Globaal bekeken
V oor een tijd een plaats uan God is de titel van het laatste boek van prof. dr. H. M. Kuitert. Hij stelt daarin dat de mens er eerder was dan God. Zo is de mens zelf God in t diepst van zijn gedachten. fCuiteit betoont hiermee een God-loochenaar te zijn geworden. Het begin van zijn theologie verklaart zich uit het einde. Intussen ontleent hij de titel aan een versregel van de dichter Gerrit Achterberg in diens gedicht Deïsme. In het Nederlands Dagblad gaf Hans Werkman aan hoe misplaatst dat is.
• Deïsme
De mens is uoor een tijd een plaats uan God. Houdt geen gelijkteken nog iets bijeen, dan wordt hij afgeschreven op een steen. De overeenkomst lijkt te lopen tot deze voleinding, dit abrupte slot.
Want God gaat verder, zwenkend van Hem heen in zijn miljoenen. God is nooit alleen, Voor gene kwam een ander weer aan bod.
Wjj zijn voor hem een vol benzinevat, dat hij leeg achterlaat. Hij moet het kwijt, al de afval, met zijn wezen in strijd.
Sinds hij zich van de schepping onderscheidt, gingen wij dood en liggen langs het pad,
wanneer niet Christus, koopman in oudroest, ons juist in zo'n conditie vinden moest, alsof hij met de Vader had gesmoesd. (Gerrit Achterberg, Verzamelde gedichten)
• Een plaats van God
'Martin Ros had 's morgens op de TROS-radio luidkeels aangekondigd dat het nieuwe boek van Kuitert, Voor een tijd een plaats van God op de CLK-beurs tussen de vrome zielen van refo's en grefo's gepresenteerd zou worden. Dat kon ik niet geloven, en daar heb ik niets van gemerkt. Sterker: ik ben twee keer de stand van uitgeverij Ten Have gepasseerd, maar dat hele boek van Kuitert lag er niet op te vallen.
Al uitverkocht? Lijkt me sterk. Martin Ros had trouwens in de vroege ochtend al kennisgenomen van wat hij op de radio noemde "het laaiende artikel van het ND tegen Kuitert". Ook ik behoorde tot de belangstellende afnemers van het stuk van Koert van Bekkum. Het deed me goed dat KuB het gedicht
uan Achterberg, waaruit Kuitert de titel uan zijn boek ontvreemd had, als geheel bekeek. Eigenlijk heb ik nooit gesnapt dat Achterberg dit gedicht "Deïsme" noemde. Het deïsme is immers de leer dat God zich na de schepping uerueeld uan zijn werk afwendde en het maar liet begaan zonder zich er uerder om te bekommeren. Het grootste deel uan "Deïsme" kun je inderdaad lezen als een voorbeeld van zo'n deïstische houding. God schept de mens, een energiebron ("de mens is uoor een tijd een plaats uan God"), laat hem onaangedaan leeglopen en dumpt hem ter plekke, waar hij als een leeg benzineuat ligt te verroesten. Maar na dertien uan zulke deïstische regels volgt het slot, dat ik dan maartheïstisch zal noemen: wanneer niet Christus, koopman in oudroest, ons juist in zo'n conditie uinden moest; alsof hij met de Vader had gesmoesd.
Dat "smoezen" is een Jiddische uitdrukking uoor onderhandelen, bij Achterberg dus het gesprek tussen Vader en Zoon met het doel de mensheid te redden. De laatste drie regels uan Achterberg uormen een beeldrijk pleidooi tegen de inhoud uan Kuiterts laatste boek. In de eerste uersie van de slotstrofe stond: "Als niet de herder Jezus Christus kwam / om ons te uinden als uerloren lam". Dat komt op hetzelfde neer, maar de dichter uond gelukkig een veel beeldrijker slot, waarin hij dat tijdelijke uan Gods aandacht uoor de mens inruilt voor de blijuende mogelijkheden die oudroest biedt voor een koopman als Christus.
Goed dat zo'n gedicht weer eens euen in zicht komt, maar ergerlijk hoe Kuitert een regel loswrikt uit het verband om het naar zijn (zelfs niet eens meer deïstische) pijpen te laten dansen.'
E en lezer stuurde, mij een stukje van de hand van ds. C. Stelwagen (Elspeet) onder diens gemeenteberichten in de Harderwijker Kerkbode, onder de titel Van 't huisje.
'Het is alweer euen geleden dat ik met mijn dochter 's auonds laat liep te wandelen. In de uerte kwam mijn gewaardeerde collega ds. Vermey aanfietsen. We praatten euen. "Zo, heb je een kerkenraadsuergadering gehad? " "Nee", zei hij, "we hadden vergadering over het huisje." Dat woord "huisje" bleef wat bij mij haken. Ik dacht: 't is toch wel aardig, dat spraakgebruik met uerkleinwoordjes. In afgescheiden kringen leeft dat meer. Die mensen denken niet in 't groot, wat aardse dingen betreft. Zij houden dat allemaal lieuer wat klein. Een huisje.
Als dan later de omtrekken aan de Stauerdenseweg zichtbaar worden, dan denk je: wel, dat zullen wel twee of drie huisjes onder één kap worden. Eén huisje voor de dominee, één uoor de scriba en e'e'n uoor de koster. Met daaraan uast nog een behoorlijke bejaardenwoning. Maar dat bleek toch niet zo te zijn. Toch één "huisje". Nu denk ik persoonlijk bij "huisje" aan wat andere afmetingen. Maar later dacht ik: ach, mijn collega bedoelde natuurlijk niet de afmetingen uan het huis, maar hij bedoelde te zeggen: het is niet zo belangrijk. Dat is de goede exegese van verkleinwoordjes, 't Is maar een huisje. Dat is toch wel een goede gestalte, als je zo tegen alles hierbeneden mag aankijken. Wij wensen hem en zijn gezin een gezegende tijd in dat huisje aan de Staverdenseweg. En wanneer is 't een gezegende tijd? Als daar een domineetje mag wonen, die zo af en toe een preekje doet en een bezoekje brengt. Als we dan onze preekjes en bezoekjes ook nog af mogen keuren, met onszelf erbij, dan worden wij steeds kleiner, totdat we met Paulus mogen zeggen: hoewel ik niets ben en Christus alles. Ik kom in jullie huisje eens kijken. Als ik tenminste na dit stukje nog welkom ben. Maar dat geloof ik uast wel.
Hartelijk gegroet. Achter ons huis staat nu trouwens een nieuwe schuur.
B ij uitgeverij Meinema (Zoetermeer) verscheen een boek Niet een handvol maar een land uol - 'Twee eeuwen protestantse kerkbouw in de Nederlandse ruimte' (red. H. C. Endelijk en J. Vree). Hieruit de volgende passage.
'Volgens een telling uan Van Swigchem c.s. waren er omstreeks 1835 in ons land 2795 kerkgebouwen. Daaruan behoorden er 963 aan de rooms-katholieken en 1838 aan de protestanten. Verreweg het grootste deel uan de protestantse gebouwen, namelijk 1535, werd gebruikt door de heruormden (de gereformeerden uan vóór 1795). De 303 ouerige gebouwen waren in het bezit uan de lutheranen, de doopsgezinden, de remonstranten en de herstelde euangelisch lutheranen. Verhoudingsgewijs hadden de doopsgezinden daaruan de meeste gebouwen, namelijk 119. De explosieue bouw uan geheel nieuwe kerkgebouwen zette kort nadien in, uooral door de actiuiteiten uan twee groepen: degenen die zich na 1835 uan de Nederlandse Heruormde Kerk begonnen af te scheiden en de rooms-katholieken, die na de afscheiding uan België in 1830 geen genoegen meer namen met de achtergestelde positie die zij tot dusuerre in Nederland ingenomen hadden. Op ueel plaatsen in het land bouwden beide groepen nieuwe kerken; zij deden dat met des te meer ijuer nadat de gewijzigde grondwet hun in 1848 meer vrijheid had geschonken. Binnen de Heruormde Kerk, die haar positie als Vaderlandse Kerk op deze wijze bedreigd zag, werd op twee manieren gereageerd. In de eerste plaats probeerde de synode uan omstreeks 1840 af steeds nadrukkelijker de bouw uan nieuwe kerken te stimuleren, uooral in die gebieden waar de afwezigheid of het slecht functioneren uan pastorale zorg van hervormde zijde de afgescheidenen en roomsen in de kaart zou kunnen spelen. Daarnaast werden na het herstel uan de rooms-katholieke hiërarchie in 1853 door verschillende groepen binnen de Hervormde Kerk pogingen ondernomen om door middel uan evangelisten de Rooms-Katholieke Kerk op eigen terrein te bestrijden. Toen deze opzet urijwel geen urucht bleek af te werpen, richtte men zich op die leden uan de eigen kerk die tot dan toe nauwelijks de band met het instituut beleefden. De laatstgenoemde uorm uan euangelisatie, ook wel als Inwendige Zending aangeduid, werd nog belangrijker nadat in de jaren zestig uan de negentiende eeuw het zogenaamde Modernisme steeds meer inuloed kreeg. In heruormde gemeenten waar de kerkenraad en predikant(en) de moderne richting waren toegedaan, ontstonden afzonderlijke orthodoxe "euangelisatiën", die eigen samenkomsten organiseerden. Ook deze vormen van evangelisatie leidden tot nieuwe kerkelijke gebouwen. Wie de Inventarisatie uan Sonneueld naloopt, ziet dat er vanaf de jaren zestig uan de negentiende eeuw tot de Tweede Wereldoorlog zo tientallen verrezen, die in allerlei uormen dikwijls thans nog bestaan of zelfs dienst doen. Zo bijvoorbeeld in Boelenslaan, eerder bekend als Surhuisterveensterheide. Daar werd ten behoeve van de heidebewoners in 1852 een kerkje ingewijd. Nadat de gemeente uan Surhuisterueen, waaronder het kerkje ingewijd. Nadat de gemeente uan Surhuisterueen, waaronder het kerkje op de heide uiel, in de volgende decennia modern geworden was, vestigde de Confessionele Vereniging daar in 1900 een euangelisatiepost. Het gebouwtje dat ten behoeue uan dit werk in 1908 verrees, dient thans als heruormd kerkgebouw, het oudere kerkje dat euen verderop aan de Boelenswei staat, dient als aula bij het omringende kerkhof.'
Voormalige heruormde kerk te Boelenslaan (uoorheen Surhuisterueensterheide), ingewijd in 1852, thans gebruikt als aula.
V.D, G.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 oktober 2002
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 oktober 2002
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's