Scheiden of (ver)dragen
LICHT OP DE KERK [6]
Blijven
Dit artikel gaf ik als titel mee: Scheiden of (ver)dragen. Augustinus reeds worstelde met dit dilemma in zijn strijd met de Donatisten en anderen. Separatio of toleratio. Kenmerkend voor een dilemma is datje tussen twee vuren zit, twee polen die je beurtelings kunnen aantrekken of afstoten. Kernvraag is opnieuw wat het verbond van God in dezen betekent. Houdt dat op bij de vorming van een verenigde kerk waarin straks de Nederlandse Hervormde Kerk zal opgaan? Of loopt het verbond door in die bedding? En wat dan met degenen die deze vereniging blijven afwijzen en niet meegaan, dat wil zeggen buiten het geheel komen te staan? Is er bij hen dan sprake van een vorm van verbondsbreuk? Of ligt de schuld van die breuk bij degenen die verenigen?
Die laatste discussie is uit en te na gevoerd in de dagen van Afscheiding en Doleantie. Wie en waar was de wettige voortzetting van de kerk? Mijn vraag is slechts: kunnen en mogen wij stellen dat straks de kerk in ieder geval niet meer is in de verenigde kerk? Van de beantwoording van die vraag hangt nogal wat af. Ieder zal hier zijn eigen gevolgtrekking (moeten) maken. Wie, zoals ondergetekende, de lijn van het verbond Gods tot het uiterste wil vasthouden, de lijn van het grondprincipe dat de kerk daar is waar het Woord Gods is, kan onmogelijk afscheid nemen van de kerk (landelijk) en al helemaal niet van de plaatselijke gemeente die uit de aard van het kerkrecht deel uitmaakt van het landelijk geheel. Het is namelijk een fictie die echter nog steeds her en der in stand wordt gehouden, te menen datje op plaatselijk vlak de hervormde gemeente (kerk) kunt voortzetten zonder deel uit te maken van de verenigde kerk. Een hervormde gemeente kan besluiten hervormd te blijven, waar de nieuwe kerkorde ruimte voor biedt. Maar men moet zich dan wel realiseren dat dat alleen kan onder de koepel van SoW. Wie bij de eigen gemeente wenst te blijven, kan dat slechts indien hij zich 'laat meenemen' naar de verenigde kerk.
Wij moeten daar maar heel duidelijk in zijn. In alle andere gevallen komt men buiten de plaatselijke hervormde gemeente te staan, men kan niet zomaar zonder meer de gemeente voortzetten buiten het nieuwe verband. Dat zijn zeer ingrijpende dingen. Een keuze hierin moet een gegronde keuze zijn. De enige weg - althans dat is mijn overtuiging - is op onze post te blijven, ook in een verenigde kerk die wij nochtans zo niet hebben begeerd. Het gaan van deze weg is een uitvloeisel van een proces van rijping van inzicht en verstaan en heeft voor mij het loslaten betekend van een eerder standpunt, waarop deze weg niet gegaan kon en mocht worden. Ik kan het maar op één manier verantwoorden: door een beroep en een pleiten op de trouw van Gods verbond en op de kracht van het Woord Gods. Zelfs al wordt de belijdenis monddood gemaakt en verzinkt de kerk als organisatie en instituut in een schrikbarende nietszeggendheid, dan nog wil het niet zeggen dat het Woord Gods in haar geen kracht meer doet.
Daarbij mogen wij ons spiegelen aan de profeten van het oude verbond, die nimmer opriepen om een eigen heiligdom op te richten, omdat de tempel geen Huis Gods meer kon zijn. Werpt men mij tegen dat een dergelijk beroep op het Oude Testament niet opgaat, dan vraag ik: is de houding van de apostelen tegenover de ontaarding van de gemeente door dwaalleer en zedelijk verval een andere geweest? God blijft getrouw. Dat is het wezen van het verbond en bepaalt tevens de reikwijdte ervan. Wie dat niet recht verstaat, kan schamperen bijv. op het spreken in het Hervormd Pleidooi over 'gebrandschilderde ramen' van oudvaderlandse kerken en meer van dat soort uitingen.
Daarbij komt dat ik werkelijk geen heilbrengend perspectief vermag te zien in een hersticht kerkverband van allerlei delen of restanten van gemeenten. Men zal daar toch toe moeten overgaan, tenzij men helemaal op zichzelf blijft staan. Maar wat dat oplevert heeft de kerkgeschiedenis ons wel geleerd, dacht ik. Bovendien - ik zeg dat niet met leedvermaak, integendeel -, is het met de kerkelijke/werkelijke eenheid van degenen die menen niet mee te kunnen gaan, nu op z'n minst twijfelachtig gesteld. In het algemeen leert de kerkhistorie ons ook nog eens dat delen die van het grote geheel, hoe dan ook en onder welke naam dan ook, geamputeerd raken, vele malen sneller versterven dan men ooit voor mogelijk had gehouden. Het subjectivisme gaat er heersen en een verdere versnippering is onontkoombaar. Men kan zeggen zich onder de banier van de waarheid te verzamelen maar de geschiedenis van Afscheiding en Doleantie is op zijn minst niet bemoedigend. Veelal verzinkt men in vrijzinnigheid of verregaande geestelijke verkalking en verstarring, waarbij het gereformeerde overtroefd wordt door het gereformeerdere en dat op z'n beurt door het gereformeerdste
(H. G. Abma)
Oordeel?
Is de verenigde kerk een oordeel van God? Vooropgesteld zij dat wij voorzichtig moeten zijn met zulke zwaar geladen woorden in de mond te nemen. Wij moeten de ontwikkelingen bezien in het licht van onze kerkelijke en geestelijke schuld tegenover God. Zo verstaan, zijn wij Gods oordeel altijd waardig. Hebben wij onze eigen sector van de Hervormde Kerk niet veel te veel als de beste beschouwd? Is God vrij om in Zijn soevereine gang met de kerk haar een weg te doen gaan die wij niet begeren, om ons te vernederen en te verootmoedigen? Onze geestelijke voorzaten hebben hun blijven in de kerk altijd met deze geestelijke argumenten verdedigd. Dat wil zeggen: zij konden en wilden zich niet buiten de schuld plaatsen maar die eigenen. Ik mis die houding vandaag veelal pijnlijk. Velen staan in nederige bewoordingen zo hoog tegenover de kerk en haar vele gebreken. Zonder deernis met 'haar gruis'. En zo heel gemakkelijk komt het ervan dat wij onszelf alleen nog voor het ware volk van God houden dat absoluut niet meer op zijn plaats in het grote geheel kan blijven.
Waarom blijven? Om nog één reden minstens. Weer kom ik terug op het verbond en in dat kader op de hoedemakeriaanse visie van heel de kerk en
heel het volk. Wij willen op onze post blijven, ook om 'het volk', tenzij men meent dat de schare die de wet niet kent, er toch niet bijhoort. Laat ieder die dit leest, nu denken aan zijn of haar eigen gemeente. Mogen wij weggaan bij de schapen die aan onze zorgen zijn toevertrouwd? Ik denk nu natuurlijk sterk vanuit de ambtelijke verantwoordelijkheid, maar schuif de voor ieder geldende geestelijke verantwoordelijheid niet aan de kant. Als dominee blader je wel eens door je kaartenbak en word je overvallen door getallen van zovelen die naar de rand verschuiven of verschoven. Wij reiken toch hoe dan ook naar hen? Wij bidden toch altijd weer voor hen, ook en uist als ze voor ons zo onbereikbaar zijn? Mogen wij hen loslaten? Ik denk aan Ralph Erskine, die Whitefield uitnodigde om te preken maar dan wel alleen in 'zijn' (afgescheiden) erk en dus niet in de staatskerk, omat zijn kudde het ware volk van God was. Waarop Whitefield zei dat als alle anderen dan het volk van de duivel waren, die het meer nodig hadden dat er voor hen gepreekt werd. Mutatis mutandis lijkt mij die overweging zeer steekhoudend.
Rechtvaardiging van de goddeloze
Ik kom ten slotte, naar mijn overtuiging, nu aan een der diepste en belangrijkste noties in deze materie. Die betreffen, wat ik noem de ecclesiologische consequenties van de belijdenis van de Heidelberger Catechismus in Zondag 23. Een van de hartszondagen van ons leerboek, een van de hartaders van de Heilige Schrift. Het gaat daar over de rechtvaardiging van de goddeloze door het geloof in Gods belofte in Christus Jezus. Mag ik het zeggen - al doe ik het met schroom - dat de Heere mij een tijd geleden met klem en kracht bij de belijdenis van dit diepe stuk bepaalde in het licht van de kerkelijke zorgen en moeiten? Het gaat daarbij niet enkel om een persoonlijk ervaren. Als de kerk die leeft bij de gratie Gods en door het Woord Gods en in het verbond Gods bestaat uit mensen als omschreven in deze machtige zondag, mogen wij dan van de kerk eisen of verwachten dat zij in zichzelf beter is dan de leden waaruit zij bestaat? .
Laten wij deze kostelijke belijdenis recht doen en tot onze troost verstaan om een weg te vinden in al de kerkelijke zorgen en spanningen. Waar wij dit belijden niet verstaan of niet ten volle, daar liggen wij open voor keuzen die ons zullen berouwen en die ons in een geestelijk klimaat brengen waarin het primaat van deze leer van de rechtvaardiging van de goddeloze in ademnood komt ten gunste van een atmosfeer waar de rechtvaardiging van de wedergeborene dan wel de verkorene alle kansen krijgt. Dan belanden wij, hoe dan ook, toch weer in een keuze-kerk, waar 'ik het met jou eens ben, omdat jij het met mij eens bent'. Ik druk me wat badinerend uit, maar meen het oprecht. En een keuze-kerk wordt ook altijd een kies-keurige kerk van keurige mensen, waar een goddeloze buitenbeender en buitenstaander niets te zoeken heeft. Wie leeft uit Gods genade, Zijn verbond en woorden, kan niet kieskeurig zijn. Hij moet altijd maar denken dat 'welzalig is die Ge hebt verkoren, die G' uit al 't aards gedruis doet naad'ren en Uw heilstem horen, ja, wonen in Uw Huis.
Waar het Woord is, daar is de kerk, daar is God, daar ben ik thuis. Samen met anderen die verloren waren maar werden gevonden. Samen met anderen aan wie God Zich kwijt kan en Zich gaf in Zijn onuitsprekelijke Gave. Daarom kunnen wij niet scheiden. Daarom vragen wij om kracht van God waarin wij blijven (ver)dragen.
A. BEENS, KATWIJK AAN ZEE
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 november 2002
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 november 2002
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's