Hartslag en felheid van de Reformatie
GOD EN MENS OP HUN PLAATS [I]
In het jaar 1525 cjeeft Luther in zijn boek ouer de vrije wil de volgende ontboezeming door aan Erasmus: 'Verder loof en prijs ik ook dit heel bijzonder aan U dat U als enige uan allen de zaak zelf aangepakt hebt, namelijk het wezen uan de zaak en dat U mij niet met die vreemdsoortige zaken ouer het pausdom, vagevuur, aflaat en dergelijke - waarbij het veelmeer om nutteloos bocht als om ernstige dingen gaat- waarin bijna allen mij tevergeefs hebben trachten te vangen, geplaagd hebt. Enkel en alleen U hebt het kardinale punt uan de kwestie onderkend en hebt de hoofdzaak zelf aangegrepen, waarvoor ik U van harte dankzeg'. Luther schrijft dit in het kader van het bekende dispuut dat er geweest is tussen hem en de beroemde humanist Erasmus.
Dit dispuut ging over de vraag of de mens na de zondeval nog een vrije wil ten goede heeft overgehouden of niet. Erasmus zei ja, Luther zei neen. Erasmus ontkende dus de totale verdorvenheid van de mens door de zonde. Hij kon het niet verdragen dat Luther de nekslag gaf aan zijn oude mens. Daarmee weigerde Erasmus de plaats in te nemen die hij als zondaar verdiende. Tegelijk weigerde hij God de plaats te geven die Hem toekomt, want Erasmus had Jezus niet nodig als volkomen Zaligmaker.
Het was dan ook water en vuur tussen Luther en Erasmus. Er lag een gapende afgrond tussen'hun beider visies. Ondertussen was Luther wel blij met de stellingname van Erasmus. Niet dus omdat hij het met hem mee eens was. Wel omdat Erasmus de koe echt bij de horens had gevat en doorgestoten was naar de kern van de zaak. Hoe belangrijk zaken als pausdom, vagevuur en aflaat ook mochten zijn, het allerbelangrijkste was de zaak die Erasmus had aangesneden. Want ten diepste gaat het in heel ons leven over de vraag naar de verhouding tussen God en mens. Hoe leert de Bijbel ons denken over God en hoe over de mens? Wie is God en wie is de mens? Anders gezegd: Wat is de plaats van God en wat is de plaats van de mens?
Wat is reformatie?
Wie nadenkt over wat de kern van de Reformatie in de zestiende eeuw is geweest, kan komen tot verschillende benaderingen. Bekend is de benadering vanuit het sola gratia (alleen genade), sola fide (alleen geloof) en sola scriptura (alleen de Schrift). Men kan echter ook zeggen dat het in de Reformatie centraal ging over de zekerheid van het geloof. De Rooms-Katholieke Kerk kende immers geen geloofszekerheid, want men wist maar nooit of men genoeg goede werken had gedaan om behouden te worden. De Reformatie zei: wij wijzen op grond van de Schrift elke verdienstelijkheid van goede werken, door mensen gedaan, af. Enkel de goede werken van Christus voor ons aan het kruis verricht, hebben verdienstelijke waarde. Wie daarom door het geloof op Christus en Zijn verdienste alleen vertrouwt, die mag helemaal zeker zijn van zijn eeuwig behoud. Zalig worden is honderd procent werk van God, zoals ook de uitverkiezing dat onderstreept. Dus is de uitverkiezing tot grote troost voor wie gelooft.
In twee artikelen willen we de kern van wat de Reformatie is, nog weer van een andere kant benaderen. Een benadering die andere accenten naar voren haalt. We willen de Reformatie namelijk bezien vanuit de stelling dat God er door op Zijn plaats is gekomen en de mens op zijn plaats(je).
We zeggen dus dat God door de Reformatie op zijn rechtmatige plaats is terechtgekomen. En we bedoelen uiteraard dat dat een gebeuren is geweest in het denken en handelen van mensen. Dat God door de Reformatie in het denken en handelen van mensen echt op Zijn plaats is gezet. In de Reformatie is God in het denken en handelen van mensen weer God geworden.
'In het denken en handelen van mensen'... Immers, los van dat menselijk denken en handelen is God nooit van
Zijn plaats te krijgen en hoeft Hij ook nimmer Zijn rechtmatige plaats terug te krijgen. Hij is de Hoge en de Heilige. Hij troont tussen vuurvonken als hoogste Majesteit. Hij is de opperste Soeverein. En niemand zal het lukken Hem van Zijn rechtmatige plaats te beroven. De kwestie waar het ons om gaat, is of God onder ons mensen de rechtmatige plaats inneemt die Hem toekomt. Dus of wij Hem erkennen als de enige Majesteit en Soeverein.
De Bijbel leert ons dat wij door de zonde daar een puinhoop van gemaakt hebben. We hebben immers als God willen zijn. Zonde is dat we God beroven van de plaats die Hem toekomt. Daarom heeft ieder mens die los van het christelijk geloof leeft, God van Zijn troon gestoten. Als autonome mens wil hij zijn eigen boontjes doppen en zo zelf god zijn. En ook wij als christelijke mensen moeten bekennen dat we van huis uit precies eender zijn. Het is niet enkel Erasmus die dacht als goed mens zijn eigen boontjes te kunnen doppen. Wij zelf zijn het van nature allen. Enkel genade van God kan dat veranderen.
De kerk kan het weten
Het is dan ook uitsluitend in de kerk dat verwacht mag worden dat het er anders aan toegaat. Verwacht mag worden dat kerkmensen God wel de rechtmatige plaats in hun leven laten innemen. Ondertussen weten we dat het daar nu juist aan schortte in de tijd dat de Reformatie doorbrak. De paus had zijn eigen gezag zozeer opgehemeld dat God niet meer spreken kon door Zijn woord. De paus en met hem de kerk bepaalden wat geloofd mocht worden en wat niet. Het ootmoedig luisteren naar het Woord van God was ingeruild voor het hoogmoedig heersen over het Woord. God dreigde
monddood gemaakt te worden. En daardoor dreigde de Geest het zwijgen te worden opgelegd. Met het gevolg dat God van Zijn plaats werd beroofd en de mens centraal kwam te staan. Beeldendienst kwam op, heiligencultus ging tieren en Mariaverering nam toe ten koste van haar Goddelijk Kind. Om van allerlei andere vormen van bijgeloof nog maar te zwijgen.
Weliswaar hield de Rooms-Katholieke Kerk officieel prima vast aan de bijbelse leer van de drieënige God. Doch die leer functioneerde volstrekt niet in de heilsleer. Want de verdienstelijkheid van goede werken vierde hoogtij. En dat is nu juist een onmogelijke mogelijkheid voor wie wil vasthouden aan de drieënige God. De leer van de drieënige God en de verdienstelijkheid van de goede werken sluiten elkaar namelijk uit, verhouden zich tot elkaar als water en vuur. Want de leer van de drieënige God wil ons bezweren dat wij zo restloos verloren zijn door onze zonde, dat God Zelf er in Christus en door de Heilige Geest voor honderd procent aan te pas moet komen, willen we gered kunnen worden.
Als Jeremia
Heerlijk daarom dat het blijde evangelie ons vertelt dat God er voor honderd procent aan te pas is gekomen door in Christus op Golgotha alles voor ons volbracht te hebben. Wij zijn daar zelf totaal bij uitgeschakeld en kunnen geen enkel boontje doppen. We zijn geheel afhankelijk van Hem die echt alle kastanjes voor ons uit het vuur heeft gehaald.
Heerlijk daarom eveneens dat het blijde evangelie ons vertelt dat God nog steeds doorgaat om er voor honderd procent aan te pas te komen, namelijk door het werk van de uitgestorte Geest van Pinksteren. Immers, die Geest wil ons door het woord van de bijbel geloof verlenen zodat we van dood levend worden. We gaan leven, dat wil zeggen dat we zo in beweging komen naar Jezus heen dat we niet te stuiten zijn. We gaan door totdat we in het geloof volle rust en vrede hebben gevonden bij het kruis van Golgotha. Dat betekent dat we er zelfs niet aan denken om een honderdste milligram verdienstelijkheid van goede werken mee te laten wegen. Deden we dat wel, dan zouden we Christus door de zwarte modder halen en Hem diskwalificeren tot onvolkomen Zaligmaker. We zouden Hem van Zijn plaats beroven en dus God van zijn hoge troon stoten.
En zelf namen we dan een plaats die ons niet toekomt. Want in hoogmoed gingen we onszelf strelen door ons wijs te maken dat we nog iets tot onze eigen zaligheid kunnen toedoen.
Hier ligt de hartslag en tegelijk ook de felheid van de Reformatie. Een kwestie die vanuit andere hoek bezien is teruggekomen bij de strijd met de remonstranten. Vandaar dat de Dordtse Leerregels ons ook zo dierbaar zijn. Refor-
matie wil zeggen dat het niet te verdragen is dat wij God van Zijn hoge plaats beroven. En dat het evenmin te verdragen is dat wij als mensen onze plaats niet weten in te nemen.
Van hieruit moeten we ook de vuurgloed verklaren van zowel Luther als Calvijn. Ze waren als Jeremia, van wie we lezen (20 : 9) dat het woord van God in hem werd 'als een brandend vuur besloten in mijn beenderen'. Jeremia trachtte dat brandende vuur binnen in zich te houden, maar het lukte niet. Het moest eruit als gloeiend woord van God. Op deze manier werd in de Reformatie-tijd het sola scriptura geboren. Luther was niet te temmen door conciliebesluiten en niet door de paus, zelfs niet toen deze hem in de ban deed. Want het ging Luther om de glorie van God. Het ging Luther erom dat God in de kerk en in de staat de plaats zou ontvangen die Hem toekwam en dat de mens zijn plaats(je) zou vinden op het arme zondaarsbankje, waar God zondaren rechtvaardigt sola fide en sola gratia. God op Zijn plaats en de mens op zijn plaats(je). Zo verstond Luther de Reformatie, zoals hij daar ook indrukwekkend van getuigde tegenover Erasmus. Daarom was hij dankbaar dat Erasmus het archimedisch punt naar boven haalde.
R. H. KIESKAMP, LIENDEN
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 oktober 2002
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 oktober 2002
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's