Tijden van boetvaardigheid
DE VROEGE KERK OVER HUWELIJK EN ECHTSCHEIDING [2]
In het eerste artikel zagen we dat zowel binnen het jodendom als in het Romeinse rijk een wettige mogelijkheid tot echtscheiding bestond. In het Romeinse rijk was het voor zowel de man als de vrouw toegestaan en werd het gezien als de ontbinding van een contract. In het jodendom was het vanuit de wet van Mozes als 'noodmaatregel' alleen voor de man toegelaten, en - naar bepaalde rabbijnse uitleg ervan - in de praktijk tot mogelijkheid geworden op grond van zeer geringe redenen. De zich verspreidende christelijke kerk was echter vurig en beslist in haar afwijzing van echtscheiding. Dit was in het Romeinse rijk van die dagen een visie die insloeg: wat de meerderheid van de mensen beschouwde als een geoorloofde maatschappelijke handeling, werd benoemd tot een kwaad! De achtergrond van deze strenge visie op de echtscheiding ligt zeker in het onderwijs van Christus. Hij verbiedt het scheiden op grond van het feit dat God man en vrouw heeft samengevoegd. En het is zonde als de mens gaat verbreken wat door God is bijeengebracht. Deze gedachte heeft in de Vroege Kerk diep wortel geschoten.
Op deze strenge regel zijn echter vanuit het Nieuwe Testament twee uitzonderingen te noemen. Ten eerste wanneer een van beiden overspel heeft gepleegd (Matth. 19). Ten tweede wanneer de partner uit afkeer van het christelijk geloof van de echtgenoot wil scheiden. Dan moet de gelovige echtgenoot zich hierbij neerleggen (I Kor. 7). Deze twee nieuwtestamentische redenen zien we in de Vroege Kerk telkens weer aan de orde komen. Verschil van mening is er wel of je bij een overspelige echtgenoot verplicht bent te scheiden. Sommigen dachten van wel. In het geschrift De herder uan Hermas komt naar voren dat je van een overspelige echtgenoot die daarin volhardt, moet scheiden, anders zou je zelf deelgenoot van de zonde worden. Andere kerkvaders denken daar anders over. Zij menen dat je in een dergelijke situatie het recht hebt om te scheiden, maar je mag ook blijven.
Berouw
Toch is hiermee niet alles gezegd. De vraag is natuurlijk: hoe ging men er in de praktijk mee om als iemand dan toch overspel had gepleegd? Of op andere gronden dan de boven genoemde tot echtscheiding was gekomen? Bij-voorbeeld doordat de onderlinge verhouding zo ernstig beschadigd was dat die niet meer te herstellen viel. Helaas hebben we daarover niet zoveel informatie. Wel kunnen we wat meer licht hierop krijgen vanuit enkele aanwijzingen van Augustinus. In zijn handboekje over het geloof (Enchiridion) schrijft hij over de vergeving van de zonden. Hij maakt dan eerst onderscheid tussen zonden en overtredingen. Bij zonden denkt hij aan de zonden die een christen elke dag aankleven. Bij overtredingen denkt hij aan grotere misstappen. Augustinus geeft aan dat het leven van een waar christen wel zonder misstappen kan zijn, maar niet zonder zonden. Ieder heeft elke dag met zonden te maken. Vervolgens gaat de kerkvader in op de overtredingen. Hij stelt: ook voor de overtredingen, hoe groot ook, kan vergeving worden verkregen in de Kerk. Aan de genade van God mag nooit worden gewanhoopt door mensen die
oprecht berouw hebben, waarbij het berouw in overeenstemming zal zijn met de grootte van zijn overtreding. Bij berouw gaat het om je innerlijk, want God veracht een verbroken hart niet. Maar: wij mensen kunnen van elkaar het innerlijk niet zien, en dus ook niet het berouw. Je kunt dat aan een ander alleen laten zien door woorden en uitingen. Augustinus geeft aan dat de Kerk daarom terecht tijden van boetvaardigheid heeft vastgesteld, waarin een overtreder zijn berouw moet beoefenen.
Hier zien we de lijn van de Vroege Kerk oplichten. Er is in de Kerk voor elke zonde, hoe groot ook, vergeving te ontvangen. Dat krijg je op berouw, wat God alleen kent. Maar de Kerk heeft tijden van boetvaardigheid, passend bij elke overtreding, vastgesteld om zo, zoals Augustinus zegt, de Kerk waarin de zonden vergeven worden, tevreden te stellen. Hij wil aangeven: door deze tijd van boetvaardigheid wordt aan de ernst van de zonde recht gedaan. En dan zo dat het voor de kerkelijke gemeenschap zichtbaar is.
Basilius de Grote
Augustinus vertelt ons verder niet hoe dat in de Kerk van Noord-Afrika vorm kreeg. Maar we hebben uit de Vroege Kerk een heel opmerkelijk voorbeeld, dat ons laat zien hoe dat toeging. Te vinden in een aantal brieven van Basilius de Grote, een kerkvader uit de vierde eeuw. Die behandelt in deze brieven enkele vragen rond de praktijk van het berouw en de boetvaardigheid. Hij geeft aan dat er voor elke zonde een bepaalde tijd van boetvaardigheid was vastgesteld. Deze boetvaardigheid diende ertoe om degene die had gezondigd het gewicht van zijn daad te laten beseffen. Het is goed om enkele voorbeelden hiervan te geven. Een vrouw die abortus heeft gepleegd, krijgt een boeteperiode van tien jaar, waarbij volgens Basilius niet alleen op de duur van de tijd gelet moet worden, maar vooral op het karakter van het berouw daarin. Bij een onopzettelijke moord in een ruzie staat elf jaar. Deze periodes van boetvaardigheid zijn ook weer onderverdeeld. Als iemand een opzettelijke moord pleegt, is zijn periode van berouw 20 jaar, volgens Basilius als volgt verdeeld: vier jaar wenend staan bij de kerkdeur, dan vijfjaar toehoorder helemaal achterin de kerk, vervolgens 7 jaar tussen hen die knielen (teken van berouw eri nederigheid), daarna vier jaar tussen het volk in de kerk (maar zonder Avondmaal), daarna weer toegang aan het Avondmaal. Een moordenaar heeft zo dus gedurende 20 jaar geen toegang' tot het Avondmaal. Het is duidelijk* een zeer lange en ingrijpende weg. Als iemand gedurende deze periode overleed? Dan werd hij niet als verloren beschouwd, maar de zekerheid van zijn zaligheid was er ook niet. Wel mocht er goede hoop zijn vanuit de wetenschap dat God de nederigen ziet en aanneemt: en wat zijn mensen in berouw anders dan zulke nederigen! We moeten hierbij wel bedenken dat het dan gaat om gedoopte, belijdende christenen die een dergelijke daad doen. Voor hen die als heiden een dergelijke daad hebben gedaan, ligt het anders, omdat zij door met berouw tot Christus te gaan in de doop de afwassing van de zonden krijgen. Maar op het moment dat je een gedoopt, belijdend christen bent geworden, komen er bij openlijke zonden forse periodes van berouw aan te pas.
Onschuldige partij
We geven nog enkele voorbeelden, nu met betrekking tot het huwelijk. Een man die die zijn vrouw wegzendt, terwijl zij wettig aan hem verbonden was, krijgt de boeteperiode van echtbreuk: één jaar wenen (bij de kerkdeur), dan hoorder (achterste plek in de kerk) gedurende twee jaar, vervolgens knielen gedurende drie jaar, daarna tussen de gelovigen staan in het zevende jaar; ten slotte weer toegang tot het Avondmaal. Bij de vaststelling van de periode wordt gekeken naar de aard van de overtreding. We zien Basilius bijv. rondom overspel drie verschillende periodes vaststellen: 4 jaar, 7 jaar en 15 jaar. Aangenomen wordt dat dit verschil correspondeert met de soort overspel: overspel tussen twee ongetrouwden, overspel van een getrouwde met een ongetrouwde, overspel tussen twee mensen die ieder getrouwd zijn. Het laatste wordt verreweg het zwaarst aangerekend.
De vierjarige boeteperiode verdeelt Basilius als volgt: één jaar wenen bij de kerkdeur, dan toelating tot de preek (achterste plek in de kerk), na nog een jaar toelating tot de boetedoening (het knielen), het volgend jaar toestemming om te midden van het volk in de kerk te zijn, daarna toelating tot het Avondmaal. De zevenjarige periode: 2 jaar wenen bij de kerkdeur, 2 jaar hoorder achterin de kerk, twee jaar knielend aanwezig in de kerk, 1 jaar staande te midden van het volk, dan toegang tot het Avondmaal. De 15-jarige periode: 4 jaar wenen bij de kerkdeur, 5 jaar hoorder achterin, 4 jaar knielen, 2 jaar staande tussen het volk, daarna het Avondmaal.
Bij deze voorbeelden van Basilius moet bedacht worden dat in een echtscheiding de onschuldige partij geheel vrij was van deze perioden van berouw. In onze tijd wordt soms (te snel) gezegd: beiden hebben schuld. In de Vroege Kerk was er het besef dat één van beiden aan het gebeuren onschuldig kan zijn. Voor diegene bleef ook na de echtscheiding de toegang tot het Avondmaal geheel open.
Nederigheid
We weten niet in hoeverre hier sprake is van een eigenheid van het kerkelijk leven van Basilius de Grote in Klein- Azië. In ieder geval geeft Augustinus aan dat ook in de kerk van Noord-Afrika een dergelijke lijn werd gehouden en het komt ook overeen met de geest waarin de Vroege Kerk met deze zaken omging. Aan de ene kant het gebod van Christus in ere houdend. Aan de andere kant vanwege Gods barmhartigheid de weg wijzend, waarin de vergeving en de genade van God wordt 'geschonken en de toegang tot het genieten van de gemeenschap met Christus weer openstaat.
Deze gang van zaken komt ons in eerste instantie vreemd over. Het doet ons enigszins denken aan de Middeleeuwen, waar de genade steeds meer een beloning werd voor eigen berouw en inspanning. Toch moeten we die verbinding niet te snel leggen. Van verdienstelijkheid is hier volstrekt geen sprake. Het benadrukken van de noodzaak van berouw heeft in de Vroege Kerk te maken met de spanning tussen zonde en genade. Men ervoer de genade niet zo dat de zonde minder erg was. Integendeel! Zeker als je als gedoopt en belijdend christen in de gemeenschap met Christus bent opgenomen.
Aan de andere kant vereist Gods barmhartigheid een ruime toegang ook voor de grootste der zondaren. Dieven, moordenaars, zij die abortus lieten plegen, echtbrekers: de zonde is erg, maar er is een vaste weg om bij God terug te mogen komen. Een lange periode van berouw, met allerlei passende tekenen, diende om iemand die gezondigd had tot nederigheid tegenover God te brengen. Want God geeft de nederigen genade. En de uiterlijke periodes en tekenen hielpen om ook innerlijk te voelen dat je wat ergs had gedaan. Het gaat de Vroege Kerk dus vooral om nederigheid, boetvaardigheid, berouw in de christen! Anders gezegd: de toegang tot de vergeving staat altijd open, maar dat niet zonder berouw waarin wat voor Gods aangezicht zondig is wordt overdacht en beleefd. Op deze wijze heeft de Vroege Kerk recht willen doen aan de weg van Christus, die de zondaren tot Zich nodigde. Tegelijk heeft zij de goedkope genade willen verhinderen door aan de vergeving ook het berouw te verbinden via een voorgeschreven periode van boetvaardigheid.
Blijft nu nog de vraag over naar een volgend huwelijk als een eerste huwelijk ontbonden is. Daarover willen we in het derde en laatste artikel schrijven. Tevens proberen we dan enkele punten naar voren te halen waarin de Vroege Kerk ons voor het heden de weg kan wijzen.
P. F BOUTER, PUTTEN
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 november 2002
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 november 2002
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's