Rijke zegen in gebrokenheid
DE VROEGE KERK OVER HUWELIJK EN ECHTSCHEIDING [3]
In dit laatste artikel onderzoeken we de vraag naar de toelaatbaarheid van een tweede huwelijk. De mogelijkheid van een tweede huwelijk kan zich voordoen als de echtgenoot is overleden of na een echtscheiding. In de Vroege Kerk was een tweede huwelijk na overlijden van de echtgenoot over het algemeen toegestaan. Toch werd dikwijls aangeraden om alleen te blijven, zeker als het oudere weduwen betrof. Dit omdat het weduwschap, evenals de ongehuwde staat, in de Vroege Kerk in hoge eer stond. Meer dan binnen het huwelijk kon men zich als weduwe of ongehuwde onverdeeld wijden aan Christus.
Tertullianus schreef een boek voor zijn vrouw met het oog op de periode dat hij haar door de dood ontvallen zou zijn. Daarin raadt hij haar dringend aan om na zijn heengaan niet te hertrouwen. Hij wijst erop dat God bij de schepping één man en één vrouw aan elkaar verbonden heeft en dat het daarom voor haar genoeg moet zijn om met één getrouwd te zijn geweest. Belangrijker reden is echter voor Tertullianus dat zijn vrouw na zijn heengaan zich helemaal aan God zal wijden en dicht bij Hem leven zal. Die rijkdom moet zij op aarde nastreven en daarom niet hertrouwen. We mogen hier geen jaloezie veronderstellen van een man jegens zijn vrouw wat be- ' treft haar toekomst. Het geschrift tintelt van de heilige zorg voor zijn vrouw, dat zij in rijke gemeenschap met Christus leven én sterven zal.
Ongetrouwde
Ontneemt Tertullianus, en andere kerkvaders met hem, hiermee het huwelijk zijn waarde? Die indruk zou je bij tijden kunnen krijgen. Toch moet die conclusie niet te snel worden getrokken. In andere geschriften heeft Tertullianus duidelijk laten blijken hoe hij het huwelijk hoog eert (zie het eerste artikel). Het eren van het ongehuwd/weduwe zijn is nooit vanwege het neerzien op het huwelijk, maar vanwege de grotere mogelijkheid die je als ongehuwde hebt om onverdeeld Christus te dienen. Alle dingen worden bezien vanuit hun betekenis voor de gemeenschap met Christus. Dat geeft een zekere rangorde. Waarbij de ongehuwde bovenaan werd gezien, vervolgens de weduwe, ten slotte de gehuwden. Een rangorde, opgebouwd naar hoe grootje mogelijkheden zijn om je ongedeeld aan Christus te wijden. En als getrouwde moet je je nu eenmaal ook aan elkaar wijden. Dat is geen zonde, integendeel: het is zelfs plicht. Maar het biedt minder ruimte om je aan Christus te wijden.
Daarmee is niet alles gezegd. Athanasius wijst er al op dat het gehuwd of ongehuwd zijn op zich niet beslissend is. Wanneer iemand die getrouwd is, Christus met toewijding dient in huis en gezin, dan is die verder dan een weduwe of ongetrouwde die naar de wereld leeft. Athanasius brengt dit naar voren om te laten zien hoe in alle levenssituaties de relatie met Christus centraal staat en beslissend is. Zo was het advies voor hen die door de dood hun man of vrouw moesten afstaan: het is aan te raden om ongehuwd te blijven, maar er is volledige toestemming en vrijheid een nieuw huwelijk aan te gaan. Augustinus verklaart dat dit ook een derde of vierde keer zou kunnen.
Na echtscheiding
Geheel anders was de situatie rond een tweede huwelijk na echtscheiding. Dan betreden we een terrein waarop de Vroege Kerk ons toch wel zeer 'streng' overkomt. Bij de kerkvaders is namelijk nauwelijks een aanwijzing te vinden dat zij in een tweede huwelijk na echtscheiding kunnen toestemmen, zolang tenminste de partner nog leeft. Zelfs niet voor de onschuldige partij. In het geschrift De herder uan Hermas komt de situatie naar voren dat een vrouw overspel heeft gepleegd en haar man haar heeft weggezonden. Dan moet de (onschuldige) man ongehuwd blijven, want, zo staat er, de vrouw kan tot berouw komen en dan moet de man haar weer terugnemen. Hier komt dus de afwijzing van een volgend huwelijk te staan in het kader van het mogelijke berouw van de schuldige partner, met de daaruit voortvloeiende vergeving en verzoening. Het geschrift laat verder open hoe lang daarop gewacht moet worden, en wat de consequenties zijn als de schuldige partner met een ander trouwt. Ook blijft de vraag onbeantwoord wat er moet gebeuren als de verhouding tussen de twee dusdanig ontwricht is dat er aan een goede relatie menselijkerwijs niet meer gedacht kan worden.
We kunnen de situatie in een bepaald opzicht vergelijken met die bij een moordenaar: na zijn bekering kan hij het niet meer goed maken, want de betreffende persoon is er niet meer. Zo kan er ook na een echtscheiding een situatie zijn dat na berouw toch de relatie niet hersteld kan worden. Hoe dan verder? Kan dan een nieuw huwelijk worden aangegaan? Het boek De herder uan Hennas lijkt het niet mogelijk te achten.
Heilig zegel
De hoofdlijn van de Vroege Kerk keert uitgewerkt terug bij Augustinus. Hij is ook de enige in de Vroege Kerk die zelfs een geschrift geheel aan dit onderwerp heeft gewijd (Ouer de echtbreuk uan de getrouwden). Augustinus heeft het dan vooral over twee christenen die in de kerk voor God aan elkaar zijn verbonden. Dit 'kerkelijk trouwen' is iets wat we al heel vroeg in de geschiedenis van de Kerk vinden. Als voorbeeld noemen we Ignatius van Antiochië, die zegt: 'Bruid en bruidegom behoren met toestemming van bisschop/opziener hun huwelijk aan te gaan. Zo is het huwelijk niet gebaseerd op begeerte maar op de wil van God'. Volgens Augustinus is een huwelijk dat zo binnen de Kerk voor Gods aangezicht is gesloten tot 'een zeker sacrament' geworden: zij is een zichtbaar en heilig zegel van de gemeenschap tussen Christus en Zijn gemeente (Efeze 5).'
Dat heeft grote gevolgen: een echtscheiding kan wel het samenleven van de getrouwden beëindigen, maar de voor Gods aangezicht gelegde eenheid is onverbreekbaar. De kerkvaders zien dan ook de situatie na een echtscheiding zo ongeveer als die na een 'scheiding van tafel en bed': de levensgemeenschap is wel verbroken, maar het verbond is gebleven. Mogen dan zij die niet voor Gods aangezicht getrouwd zijn wel scheiden? Nee, zegt Augustinus, want zij hebben ook een onbreekbare, zij het minder sterke, band: die van de schepping. Volgens Genesis 2 : 24 wordt ieder die trouwt door God samengevoegd tot één vlees. Duidelijk is hoe in de Vroege Kerk de band tussen man en vrouw als unieke, door God vastgelegde band werd gezien die ook niet door overspel of echtscheiding verbroken kan worden. Vanuit deze gedachte was een nieuw huwelijk verboden, ook voor de onschuldige partner, want de door God gelegde band blijft bestaan! Dit standpunt kon verregaande consequenties hebben. Als bijvoorbeeld een man op jonge leeftijd door overspel zijn vrouw had verlaten, zou zij, terwijl ze onschuldig was, haar gehele leven alleen moeten blijven. In de Vroege Kerk waren er dan ook enkele, zij het zeer weinige stemmen, die een hertrouwen van een onschuldige partner wel mogelijk achtten. Maar Augustinus kan daar niet in meegaan. Dat heeft niet te maken met een gebrek aan liefde of barmhartigheid bij de kerkvader. Zowel zijn leven als zijn prediking toont een man bij wie de liefde een grote plaats heeft. Nee, het heeft alles te maken met de gedachte van het huwelijk 'als een zeker sacrament'. Zo ziet Augustinus het huwelijk en een sacrament is levenslang onbreekbaar. Daarom kan hij niet anders dan zo spreken.
Deze visie verschilde overigens wel van de Romeinse burgerlijke wetgeving, zoals die onder christelijke keizers bestond. Burgerlijk was namelijk wel een tweede huwelijk na echtscheiding toegestaan. Een kerkelijk huwelijk werd dan niet verkregen, maar burgerlijk was men getrouwd. Augustinus vindt het moeilijk om de betrokkenen in zo'n situatie toegang tot het
Avondmaal te geven. Men moest, zolang dat huwelijk duurde, blijven in een situatie van berouw. De zaligheid was hun dus niet ontzegd. Wel de volle genieting van het heil in Christus. In de Reformatietijd is gesteld dat deze gedachte van het huwelijk als sacrament niet direct steun vindt in de Bijbel. Het huwelijk is wel van zeer hoge oorsprong: het is een scheppingsordening, afkomstig uit het paradijs. Maar het is geen sacrament. Dit maakte het voor de reformatoren duidelijk dat in ieder geval de onschuldige partij geheel vrij is om een nieuw huwelijk aan te gaan.
Evaluatie
Het is goed om aan het slot van de drie artikelen nog de visie van de Vroege Kerk op huwelijk, echtscheiding en een nieuw huwelijk te evalueren. Vooral uit de bespreking van een nieuw huwelijk bleek dat bepaalde dingen niet zomaar over te zetten zijn naar onze tijd. Tegelijk zijn er wel verschillende zaken die als ijkpunten naar ons toe komen en voor ons van belang zijn voor een verdere doordenking. Twee zaken zou ik nader willen aanduiden, i. De kerkvaders lieten hun huwelijksvisie niet bepalen door de omringende maatschappij. Ze droegen op grond van het onderricht van Christus de eer, trouw en glans van het huwelijk uit als de zegenrijke weg van God voor de mens. De heidenen om hen heen hadden een geheel andere visie. Ook de joden verschilden van hen. Maar er werd niet een soort compromis gezocht met joden en heidenen. Nee, de christenheid hechtte zich met overgave aan het onderricht van Christus en trachtte dat uit te werken in een duidelijke visie op huwelijk en echtscheiding. Ook al was die visie in de ogen van de heidenen 'streng', maar Christus ging voor hen de omringende maatschappij ver te boven.
Wat ligt hierin een voorbeeld naar de kerk in onze tijd toe: om deze moedige, gelovige houding te herwinnen. Om tegenover alle ontwikkelingen in de maatschappij een eigen, in Christus verkregen visie te ontwikkelen en uit te dragen. Het zal duidelijk zijn dat de visie van de SoW-kerken op de zegening van relaties van mensen van hetzelfde geslacht als een wel zeer grote afwijking van deze lijn moet worden gezien, omdat daarin een meelopen met de hedendaagse maatschappelijke ontwikkelingen baanbreekt, in strijd met de Bijbel.
2. Het tweede dat we kunnen leren van de Vroege Kerk, draait om het punt van het berouw. Beter gezegd: het geven van een zichtbare en duidelijke plaats aan het berouw in het kerkelijk leven. Bij ons dreigt in situaties van overspel en echtscheiding aan de ene kant het gevaar dat iemand door de kerkelijke gemeenschap wordt losgelaten en afgewezen, of aan de andere kant dat er pastoraal vrij snel over de zonde heen gestapt wordt. Juist door het berouw zichtbaar te maken (dat kan op allerlei wijze) wordt aan de ene kant duidelijk dat de zonde iets ergs is, en aan de andere kant dat er voor een zondaar bij God genade is te vinden. De Vroege Kerk gaf dat berouw een zichtbare plek door afzonderlijke zonden te verbinden met eigen tijdsperioden en tekenen van berouw (zoals we in het tweede artikel hebben geschetst).
Kennen we zoiets ook in de traditie van onze Hervormde Kerk? Te denken is aan de situatie rond gedwongen huwelijken. In verschillende gemeenten werd vroeger een openbare schuldbelijdenis gevraagd om tot een kerkelijke inzegening te mogen komen. En rond echtscheiding: na echtscheiding is lang niet altijd een kerkelijk inzegening van het nieuwe huwelijk mogelijk. Zeker wordt het nieuwe huwelijk wel erkend. Ook is een nieuw huwelijk meestal geen reden om de gang naar het Avondmaal te sluiten. En toch wordt geen kerkelijk huwelijk gegeven. Als een uiterlijk teken dat hetgeen in het verleden is gebeurd, een zonde was. De Vroege Kerk leert ons dan wel om dergelijke zaken te binden aan het berouw en de nederigheid voor God. Daar gaat het om! Te denken valt aan de volgende situatie: een christen heeft overspel gepleegd en is korte tijd daarna weer getrouwd. Wat later wordt een verzoek ingediend om aan het Avondmaal te mogen. Hoe gaat een kerkenraad daarmee om? Is er geen toegang meer tot het Avondmaal mogelijk? Of moet een aantal jaren gesteld worden waarin het berouw zijn plaats krijgt: blijkend uit trouwe kerkgang, levenswandel, en wellicht andere dingen? Of hangt het meer 'bevindelijk' af van predikant of ouderling: dat zij het gevoel hebben dat de betreffende personen er spijt van hebben? De Vroege Kerk geeft ons mee dat zowel 'laten vallen van de betreffende persoon' als 'pastoraal toedekken van de zonde' beide verkeerd zijn: de zonde blijft zonde en Gods genade blijft groot. Daartussen staan het berouw en de nederigheid voor God. Het berouw moet in het kerkelijk leven een belangrijke(r) zichtbare plaats hebben. Niet in de zin van verdienstelijkheid, maar wel omdat God de nederigen genade geeft. De praktijk leert toch dat er rijke zegen kan komen over hen die vanuit een gebroken situatie met een nederige gezindheid tegenover God en de naaste in het leven kwamen te staan. En zo ook hun tweede huwelijk aangingen. Het is duidelijk dat hier nog veel over te denken valt, maar tot zover geeft de Vroege Kerk enkele belangrijke aanzetten.
P. F. BOUTER, PUTTEN
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 november 2002
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 november 2002
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's