De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de pers

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de pers

9 minuten leestijd

Men moet er altijd naar iets streven

Dat is een regel uit een gedicht van J. Slauerhoff waarboven staat: In Nederland: In Nederland wil ik niet leven / Men moet er altijd naar iets streven etc. Slauerhoff vond het hier benepen, stijf en schijnheilig. In Nederland wil ik niet blijven, / Ik zou dichtgroeien en verstijven. / Het gaat mij daar te kalm, te deftig, / Men spreekt er langzaam, wordt nooit heftig.

Uiteraard is dat een strikt persoonlijke visie op Nederland en op de Nederlanders. In tijden van een crisis komt de vraag op naar de identiteit van de natie. In Vrij Nederland van 23 november 2002 is een VN-special opgenomen onder de titel: 'Het verleden leeft! De herontdekking van de Nederlandse identiteit'. Wie of wat zijn we eigenlijk als Nederland? Wat is nu typerend voor ons land, voor de mentaliteit van de Nederlander? Aan het openingsgesprek doen drie bekende hoogleraren geschiedenis mee: prof. dr. A. Th. van Deursen, bij de lezers van ons blad welbekend. Verder mevr. Marijke Spies, Vondel- en zeventiende-eeuwkenner en ten slotte prof. dr. Piet de Rooy. Hij schreef onlangs een studie waarin hij onderzoek deed naar de Nederlandse natie in de negentiende en de twintigste eeuw. Hij is hoogleraar nieuwste geschiedenis in Amsterdam. Prof. De Rooy verwijst naar het voorlaatste grote maatschappelijke debat in de jaren dertig van de vorige eeuw. Historicus Huizinga schreef zijn bekende boek 'In de schaduwen van morgen' over de dreigende ondergang van het avondland, inclusief onze toen als zeer Hollands ervaren beschaving. Huizinga karakteriseerde de Nederlandse volksaard als burgerlijk. Voor hem betekent 'burgerlijk' vooral: nietheroïsch. Historici weten hoe glibberig het terrein is als de vraag naar de Nederlandse identiteit op tafel komt. Toch worden er in het gesprek dat Jos Palm met de drie genoemden heeft zinnige en opmerkelijke dingen gezegd. Ik licht er enkele fragmenten voor u uit.

Hoe wilden eind 16e, begin 17e eeuw de Nederlanders hun land ingericht zien?

'Voor dat probleem kwam het handjevol steden en dorpen dat Nederland zou worden voor het eerst te staan in de jaren van de Opstand tussen 1568 en 1648. Toen eenmaal de koning van Spanje was afgezworen, was van een centraal gezag geen sprake meer. Met nieuwe bazen wilde het evenmin lukken. "Afkeer van hiërarchie mag je gerust een Nederlands kenmerk noemen, " aldus Marijke Spies. In deze grootste crisis uit 'onze' geschiedenis ontstond spontaan een soort blauwdruk voor Nederland. Wat Nederland was, moest proefondervindelijk uitgeprobeerd worden Het werd een soort omgangsregeling voor allerlei gezindten, met calvinisten als de christenen die meer gelijk waren dan de andere christenen. Spies vat die uitkomst samen als "omgangsoecumene". Vindt de gereformeerde historicus Van Deursen dat een gelukkige term? "Eerlijk gezegd niet. Ik zou het begrip oecumene vermijden, het suggereert begrip voor eikaars geloof. Dat was er in heel beperkte mate. Men was allereerst katholiek, calvinist o/doopsgezind. De notie van het gezamenlijk christen zijn, kwam op de tweede plaats. In de ogen van de meeste Nederlanders van nu, dat kan niet anders, zijn christenen van toen een soort fundamentalisten." Spies: "Het grote verschil met tegenwoordige fundamentalisten is dat ze niet de neiging hadden anderen te bekeren, althans niet meer na 1548."

De Rooy: "Thuis en in de kerk fundamentalist, op straat tolerant. Dat is de regel, en dat moest ook. Want in dat eigenaardige, kleine landje had niemand de meerderheid. Het was een rationele gedoogsamenleving. Met positieve tolerantie, met lief en aardig zijn, had het niets te maken. Je had de ander maar te slikken." Spies vult aan: "Als de heren dominees dat even vergaten, hielp de burgerlijke overheid ze een handje. Toen Vondels Gijsbrecht zou worden opgevoerd bij de opening van de schouwburg in Amsterdam, kon dat volgens de calvinisten natuurlijk niet; een mis op het toneel, stel je voor. Maar de burgervaders zetten door, tegen het gezeur van de dominees in." De veelgeroemde Nederlandse tolerantie was een motje? "Kenmerkend voor Nederland, " verklaart De Rooy "is dat de tolerantie afgedwongen moet worden. Dat is de rode draad in onze geschiedenis."

Spies: "Zullen we die andere mythe dan ook maar bij het vuilnis zetten, dat Nederland een calvinistische natie was, want dat was het niet." Van Deursen, aangestaard door zijn gesprekspartners, zegt: "Ik kan en ga die bewering niet tegenspreken. Ook al waren de vloot-, de leger- en gevangenispredikanten calvinisten, ook al waren de Oranjes calvi- nisten, Nederland was geen calvinistische eenheidsstaat. Het was een protestants-christelijke cultuur met gedoogde katholieken." Spies: "De volgorde is: burgerlijk, calvinistisch, rest-protestants, en katholiek." De Rooy: "Nog een: buitenlanders, of ze nou uit Parijs, Londen o/Timboektoe kwamen, vonden Nederlanders brutaal." Van Deursen: "Vooral de vrouwen en kinderen, daar stoorden ze zich vreselijk aan." Spies: In Nederland was het vrijer, minder geest-ajknijpend dan in de rest van Europa."'

Hier wordt dus een aantal kenmerken genoemd als antwoord op de vraag: wie of wat zijn we als Nederland? Tolerant? Niet echt en niet van harte. Calvinistisch, zoals zo vaak wordt gezegd als het over typisch Hollandse eigenaardigheden gaat? Vergeet het maar: breed protestants-christelijk is juister. Wel een land waar een zekere ruimte en vrijheid van denken en geloven werd gegeven aan wie dat wenste. Maar de tijd en de ontwikkelingen stonden niet stil. Er moest opnieuw gezocht worden naar identiteit.

'Maar ook dat Nederland, naar zeventiendeeeuwse maatstaven "af, moest opnieuw vorm krijgen. Temeer omdat het stiefkinderen had gemaakt: joden, katholieken en orthodoxe protestanten. Eind achttiende eeuw, in de Bataajs-Franse tijd, kregen ze jörmeel gelijke rechten op uitoefening van godsdienst. VanaJhet midden van de negentiende eeuw eisten ze dat recht op. Toen bleek ineens dat Nederland niet alleen burgerlijk was, maar ook aangeraakt door Calvijn en dus niet klaar voor een herintreden van afwijkende "minderheden". Opnieuw begon het getrek, geduw en gesteggel over wat Nederland was. Het ideaal van de gematigdheid, dat inmiddels tot het standaardrepertoire behoorde van de spraakbepalende klasse, kwam daarbij tijdelijk in het geding. De Rooy: "De Nederlandse elite leefde in de veronderstelling dat zij de best mogelijke mensen ter wereld voortbracht. Ze plukten, dachten ze, kalm en bezadigd het beste uit de ons omringende landen, en ontdeden dat van het gif van de drift van extreem nationalisme of wat voor politiek of religieus isme dan ook. De rest van Europa kon daar een voorbeeld aan nemen. En toen kwamen de katholieken het theekransje bederven. Ze wilden ook een volwaardige plaats in de eenheidsstaat die zich aan het vormen was." Van Deursen: "In de zeventiende eeuw was een katholiek tevreden als er een schuur stond waarin hij zijn mis kon opdragen. Nu wilde hij een kerk." Spies: "En een kerktoren." De Rooy: "En klokken die luiden; een kerkhof; monniken die in pij over straat mochten gaan; bedevaarten, niet alleen oude middeleeuwse, maar ook nieuwe. En katholieke postkantoordirecteuren in Limburg en Brabant in plaats van de gebruikelijke protestantse zetbazen."

Spies: "En niet één, maar minstens twee excuus-katholieken in het kabinet." Van Deursen: "Dan had je ook nog de orthodoxe calvinisten. Hun bestaan werd door de tolerante protestantse meerderheid als een blamage ervaren. Eerst had je de afgescheidenen, door de politie vervolgd en door de overheid gediskwalificeerd als te onbeschaafd om zich een eigen oordeel te veroorloven. Daarna kreeg je de gereformeerden van Abraham Kuyper die een eigen universiteit en partij oprichtten."

De Rooy: "Achter al die openbaar gepredikte tolerantie en gemoedelijkheid ging een enorme strijd schuil. De katholieken, de antirevolutionairen (de politieke stem van de orthodoxe protestanten-JP) en de socialisten wilden nadrukkelijk een stempel zetten op Nederland. Er is ook letterlijk gevochten om wat Nederland was. Het liedje "Zij zullen het niet krijgen, ons mooie vaderland" ontstond toen niet toevallig. Kortom, het ideaal van gematigdheid kwam onder druk te staan, nieuwe groepen moesten zich ernaar voegen, en het zich eigen maken. Dat is de slingerbeweging van de Nederlandse geschiedenis." '

In het gesprek wordt dan van de 19e eeuw overgestapt naar het heden. De katholieken, door Groen van Prinsterer nog 'bijwoners' genoemd, zijn opgevolgd door de moslims. Kan Nederand wel omgaan met niet-plooibare minderheden? Van Deursen ziet het zo: zij (de moslims) worden ervaren ls het brandende probleem waar een oplossing voor moet komen. De poliiek - zie het verschijnsel Eortuyn - eet er geen raad mee, aldus prof. Van eursen. Onze samenleving lijkt in sommige opzichten stuurloos geworden. Zelfbeheersing en tolerantie lijken te gaan ontbreken bij een aantal groepen onder onze bevolking.

'De Rooy: "Ben je gek. Het debat over moraliteit, over goed en kwaad kan niet van bovenaf worden opgelegd. Het vindt plaats in De Balie en in De Rode Hoed, niet in Den Haag." Spies: "En niette vergeten op de televisie. Bij Barend & Van Dorp."

"Wat leuk is, wat kan en niet kan, wordt daar aan tafel beslist, " bevestigt Piet de Rooi/. "Neem het gedoe ouer Paul de Leeuw. Zijn Anneke Grönloh- en zijn Clausmobielcreatie, moet kunnen, wordt daar besloten. Wie het anders ziet, loopt het gevaar voor achterlijk te worden versleten." Spies: "Ik vind helemaal niet dat alles van Paul de Leeuw moet kunnen." "En ik heb het niet gezien, " zegt Van Deursen, "want als dat gezicht op de buis verschijnt, schakel ik het toestel uit."

De Rooy: "Het gaat er niet om wat wij er van vinden. Veel interessanter is dat vroeger zo'n discussie zou hebben plaatsgevonden in het parlement. Zoals bij de ezelsvergelijking van Van het Reve en bij het beledigen van de katholieken door Hermans in de jaren zestig. Het debat heeft zich verplaatst naar de mediocratie, naar de televisie." Van Deursen: "En daar ivordt het ook beslist? "

De Rooy: "Jazeker. En politici zullen van goeden huize moeten komen om dat te doorbreken, en weer aan zet te komen." Is er nog hoop voor een Nederland dat aan de stam tafel van een televisieprogramma zijn moraal en identiteit bepaalt?

Van Deursen: "Ik vrees het ergste: het burgerlijke en het christelijke zeggen niets meer. Op televisie niet en nergens niet." De Rooy: "De vraag naar een groot ideaal is problematisch geworden. Maar daarom is alle cohesie nog niet verdwenen en moeten we niet cultuurpessimistisch somberen. Nederland wordt opnieuw gecreëerd, juist op plaatsen waar je het niet verwacht." Spies: "We hebben toch wel meer dan burgerlijk en christelijk? " Van Deursen: "Op het gebied van identiteit en moraal is er niet zo gek veel meer. In een aantal opzichten zijn we weer terug bij de Germanen."'

In hetzelfde nummer van Vrij Nederland heeft Carel Peeters het over de 'heinsbroekgeest' die onder ons volk rondgaat. De vrije jongen die met humorloze verbetenheid altijd vooraan wil staan, zich van niets of niemand iets aantrekt, altijd voor zijn eigen belang in de weer is en onder het mom van 'zeggen waar het op staat' taal uitslaat waar de normen en waarden stil van worden. Peeters schrijft het en ik kan me er wel in vinden, misschien u ook wel: 'Wee het land dat nog meer door de heinsbroekgeest wordt aangestoken'.

J. MAASLAND

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 december 2002

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Uit de pers

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 december 2002

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's