Zending leeft onder jongeren
HET MISSIONAIRE HART VAN DS. J. VAN OOSTENDE
Buiten de zendingscommissies bestaat in de gemeenten veelal nog een verkeerd beeld uan u; at zending tegenwoordig is. 'Men denkt haast per definitie dat zending bestaat uit het brengen uan het Euangelie waar het nog niet is. Dat het uandaag de kerken ouerzee zijn die euangeliseren en dat wij hen helpen, is moeilijk ouer te dragen.' Zendingsman ds. J. uan Oostendegeeftzijn uisie op het formuleren en uitvoeren van missionair beleid in de 21e eeuw.
De zending kwam het leven van de jonge Jacob van Oostende binnen, toen er op school in Tange-Alteveer dia's vertoond werden over het werk van Ludwig Nommensen, zendeling onder de Bataks op Sumatra. Van Oostende senior was daar van 1944 tot 1947 voorganger van de evangelisatie. Deze post in Tange-Alteveer was een zogenaamde afstandsevangelisatie van de hervormde gemeente te Onstwedde. Daarvoor was hij als IZB-evangelist werkzaam geweest in Leek/Tolbert. 'De zegen die Ludwig Nommensen op zijn werk ontving, maakte diepe indruk op mij.'
'Na ons huwelijk zijn wij in Oostburg terechtgekomen, waar ik als leraar op een christelijke mulo werkte. West Zeeuwsch-Vlaanden is een behoorlijk liberaal gebied. Hét kost dan best moeite om op je post te blijven. Veel later, toen ik leraar werd op de mavo in Putten, werd ik verkozen tot ouderling voor het evangelisatiewerk. Voor mij persoonlijk betekende dat een herleving van een oude, destijds door mij niet gevolgde roeping tot het predikantschap. In het evangelisatiewerk gingen mijn ogen helemaal open voor zending, in Nederland en daarbuiten.
In Meerkerk, onze eerste gemeente, hebben we serieus overwogen of we in zendingsdienst moesten uitgaan. Dit kwam aan de orde tijdens een bezoek dat ds. C. J. P. Lam ons namens de GZB kwam brengen als predikant in een eerste gemeente: Het bracht ons tot de conclusie dat wij met onze vijf jonge kinderen niet uit konden gaan, maar waarschijnlijk speelde dit contact mee in mijn plaats op een dubbeltal voor het bestuur, waarna de leden mij in 1978 kozen. Sindsdien is mijn werk in Gods Koninkrijk hier altijd verbonden gebleven met het werk in Gods wereldwijde Koninkrijk.'
Wanneer is iemand die hart uoor de zending heeft, geschikt om uitgezonden te worden of voor bestuurlijk en uituoerend werk?
'Het gaat om een combinatie van eigenschappen. Geschiktheid voor zendingswerk moet je zoeken in een openheid voor nieuwe situaties. Iemand die heel gehecht is aan het vertrouwde en bekende, kan moeilijk uitgezonden worden. Je moet, afgezien van roepingsbesef, flexibel zijn en doorzettingsvermogen hebben.
Als bestuurder moetje in hoofdlijnen kunnen denken, kunnen abstraheren en discussiëren. Dat is niet ieder gegeven. Bestuurders die goed meedoen, maar zich in de details verliezen, doen het niet goed. De staf moet in de uitvoering van het werk uitgaan van wat het bestuur vaststelt. Het is dan belangrijk dat er wederzijds een vertrouwensrelatie is. Als je in de praktijk tegen dingen aanloopt, is het soms lastig dat iets eerst via het bestuur moet lopen, maar tegelijk is een bestuurlijk tegenover heel nodig. Je kunt als werker vanwege een zekere beroepsblindheid dingen over het hoofd zien die een bestuurder met inzicht wel ziet.
Als bestuurder moetje de bekwaamheid hebben op grote lijnen te besturen. Vroeger dacht een bestuurder mee met de uitvoerder, maar dat kan niet meer. Van bestuurders kun je de know how van de uitvoerders gewoonweg niet verlangen. Het lidmaatschap van het GZB-bestuur vergt veel, mede omdat de leden deelnemen in bezoeken overzee.'
Assisteren
'Het blijkt heel moeizaam te zijn om datgene wat zending vandaag is, goed onder de aandacht van de gemeenten te krijgen. Men denkt haast per definitie dat zending het brengen van het Evangelie is. Dat het vandaag de ker-ken ginds zijn die evangeliseren en dat wij hen assisteren, is moeilijk over te dragen. Leden van zendingscommissies weten dit wel, maar mensen die slechts zondags de voorbede horen, die geen Alle uolken lezen of kerkelijke bladen, weten dit niet. Dan dringt niet goed door dat Christus' kerk wereldwijd te vinden is.
Waar bijvoorbeeld een land na de val van de Sowjet-Unie opengaat, staan er binnen de kortste keren vele zendelingen klaar om binnen te komen. Men vergeet wel eens dat er ten tijde van de voormalige bezetters ook kerken waren, lutherse of orthodoxe kerken. Grote concentraties van mensen die nog nooit met het Evangelie in aanraking kwamen, zijn lastig te vinden.
Misschien vooral in moslimlanden. Het speelt ons in de werving van gelden parten dat rampen - vanuit een terechte diaconale bewogenheid - mensen wel in beweging brengen. De spirituele nood dat mensen Christus niet kennen, scoort bij velen niet bij voorbaat, maar pas als men concreet iemand uit de gemeente voor ogen heeft en men zich met hem of haar kan identificeren.
Onze ervaring is dat zending wel heel erg leeft onder jongeren, al horen ook wij de algemene berichten over neergaande tendensen in de kerken. Hoe bestaat het dan, zeggen wij, dat zoveel jongeren geraakt worden door de stem van God om zich te geven? Misschien wel omdat een welvaartstijd voor hen heel benauwend is en zij daardoor oog krijgen voor de naaste in nood.'
Vacatures
In alle disciplines heeft de GZB voldoende werkers, met uitzondering van theologen. 'Het is volstrekt onbegrijpelijk dat we van theologen haast geen reactie krijgen op advertenties. Misschien zijn ze zo gewend aan het systeem van het beroepingswerk dat een andere wijze van roepen door God daar niet in past. Als er een oproep voor een docent aan een theologische faculteit in de bladen staat, komt die bij de predikant niet binnen als de oproep van de Macedonische man om over te komen en te helpen. Men reageert niet. Als wij een dominee als zendingspredikant zouden beroepen, wil hij het wel serieus overwegen, maar als er een paar bedanken, kan een vacature zomaar een jaar of langer duren.
Ik begrijp ook niet dat zo weinig kandidaten zich voor de zending melden. Wanneer iemand wat langer op een beroep moet wachten, kun je dat als een negatieve motivatie voor de zending gaan ervaren, maar God kan ook de ene weg openen als Hij de andere sluit.'
Hoe wil de GZB in wisselende situaties zijn gereformeerde karakter steeds gestalte geven? 'Wij weten ons het zendingsorgaan van een bepaald segment van de kerk. Binnen die eenheid met de gemeenten wil je je zendingsarbeiders zoeken.
Daarbij hebben we een relatiepatroon opgebouwd met kerken, waarmee we ons op diezelfde lijn bevinden. In Gods wijde wereld is de Westminster Confessie dan vaak een belangrijk ijkpunt. De GZB werkt samen met bijbelgetrouwe kerken, waarbij niet alle daaraan dezelfde invulling geven. We werken ook met instituten die breed zijn, als men na een intensieve kennismaking vraagt of de GZB zijn inbreng wil hebben. Die openheid voor het gereformeerde behoort echter wel tot de uitzonderingen. Meestentijds werken we met kerken samen die eenzelfde
verstaan van de Bijbel hebben.
Waar we geroepen worden en we vanuit onze principes mee kunnen doen, willen we daarop zeker ingaan, met name als we een groot bereik hebben. We komen om die reden zelfs liever in een interkerkelijk dan in een kerkelijk gebonden instituut.'
Beleidsplan
Het nu geldende beleidsplan 1998-2002 maakt geen koppeling tussen zending in binnen- en buitenland, terwijl er in het verleden wel meer met de IZB samen werd gedaan. Waarom?
'Onze visie is dat zending en evangelisatie principieel bijeen horen, al heb je verschillende werkvelden. Ik ben er een voorstander van dat beide organisaties een eenheid zouden zijn met twee poten. Maar in het verleden zijn er twee organisaties gevormd en het historische ongedaan maken, is veelal een grote operatie. Er is wel openheid naar elkaar.
De samenwerking is inniger geweest dan ze nu is, maar dat heeft meer met organisatorische dan met principiële zaken te maken. Als je niet kiest voor het in één gebouw zitten, werkt het niet. En omdat daarvoor niet gekozen is, heeft de samenwerking niet gebracht wat we dachten. Ds. C. Snoei en ds. D. Ph. C. Looijen zijn bij beide bonden in dienst geweest, maar toen ds. Looijen naar de gemeente Oostwold ging, werd de missionaire toerusting van de gemeenten weer door ieder afzonderlijk ter hand genomen. Ik vind het een gebrek in de samenstelling van zendings- en evangelisa- • tiecommissies dat er een verschillend type gemeentelid in deelneemt. Ieder behoort een missionair hart te hebben, ieder moet eropuit om mensen voor Jezus te winnen, om mensen tot gebed en bijdragen op te roepen.'
Wat zijn speerpunten in het nieuwe beleidsplan? 'We nemen de kritiek op het vorige beleidsplan mee. Toen is de vraag gesteld wat de visie van de GZB op de theologie van de godsdiensten is, hoe wij beleid ontwikkelen inzake de islam en wat onze visie op Israël is.
Daarnaast wordt geformuleerd hoe we de komende jaren verder willen: in samenwerking met onze relaties hen ondersteunen of toch meer op zoek gaan naar die witte gebieden, waar het Evangelie nooit geweest is, echt een lastige keuze. De GZB heeft sinds zeven jaar ook te maken met buitengewone zendingsarbeiders; mensen die we samen met andere organisaties uitzenden. Die vallen onder de verantwoordelijkheid van een andere organisatie, maar wij verzorgen het contact met de thuisgemeente, omdat het 'GZB-gemeenten' zijn. Als wij dat niet doen, vragen ze toch om een uitzending, maar kerkenraden weten er niet goed raad mee. Toch moeten we dit sterk bewaken, wil het geen molensteen om onze hals worden, want er is een enorme toestroom van jongeren die zich melden. We willen hiervoor blijvend tien procent van het budget investeren.'
Migrantenkerken
Ds. W. van Laar, secretaris van de Nederlandse Zendingsraad, zei recent in het rapport 'Go, teil it to the mountains' dat echt zendingswerk vanuit Nederland nauwelijks meer gebeurt.
'Kijkje naar de breedte van de kerk, dan is zending grotendeels geworden tot het onderhouden van oecumenische relaties. De roep om bezinning van ds. Van Laar is dus terecht. Voor ons is de vraag hoe lang je moet doorgaan met het ondersteunen van oude partners zoals de Toradjakerk, of dat je steeds op zoek moet gaan naar nieuwe partners. Elke kerk moet toch een keer zelfstandig worden. Je kunt niet blijven investeren in mensen en middelen.
We moeten open blijven staan voor het leren van broeders en zusters van elders, want onze westerse hoogmoed is onterecht. Dat inzicht is bij de GZB allang gemeengoed, maar nog niet zo op het grondvlak. Daarom werkt het niet goed als mensen van elders naar Huizen of Wapenveld komen. Ondertussen hebben we in ons eigen land wel migrantenkerken, met vaak een bijbelgetrouw karakter, waaraan we zomaar voorbijleven. Weten we in onze neergaande westerse cultuur wat voor geloofsgoed we binnen onze grenzen gekregen hebben? Ook daarvoor wil de GZB aandacht vragen.'
In enkele weken tijd vertrekken drie stafleden bij de GZB: secretaris Indonesië T. Eikelboom, secretaris Europa en Midden-Oosten ds. N. M. Tramper en de alge meen secretaris. Zijn er opvolgers?
'Dat is een groot probleem. We worden niet gezegend met een overvloed aan sollicitaties. Ik word opgevolgd door iemand uit de eigen organisatie, zodat er een andere vacature ontstaat. We hopen dat dit een punt van gebed in de gemeenten is.
Ik ben er heel dankbaar voor dat het werk zo breed door de gemeenten gedragen wordt. De afgelopen jaren is het vertrouwen in de wijze waarop de GZB het zendingswerk uitvoert, alleen maar gegroeid. Dat geeft mij vreugde. Ik hoop en bid dat deze brede steun in deze moeilijke tijd voor de kerk mag blijven. De Koning van de kerk roept ons de zaak van Zijn Koninkrijk in deze wereld samen uit te dragen.'
P. J. VERGUNST
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 december 2002
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 december 2002
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's