Niets hebbende, en nochtans alles bezittende
2 Korinthe 6 : 1
2 Korinthe 6 : 1
1. 'k Ben met rijkdom overladen, Wereldling, ik heb een schat, 'k Mag mij in de weelde baden Die geen wereldling bevat. Ik ben vol van goed en ere, Ik bezit een hoge staat. En ik draag de beste kleren, Zijd' en kostelijk gewaad, Zijd' en kostelijk gewaad.
2. Maar gij zult mij niet bevatten, Wereldling, en dus aan mij Vragen waar of deze schatten En die hoge staten zijn. Ja, verwonderd zult gij vragen, Wel wat is 't toch dat gij praat? Wie is 't die u ooit zag dragen, Zijd' of kostelijk gewaad, Zijd' of kostelijk gewaad.
3. 't Is zo, arme wereldlingen, Neem gij 't, hier op aard' en slijk, En vergankelijke dingen, 'k Geef volkomen u gelijk 'k Heb geen schatten van de wereld, 'k Heb geen eer, geen goed, geen geld. 'k Ben hier met geen glans bepereld, Maar in lage staat gesteld; Maar in lage staat gesteld.
4. Ik bewoon hier geen paleizen, Maar een hutje, en wiens zin 't Is om met mij mee te reizen, Komt er vrij maar binnen in. En ik durf vrijmoedig zeggen, Dat ik alles hier bezit. Kunt gij 't wereldling, uitleggen; Denkt gij niet, wat taal is dit; Denkt gij niet, wat taal is dit?
5. 'k Zal 't u zeggen; 'k ben geboren, Hoger dan de sterren staan. Want ik was al uitverkoren, Eer ik 't licht nog schouwde aan. God van algenoegzaamheden, Is mijn Vader en mijn God. Met dat deel ben ik tevreden, En met dat zo zalig lot; En met dat zo zalig lot.
6. Want Hij doet Zijn volk beërven Zulk een vast, bestendig goed, Dat in leven en in sterven, Eeuwig en volmaakt voldoet. God, het algenoegzaam Wezen, Is mijn overvloedig goud. En mijn zilver uitgelezen, Daar mijn ziele zich op bouwt; Daar mijn ziele zich op bouwt.
7. 'k Ben Zijn kind, Hij is mijn Vader. Dus Zijn rijkdom is de mijn'. Hier een deel en al te gader, Zal 't mij haast geschonken zijn. Hier geniet ik d'eerstelingen, En die maken mij zo rijk, Dat ik juichen kan en zingen, En verachten al uw slijk; En verachten al uw slijk.
8. Jezus is mijn oudste Broeder; Ja, mijn Maker is mijn Man. Jezus is mijn Borg en Hoeder, Die mijn ziel vervullen kan. Met Zijn volheid en genade, Met Zijn rijkdom en Zijn eer; En verworven heil-weldaden, Is 't nog weinig, 'k zal nog meer, Is 't nog weinig, 'k zal nog meer.
9. Van Mijn rijkdom u verkonden. Jezus, mijn volzalig Goed, Heeft in mij Zijn Geest gezonden; Die mij Abba roepen doet. Hij bewoont mij als Zijn tempel, Hij bezit mijn ziele, en Drukt op mij Zijn Godheids-stempel, Dat ik Gode eigen ben; Dat ik Gode eigen ben.
Uit: Johannes Groenewegen, De lofzangen Israëls Uitgave De Groot Goudriaan-Kampen
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 december 2002
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 december 2002
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's