Boekbespreking
A. W. Ridder, Vreugde als aanzet tot geloof. Over geloofservaring, vreugde en angst, toegespitst op het Oude Testament. V\ Uitg. Boekencentrum, Zoetermeer, 206a; 251 /53W \\
Dit ^Wl^e^^Hk^éljfoipz^fcmi opval» lewboek. Allereerswetreft het 1 gtèch proefschrift dat geschreven en verdedigd is door een niet-theoloog. Dat alleen al dwingt groot respect af, want het betekent dat de schrijver (van huis uit leraar aardrijkskunde in het voortgezet onderwijs) zich als amateur gedurende vele jaren diepgaand in de theologie heeft ingewerkt. In de tweede plaats is dit aan de theologische faculteit van de VU verdedigde proefschrift sterk apologetisch van aard. Dat waren we de laatste tijd van die zijde niet meer zo gewend. De schrijver richt zich namelijk geheel op de bestrijding van de veelgehoorde atheïstische stelling, dat godsdienst voortkomt uit angst.
Het is duidelijk dat hij daarmee geen gevecht aangaat tegen windmolens. Hoe vaak kan men de gedachte niet aantreffen (zowel bij geletterden als ongeletterden) dat mensen steun zoeken in een bepaald geloof uit zwakte en angst, omdat ze het leven anders niet goed aankunnen. Volgens velen zou zelfs elke vorm van religie hieruit verklaard kunnen worden: de mens verzint zich een troostrijke goddelijke wereld hierboven, om op die manier z'n angsten en frustraties in het hier en nu enigszins te kunnen beheersen. Nu ontkent dr. Ridder niet dat angst en geloof inderdaad met elkaar te maken hebben (hij valt onder meer de bekende uitspraak bij dat 'nood leert bidden'). Maar hij richt zich wel in een zorgvuldig opgezette argumentatie tegen de stelling dat godsdienst vooral en primair gebaseerd zou zijn op angst - een stelling die hij in z'n minst onverholen vorm aantrof in het boek Waarom ik geen christen ben, van de filosoof Bertrand Russell.
Nu zou Ridder zich natuurlijk snel van zijn taak kunnen kwijten door tegenover Russell aan te voeren: geloof is niet gebaseerd op angst, maar op Gods openbaring. Ridder zegt niet dat dat een verkeerd antwoord is, maar kiest toch bewust een andere route, vooral omdat zijn gesprekspartners Gods openbaring nu eenmaal niet erkennen. In de theologie is het een oude vraag of men om die reden Gods openbaring als het ware tijdelijk tussen haakjes mag zetten. Maar grote geesten als Anselmus en anderen gingen Ridder hierin voor, dus er zit iets in hem op dit punt het voordeel van de twijfel te gunnen. Hoe dan ook: Ridder kijkt 'van beneden af naar het geloof: onder welke omstandigheden komen geloofsuitspraken zoal tot stand? Dan blijkt dat
dikwijls juist vreugdevolle ervaringen daarbij een belangrijke rol spelen. Uitvoerig illustreert Ridder die these aan het Oude Testament, waarin het heel vaak de vreugde over Gods daden is die het geloof oproept en verdiept. Hij wijst er bijv. op hoe Israël aan de Schelfzee niet tot geloof kwam toen het in het nauw gedreven was (integendeel, toen werd men boos op Gods afgezant Mozes!), maar pas toen het tot zijn vreugde aan zijn vijanden was ontsnapt. En passant wijst Ridder er ook op (p.190) dat we als kerken slechts tot onze schade aan de vreugde als wezenlijk element van het bijbels geloofsgoed voorbij kunnen gaan, omdat velen in dat geval hun heil zullen zoeken in evangelicale kringen. Daarom eindigt hij zijn relaas met citaten van Van Ru- Ier en andere kerkelijke theologen die de vreugde van het geloof zijns inziens terecht benadrukt hebben,
Mijn belangrijkste bedenking bij dit boek is van methodische aard. Ridder richt zijn onderzoek niet op godsdienst in het algemeen maar uitsluitend op godsdienstige uitspraken, zonder zich af te vragen of die inperking ten opzichte van Russell wel verantwoord is. Maar wanneer Russell c.s. beweren dat godsdienst gebaseerd is op angst, zouden ze dan niet veelmeer aan godsdienstige gedragingen denken (zoals gebed, Godsverering etc.) in plaats van aan 'keurige' belijdende uitspraken? Zouden ze niet menen dat uit die laatste de angst vaak al min of meer verdwenen is? Wanneer dat inderdaad het geval is, komt ook het uitvoerige (overigens wel kritische) gesprek dat de auteur met Kuitert voert over de structuur van geloofsuitspraken enigszins in de lucht te hangen.
Dan nóg blijft echter overeind staan dat Ridder op vele fronten het ongelijk van Russell en diens hedendaagse volgelingen overtuigend aantoont. Kernachtig en overtuigend vat hij zijn betoog als volgt samen (p.191): 'Het is waar dat mensen met behulp van godsdienst ook hun levensangst te boven kunnen komen, maar godsdienst doet meer: ze geeft in de eerste plaats aan waarin of in Wie mensen hun ultieme heil en de zin van hun bestaan kunnen vinden.' Al kun je je afvragen of zoiets niet te algemeen blijft om van veel betekenis te zijn voor een specifiek christelijke geloofsverantwoording, ik ben al met al toch zeer onder de indruk gekomen van dit waardevolle proefschrift. Het heeft niet alleen een elegante omvang, maar getuigt ook van veel creativiteit, brede kennis en grote denkkracht. En dat alles wordt ingezet voor een goede zaak, nl. ter ontzenuwing van een verwijt dat in het geding tussen geloof en ongeloof nog altijd een niet te onderschatten rol speelt.
G. VAN DEN BRINK, WOERDEN
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 oktober 2002
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 oktober 2002
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's