spreken gaat.
Deze visie, dit levensdevies van Jezus' voorloper heeft een veel wijdere betekenis dan alleen in die situatie. Hier is aangegeven hoe ieder gelovige in Christus' kerk dient te staan tegenover de Heer der Kerk zelf én tegenover de medegelovigen.
Hoe ieder dient te staan in de roeping die tot hem kwam. 'Niet 'uit de hemel ontvangen' en toch 'aannemen', - aldus E. L. Smelik in zijn verklaring van het Evangelie naar Johannes- dat is het ergste vergrijp, dat we in Gods zaak kunnen plegen. Velen grijpen naar een hogere, grotere, eervoller taak, die ze niet aankunnen, zonder dat zij de kleine taak, die echt de hunne kon zijn, vervullen in de vrede van hun hart. De geringe opdracht komt hun niet 'hemels' genoeg voor. Zij leggen aan het hemelse de norm aan van aardse kwantiteit, waardering en roem. Daardoor is er voordurend om hen heen angst, jaloezie, geprikkeldheid, overgevoeligheid, laf aanvaarden van roem, verwaten afwijzen van kritiek, gebrek aan welwillendheid, gehoorzaamheid, daarom ontbreekt het ook aan argeloze blijdschap, stille verrukking' (blz. 45). Het gaat er toch om dat mensen Christus vinden en in Hem opwassen en toenemen. Dat zij in Christus het leven vinden, verzoening en vrede, hun gerechtigheid en heiligheid.
Visie op het ambt
Nu wij als ambtsdragers bijeen zijn, is het goed aan het woord van Johannes te worden herinnerd. Ik wil proberen dit woord nog iets meer reliëf te geven in de situatie waarin wij verkeren. 1. De plaats van de kerk en daarom ook van de ambtsdrager is in onze cultuur gemarginaliseerd. Secularisatie, gezagloosheid en paars zijn geen vrienden van de kerkelijke ambtsdrager.
2. In onze kerk ontbreekt het geheel en al aan een visie op het ambt. Voorzover men zou kunnen spreken van de 'klassieke' visie daarop, moet worden vastgesteld dat deze in het geheel van het reilen en zeilen van de kerk totaal zoek is. Een ambt bekleden betekent voor het spraakmakend gros der kerk dat men vrijwilligerswerk doet of een baantje in de kerk heeft. De belijdenis dat Christus door de ambten Zijn Kerk regeert, is in het midden van de kerk en in het vrijzinnig gedeelte van haar volkomen zoek. Dat hier een samenhang is met de belijdenis aangaande de persoon en het werk van Christus Zélf zal duidelijk zijn. Maar ook ter rechterzijde heerst een schromelijke onkunde.
onkunde. 3. De vraag richt zich tot ons: in hoeverre is het óns om Hem begonnen in ons ambt? In hoeverre beseffen wij dat wij het ambt van Hem ontvangen hebben als een hoge roeping om Hem te dienen, onbaatzuchtig, onbevreesd, zonder zucht naar eer en roem? Hoe staan wij tegenover onze collegaambtsdragers? Gedragen wij ons volgens de regel: ieder voor zich en God voor ons allen? Of willen wij samen het goede zoeken voor de gemeente in welke wij ons ambt bekleden en in de bredere kerkelijke vergaderingen waarvan wij mogelijk deel uitmaken? Zijn wij als predikanten bezig een fanclub rondom ons te verzamelen of willen wij met ons hele hart dienend bezig zijn, naar Christus wijzen, tot aan in enig ambt te staan, dan bewust, deemoedig, broederlijk? Bewust - want wetend wie ons riep en roept. Deemoedig - omdat het een bijzondere genade van God is in het ambt te mogen dienen. Broederlijk - want die verantwoordelijkheid is ons toevertrouwd opdat wij haar samen, elk met eigen gaven en mogelijkheden ten uitvoer brengen.
4. Het zal duidelijk zijn dat de bereidheid minder te worden opdat Christus moge wassen, alleen gevonden wordt wanneer wij leven in de verborgen omgang die God met ons beoefenen wil. Daarin leert Hij hoogmoed af en de hoogheid van het ambt aan, daarin verlost Hij van angst en afgunst en stelt Hij in de ruimte van de geloofsverwondering: mij, klein en zondig mensenkind geeft de Heere een opdracht en ik vind broeders naast mij die eveneens tot zulk een opdracht zijn geroepen - wie ben ik dat ik dat doen mag? Zou ons gebed dan niet zijn: 'Heere, leer mij hen uitnemender te achten dan mijzelf, leer mij dat alleen Christus groot is en moet toenemen en dat ik minder moet worden'.
Zou zo naar Gods belofte, onze ambtelijke dienst niet vruchtbaar zijn? Luther schrijft naar aanleiding van deze pericoop dat de christelijke kerk daar is waar zij de stem van de Bruidegom hoort.
Zou dan de rechte ambtsdrager hij niet zijn die een vriend, slechts een vriend van de Bruidegom wil zijn en voor Hem alle aandacht vraagt?
L. J. GELUK
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 augustus 2002
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 augustus 2002
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's