De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Voldoende variatie aan taken

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Voldoende variatie aan taken

DE POSITIE VAN DE KERKELIJK WERKER IN DE GEMEENTE [2]

10 minuten leestijd

Noodzakelijkheid der tijden

De wisselende invulling van het predikantschap in de loop der eeuwen heeft alles te maken met invloeden vanuit de kerk en de samenleving. Daar is niets mis mee, waar de kern van de taak van de dienaar van het Woord overeind blijft: prediking, pastoraat, onderricht. Hij staat daarmee in de traditie van de kerk der eeuwen. Ik licht er hier nog één punt uit, namelijk dat Calvijn sprak over de noodzakelijkheid der tijden. Hij wilde zijn visie op de ambten mede laten bepalen door de context. Zo kwam hij tot twee soorten diakenen, procureurs en hospitaliers, zij die de bezittingen beheren en zij die armen en zieken verzorgen. Toen hij de functies van ouderling en diakenen introduceerde, had hij die nog niet systematisch doordacht. Pas op grond van zijn praktijkervaring gebeurde dit. We zien een inspelen op de nood der tijd ook bij de Zutphense predikant Wilhelmus Baudartius, als vertaler van het Oude Testament betrokken bij de Statenvertaling. Het gemeentewerk omvatte voor hem de zondagse prediking, het troosten van zieken en de kerkelijke tucht. Maar toen het bijstaan van de zieken hem tijdens de pestepidemie van 1604 te veel werd, vroeg hij om een ziekentrooster als assistent. De inzet van kerkelijk werkers in tijden die voor de predikant moeilijk waren, heeft dus heel oude papieren. Vooral haal ik dit voorbeeld aan om te tonen dat het vereist kan zijn in specifieke situaties naast de ambtsdragers werkers in te schakelen die met het oog op de praktijk een concrete deskundigheid bezitten, de kerkelijk werkers.

Kerkelijk werker

In de eerste plaats is de arbeid van een kerkelijk werk in deze tijd van belang, opdat de dienaar van het Woord tot concentratie op zijn eerste roeping kan komen. We moeten daarbij af van aanduidingen als zou de kerkelijk werker daarmee weer tot hulpje van de dominee gedegradeerd zijn - Baudartius sprak vier eeuwen terug ook gewoonweg over een assistent. Die concentratie is nodig. Ds. J. Jonkman schreef er op 9 augustus jl. een artikel over in de Wekker: Wanneer Jezus terugkomt, zal Hij dan nog dominees vinden in Nederland? De grote aantrekkelijkheid van het predikantschap moeten we zien in de verkondiging van het Woord. Maar dan hebben de predikers veel tijd en rust nodig om in het Woord te komen en de Heilige Geest de gelegenheid te geven dat Woord voor hen te openen, zegt Jonkman. Dat kan niet als onrust door de pastorie waart. Een gemeente die leeft, kent veel activiteiten, maar de dienaar van het Woord is geen activiteitenman. Daar komt bij dat de gemiddelde pastorale ouderling vanwege de maatschappelijke druk minder zorg aan zijn ambtswerk kan besteden dan in vroeger jaren, zo constateer ik. De opvoeding van kinderen vraagt veel, zo God die gegeven heeft; de eisen die het bedrijfsleven aan zijn werknemers stelt, zijn in de loop der jaren opgeschroefd, alle flexibilisering ten spijt. Het maakt het verklaarbaar dat het twaalf jaar achtereen beschikbaar zijn in het ambt, niet vanzelfsprekend is. Ook daardoor lijkt me de kerkelijk werker in toenemende mate van belang. Ik besef echter hiermee tot nu toe twee vooral negatieve redenen genoemd te hebben - en ga daarom snel over tot het positief benoemen van de plaats van de kerkelijk werkers.

Centraal staat mijns inziens de gedachte dat de kerkelijk werker zijn identiteit moet ontlenen aan waarvoor hij opgeleid is, waartoe hij bekwaam is. Dat voorkomt dat zijn waarde afgelezen wordt aan de vergelijking of de relatie met de predikant, aan zijn omgaan met de andere ambtsdragers. Nee, de kerkelijk werker heeft een specifieke scholing, waarmee hij tot zegen kan zijn voor de opbouw van de gemeente. Daar moet zijn of haar kracht in gevonden worden.

Hiervoor ga ik graag te rade bij het opleidingsplan Godsdienst Pastoraal Werk 2001-2004 van de Christelijke Hogeschool Ede. In het hoofdstuk 'Het hbo-niveau van de kerkelijk werker' lees ik dat de hoge mate van zelfstandigheid in het plannen van activiteiten en dragen van (medeverantwoordelijkheid voor de organisatie van werk in organisaties kenmerkend is voor het kwalificatieniveau van de kerkelijk werker. Omdat de problemen in de samenleving en daarmee in de christelijke gemeente alleen maar groter worden, is de behoefte aan professionaliteit ook toegenomen. In die context kan een kerkelijk werker van grote waarde zijn binnen de organisatie die een gemeente ook is. Van hem kan ook een volwassen beroepshouding worden gevraagd, die uitkomt in respect voor de medemens, de levensvisie van de naaste, het hanteren van diens eigen verantwoordelijkheid en het zorgvuldig omgaan met privacy - stuk voor stuk gereedschap dat iemand nodig heeft die in sociale verbanden met anderen omgaat. Het valt ons wel op dat zorgvuldig omgaan met iemands privacy iets anders is dan het ambtsgeheim van predikant en ouderling.

Beroepsbeeld

Meer aandacht wil ik geven aan het beroepsbeeld van de kerkelijk werker, zoals het opleidingsplan dit schetst. Eenvoudig gezegd betekent dit: wat moet de kerkelijk werker kunnen, waartoe moet hij of zij in staat zijn? Zijn in onze mondiger wordende samenleving de sociale vaardigheden van een predikant ook steeds belangrijker, voor kerkelijk werkers, die toch een andere weekindeling hebben, geldt dit temeer. Hij moet daarom in staat zijn tweegesprekken of groepsbijeenkomsten rondom de Bijbel te voeren, op verantwoorde wijze het Woord van God kunnen uitleggen, mensen ondersteunen die hiertoe zeifin jeugdof evangelisatiewerk geroepen zijn. Wat het pastoraat betreft moet de kerkelijk werker dit zelfstandig kunnen bedrijven, eventueel in samenwerking met de predikant of andere ambtsdragers. Op beleidsmatig niveau mag verwacht worden dat hij visie heeft over de doorwerking van de identiteit in de praktijk. In dit opzicht kan de kerkelijk werker met zijn adviezen de kerkenraad van grote dienst zijn. Daarnaast moet hij materiaal kunnen ontwikkelen dat afgestemd is op specifieke groepen in de gemeente, zowel de catechese en het jeugdwerk als evangelisatie-arbeid en andere vormen van toerusting.

Deze opsomming lijkt wellicht een voor de hand liggende, maar is het niet. Het gaat om wezenlijke taken voor de opbouw van de gemeente, voor het aanbrengen van een structuur in het werk, voor het bewaken van een gereformeerde identiteit. Hoe waardevol is de kerkelijk werker in dezen voor de motivatie van de vele vrijwilligers in de gemeente, soms ook voor het kanaliseren van een overdaad aan enthousiasme dat niet altijd gedragen wordt door een visie. Dr. J. Hoek schreef in oktober 1998 in een artikel in de Waarheidsvriend dat 'de kerken op deze wijze een heel goed middenkader krijgen en dat de mogelijkheid tot bredere inzet van de gaven in de gemeente hierdoor niet weinig wordt bevorderd.'

Het gebruik maken van de gaven van een kerkelijk werker kan slechts op de goede wijze als hierachter een visie schuilgaat. Die visie op de accenten die in het gemeentelijk leven gelegd dienen te worden en de prioriteiten die daarbij aangebracht moeten worden,

komen als het goed is in het beleidsplan. Hierin lezen we niet alleen de bijbels-theologische onderbouwing van de visie op de gemeente, maar ook waar de kerkenraad, waar de gemeente, naartoe wil. Op grond van het doorlichten van de gemeente zal duidelijk worden waaraan in de toekomst meer aandacht besteed dient te worden: de begeleiding van jonge gezinnen, die onder invloed van materialisme en carrièredrang sluipend dreigen te vervreemden van het Woord van God? De toerusting van jongeren die het moeilijk vinden radicale keuzes in hun leven te maken op grond van hun christen zijn? enzovoorts. Als verantwoordelijke ambtsdragers weten waar bij de analyse bij een open Bijbel, de satan het gemakkelijkste ingaan in de harten van gemeenteleden heeft, omdat de gemeente op dat punt het minst weerbaar is, zal er concreet over een remedie gedacht worden. Die zal altijd (moeten) liggen in de nadruk op de Woordverkondiging, waarvoor de predikant de tijd moet hebben. Daarnaast kan het heel goed dat serieus nagedacht wordt over de benoeming van een kerkelijk werker voor een aantal jaren.

Wie op grond van een doordachte visie, waarbij de financiële overwegingen het beleid moeten volgen, tot de benoeming van een kerkelijk werker komt, zal ook nadenken over zijn of haar takenpakket. De diversiteit in de gemeente is zodanig dat met enige creativiteit hierin voldoende variatie aan te brengen moet zijn. Het is verkeerd als iemand veertig uur in de week bezoekwerk heeft te doen. Waar dat gebeurt, verdwijnt ook de vaart uit het werk, gaan bezoeken onnodig lang duren, evenzeer voor degene die bezoek ontvangt. Ook een kerkelijk werker moet tijd voor bezinning en studie inruimen, kan betrokken worden bij bepaalde studieopdrachten in de gemeente, die voorafgaan aan een verantwoorde keuze voor catechese- of evangelisatiemateriaal. Als de opleiding voor kerkelijk werker veelzijdig is, kan de baan ook zodanig gevarieerd ingevuld worden dat een werker daarover niet zou moeten klagen. Het lijkt mij zinvol hierover concrete afspraken te maken en die eventueel in een arbeidsovereenkomst te benoemen. Geen voorstander ben ik van het vermelden van de werkzaamheden van de kerkelijk werker in de profielschets voor de predikant of in diens beroepsbrief. Dat gaat er weer te veel van uit dat predikant en kerkelijk werker concurrerend ten opzichte van elkaar werken, een beeld dat we niet in stand moeten houden, omdat concurrentie in Gods Koninkrijk er slechts met de duivel of de wereld mag zijn.

Relatie met het ambt

Het uitgaan van de eigen identiteit van de kerkelijk werker als beroepsgericht geschoold middenkader voor de bearbeiding van de gemeente, betekent dat er onderscheid is met de ambtsdragers in het algemeen en de predikant in het bijzonder. Daar moeten we eenvoudig van uitgaan. In 1974 aanvaardde de hervormde synode als handreiking voor het geloofsgesprek het rapport Het geheim van de gemeente. De vier vaste kenmerken waaraan de gemeente te herkennen is, zijn volgens dit rapport de verkondiging en viering van het heil, de onderlinge gemeenschap, de ambten en de dienst aan de wereld. In het hooghouden van het ambt benadrukt de gemeente dat aan haar de woorden van Christus zijn toebetrouwd: 'Wie u hoort, die hoort Mij', zei Christus bij de uitzending van de zeventig. Daar hoort de volmacht van de evangeliebediening bij, daar hoort het leiden en regeren van de gemeente bij, daar hoort het ambtsgeheim bij. Waar in broederlijke eengszindheid samengewerkt wordt, zal een kerkelijk werker zich niet tweede- of derderangs beschouwen, maar zijn eigen plaats met vreugde innemen, de ambten erkennend en respecterend. Dan heeft niemand moeite met een verschil in taak en in verantwoordelijkheid bij de dienst in de gemeente van Christus. Dan zal een oudere kerkelijk werker erkennen dat de Heere een jonge predikant in een gemeente roept, om samen met de andere leden van de kerkenraad de gemeente te leiden, wetend dat hij onder verantwoordelijkheid van die kerkenraad zelf dienstwerk mag doen onder de jongeren of ouderen, in het kringwerk of bij hen die van het Evangelie vervreemd zijn. Dan is er zorgvuldigheid in het onderlinge overleg, dan is er geen verborgen agenda maar kan er eerlijk van gedachten gewisseld worden hoe het werk in de gemeente tijdens de vacaturetijd zoveel mogelijk doorgang kan vinden, maar ook hoe we het daarna weer organiseren. Het gaat in de Schrift nergens om leeftijd, behoudens het niet verachten van iemands jonkheid. Het gaat ook niet om hiërarchie, zoals in de Rooms-Katholieke Kerk. Het gaat wel om de roeping waarmee wij geroepen zijn. De Heilige Geest geeft aan de gelovigen verschillende gaven en verschillende werkingen - maar de gave die het meest is, is de liefde. En de liefde zoekt zichzelf niet.

Erkenning

De leden van uw sectie verlangen naar erkenning in de breedte van de hervormd-gereformeerde beweging, naar een plaats in het kerkelijke leven. Die erkenning komt er mijns inziens niet door vier artikelen per jaar in de Waarheidsvriend, noch door opneming van de leden van uw sectie in het adresboekje van de Gereformeerde Bond. Die erkenning zal (meer en meer) komen danwel toenemen door de kwaliteit van de opleiding, en vooral vanwege de wijze waarop u meewerkt aan de opbouw van de gemeente, een goede reuk van Christus zijnde. In de navolging van Hem bereid zijn het werk van een dienstknecht te doen, waarin veel vreugde gelegen is.

P. J. VERGUNST

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 september 2002

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Voldoende variatie aan taken

Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 september 2002

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's