De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Van zo hoog naar zo laag

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Van zo hoog naar zo laag

5 minuten leestijd

'Want er zal een Rijsje voortkomen uit den afgehouwen tronk uan Isaï, en een Scheut uit zijn wortelen zal Vrucht voortbrengen.' [Jesaja 11 : 1]

Het is een bekend beeld waarmee Jesaja de komst van de beloofde Zaligmaker tekent. Het beeld van het rijsje, de scheut of de spruit (die alle hetzelfde bedoelen) komen we niet alleen bij Jesaja tegen, maar ook in de profetieën van Jeremia en Zacharia. Toch vinden we dit beeld het meest bij Jesaja, die het met zekere voorkeur gebruikt. Echter niet alleen uit voorkeursoverwegingen reikt Jesaja dit beeld ons in de genoemde tekst aan. Dat hij de komst van de beloofde Zaligmaker tekent als een rijsje uit de tronk van Isaï en als een scheut uit zijn wortels, staat in onmiddellijk verband met wat aan deze profetie vooraf gaat. Aan het slot van Jesaja 10 is het oordeel aangezegd over Assyrië. Koning Achaz had deze wereldmacht erbij geroepen toen de verbonden legers van Damaskus en Samaria van plan waren Juda onder de voet te lopen. In Jesaja 7 leest u dat én ook hoe Jesaja Achaz gewaarschuwd heeft voor een verbond met Assur. Maar Achaz luistert niet, weigert arrogant en quasi vroom het teken van Gods hulp, dat hij tóch krijgt: het Immanuëlsteken.

Intussen vraagt Assur voor de eenmalige vriendendienst elk jaar hoge schatting. Als Hizkia zijn vader opvolgt, werpt hij het juk van Assur af. Maar dat neemt Assur niet en trekt daarom met een groot leger naar Juda. In die omstandigheden brengt Jesaja aan Hizkia de troostrijke boodschap dat de hoge bomen van de Libanon zullen vallen (10 : 34). Een hoge boom, hier beeld van het overmoedige Assur, is in de Bijbel vaker tekening van menselijke trots en hoogmoed, die voor de val kwam en komt. Wat hoog is voor God, moet vallen. Zie tegen deze achtergrond het beeld dat Jesaja tekent van de beloofde Zaligmaker. De Heere der heerlijkheid komt niet als een hoge boom, maar als een nietig rijsje, een onbetekenende scheut. Waarom? Omdat Hij als Borg komt in de plaats van Zijn volk. Daaruit volgt dat Hij, Koning van alle koningen, zo laag neerdaalt. Wij zijn immers zo diep gevallen. Al onze heerlijkheid is veranderd in schande. Van koningskinderen zijn we duivelskinderen geworden (Johannes 8 : 44). Van koningen onder God, slaven van satan. In plaats van het beeld van onze goede God in deze wereld te weerspiegelen, lichten in ons doen en laten satans begeerten op. Door onze opzettelijke breuk met God, hebben we ons van alle heerlijkheid beroofd. Wij zijn mensen zonder heerlijkheid. In onze goede dagen lijken we heel wat en geven we mogelijk hoog op van onszelf. Maar als God ons maakt tot wat we zijn, een handvol stof, is er aan ons geen heerlijkheid meer. Wie voor God op zijn plaats kwam, kan dat slechts onderschrijven.

Op die plaats, ónze plaats, wilde Christus komen. Zijn Middelaarsheerlijkheid is dat Hij al Zijn heerlijkheid aflegde en achterliet om werkelijk Zijn broeders in alles gelijk te worden, om hen te zoeken waar ze zijn: zonder heerlijkheid voor God en daarom verwerpelijk. Wat een heerlijke Middelaar die vanaf Zijn prilste begin in onze plaats wil staan en onze schande en smaad wil dragen. Wat komt Hij dicht bij u/jou, die ontdekt dat u/jij zo heel anders bent dan je voor God moet zijn; die ontdekt en erkent dat er voor God aan u/jou geen eer is te behalen. In die smaad en schande ontmoet u uw Borg en Middelaar die zulke (jonge) mensen wil bekleden met Zijn heerlijkheid.

Het beeld dat ons in deze adventsprofetie getekend wordt, drukt de lage afkomst van Christus uit. Het is veelzeggend dat Jesaja niet terugrekent tot David (het gaat over Davids huis!), maar tot Isaï. Dat herinnert dan de onbekende boer uit het even onbekende Bethlehem, dat onder de duizenden van Juda niet meetelt. Dat herinnert er ook aan dat David niet meedeed toen Samuël kwam om een van Isaï's zonen te zalven tot koning over Israël. Verder kun je niet terug. In de dagen van Hizkia was de (stam)boom van Davids huis al danig uitgedund door de afscheiding van het noordrijk. Maar Jesaja tekent ons een zeer ontluisterend beeld van Davids huis. Hij gaat terug tot achter David. Er is van die eens zo trotse boom niets over dan een zwarte stomp, die in de loop van de tijd is vergaan, vermolmd. Zo is de situatie als de tijd van de vervulling van deze profetie is gekomen. Wat rest van Davids koningshuis is niet dan een vermolde stomp. Na de ballingschap zitten er geen telgen uit Davids huis meer op de troon. Een Romeinse vazalvorst heerst in Jeruzalem en het eens zo roemrijke koningshuis van David is uitgemond bij een arme dorpstimmerman en zijn even arme ondertrouwde vrouw. In die situatie vervult God de belofte. Waarom? Om ons te leren dat we een God hebben die uit de doden verwekt. De boodschap die vanuit deze profetie aan ons wordt geadresseerd, is dat Jezus nog zo onnoemelijk ver weg is van ieder die met zichzelf hoog in de boom van zijn eigengerechtigheid, hoogmoed en trots zit. Maar Hij is zo heel dicht gekomen bij allen die ontdekken dat ze al hun heerlijkheid kwijt zijn en weten dat ze voor God het aankijken niet waard zijn. Hoe krijgen zij hun heerlijkheid terug zodat ze voor God kunnen bestaan? Onmogelijk van henzelf uit. Hun leven is als een vergane, vermolmde stomp, zoals het koningshuis van David als de tijd van de vervulling er is. Maar dit mag hen troosten en bemoedigen dat God doden verwerkt, het leven doet uitspruiten uit de dood. Hij roept de dingen die niet zijn alsof ze waren. Zo was het in de schepping. In de herschepping gaat God een beslissende stap verder en roept Hij het leven uit de dood; Geen ding is immers onmogelijk bij God.

P. VAN DER KRAAN, BLESKENSGRAAF

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 december 2002

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Van zo hoog naar zo laag

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 december 2002

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's