De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de pers

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de pers

11 minuten leestijd

Robert Haasnoot

Twee redacteuren van het christelijk literair tijdschrift Liter, Hilbrand Rozema en Gert van de Wege, hadden een gesprek met schrijver Robert Haasnoot (nummer 24 - 2002). Ze zetten erboven 'De u; ortel van godsdienstigheid'. Gesprekken met schrijvers kunnen interessant zijn voor de lezers van hun boeken. Haasnoot raakte enkele jaren geleden bekend door zijn tweede boek Waanzee (1999) waarin hij de aangrijpende gebeurtenis verwerkt van de zogeheten 'Gekkenlogger', de Noordzee V, waarop Arend Falkenier door godsdienstwaanzin tot de meest bizarre woorden en daden werd gedreven.

daarmfP nnrprht wnrHf cjancrprlaan Eerder dit jaar (2002) verscheen Steenkind, zijn derde boek. In het gesprek laat hij los dat er nog een derde 'Zeewijk-boek' op stapel staat. Ook dat hij het plan heeft ooit ('als ik wat ouder en bedaarder ben') nog een 'alomvattende autobiografische roman over het vissersdorp te schrijven'. Dus Katwijk aan Zee heeft nog iets om naar uit te zien. Of ze dat ook echt doen, is de vraag. Want het verschijnen van Waanzee heeft nogal wat losgemaakt in het alleszins godsdienstige dorp. Dat heeft alles te maken met het feit dat Haasnoot een bevindelijke opvoeding genoot in de gereformeerde gemeente van Katwijk. Nogal wat lezers vonden dat hij vanuit aversie tegen het bevindelijk geloofstype zou hebben geschreven, een soort afrekening met het 'geloof der vaderen'. En dan vallen alras de namen van Jan Wolkers en Maarten 't Hart. Ik vind dat Haasnoot Genoemden maken hun opvoeding belachelijk, zeker Maarten 't Hart. Maar daar valt Haasnoot nergens op te betrappen. Hij signaleert wel uitwassen en vergroeiingen, uiteraard zoals hij ze zelfheeft beleefd en ondergaan.

'De duik die de auteur nam in deze geschiedenis, is voor hem geen vooropgezette garantie uoor succes en doorbraak geweest, zoals het achteraf lijkt. Hij beseft natuurlijk dat het vakkundig afstoffen van een met geheimzinnigheid omgeven dorpsgeschiedenis uoor aandacht zorgt. Maar hij praat toch liever over de manier waarop hij het opschreef. De mate waarin hij is geslaagd in het opnieuw tot leuen brengen uan de gezelschappen - waarin men elkaar de maat nam met bekeringsgeschiedenissen - en in het uoelbaar maken uan de beklemming die uan Falkenier uitging.

"Ik heb die scènes ouer de gezelschappen met zoveel plezier geschreven. Ik kan het nog zo terughalen, al die stemmen. Hoe de mensen binnendruppelden en eerst een tijdje over het weer praatten. Met een opmerking als 'Jaaaa, uandaag schijnt de zon, maar morgen...? ' tuerd dan de overgang gemaakt naar de dingen uan hetgelooj." Deze doorkijkjes in een nu bijna uerdiuenen godsdienstbeleving getuigen uan de wens zich in de vrome gereformeerden in te leuen. Je zou ook kunnen zeggen: ze getuigen uan een haast beuindelijke kennis uan de gereformeerde bevindelijkheid. Dat is een uerschil met 't Hart en Wolkers, die zich veelal bleuen schuren aan de buitenkant. Haasnoots enscenering is met begrip uoor mensen geschreuen. De huiskamerbijeenkomsten spelen een belangrijke rol in het duiden uan de latere ontsporingen uan Arend Falkenier.'

Je zou kunnen tegenwerpen dat de affl1l*P H1P< " /^o InarTPi* U7öl kool ovh-aam is. Daarom kun je dit droeve gebeuren niet aanvoeren als bewijs hoe risicovol bevindelijkheid kan zijn voor bepaalde typen mensen. Toch wie op de hoogte is van processen en gevolgen binnen genoemde kring, wat het soms met mensen doet, moet begrijpen wat Haasnoot bedoelt.

'De schrijuer kijkt naar zijn boeken, die tussen ons op ta/el liggen uitgestald. "Soms voel ik me meer typograaf dan schrijver. Voor ik begin met een boek zoek ik graag het lettertype al uit. Als jongen zag ik de prekenserie '"Uit de Schat des Woords'" die er goed uerzorgd uitzag. Ik tekende de letters eruan na. En ik schreef schriftjes vol zelfgemaakte preken. Op het eerste blad maakte ik zo jraai mogelijk een schutblad met een titel. Ik schreef daar dan op: '"Gods genade uoor een ellendig zondaar'". Als kind luisterde ik ook echt naar de preken in de kerk. Ik herinner me ds. Van der Bijl. Als de dominee in vervoering raakte, vond ik dat prachtig. Dan raakte ik zelf ook in vervoering. Datje met het woord een bepaalde macht kunt uitoefenen, had ik al vroeg door. Het woord kun je gebruiken om uerlegenheid te ouerwinnen, en ik was een verlegen jongetje. Thuis preekte ik ook wel. Mijn uader wreef zich dan weieens in de handen, verheugd, als hij mij in zijn eigen ochtendjas zag staan, een toga-achtige jas met wijde mouwen waarmee je gewijde gebaren kon maken. Hij dacht: Dat kan nog wat worden." De auteur herinnert zich hoe hij zijn uerlegenheid bestreed met typische kinderfantasieën - spinsels die je met een uolwassen woord, terugkijkend, hoogmoedig kunt noemen. "De Engelse Spurgeon was in onze kringen de '"prins der predikers'", zo werd hij genoemd. Als ik door Katwijk liep en om me heen keek, verbeeldde ik me wel dat ik laIk wilde volgelingen krijgen, dan zouden we de roomsen gaan bekeren". '

De jongen Robert Haasnoot eruoer de wereld als bedreigend. De Tv was iets vreselijks. "Als ik langs een café kwam en ik rook die lucht, daar werd ik bang uan. Also/ik de hel rook." De bus uit Leiden was een uerbinding met een verre buitenwereld die alleen werd aangedaan als de kinderbijslag binnen was. Dan werden er in Leiden zondagse kleren gekocht. "Veel kerkmensen hebben een zondagspersoonlijkheid. Het merendeel uan de gergemmers (leden uan de Gereformeerde Gemeenten) kunnen zon- en weekdag goed scheiden. Ze hebben een zekere immuniteit opgedaan uoor de verbale geseling uan de zondag. Het raakt ze niet echt meer. Ze horen niet meer. Maar ik, als kind, luisterde wel. Uit/ascinatie uoor de taal en de macht die mensen daarmee kunnen uitoefenen. Maar vooral omdat ik geloofde wat de dominee zei, en uit angst voor de dood. Ik was een gelouig jongetje dat in de ogen uan mijn omgeving misschien wel al een '"eind op weg'" was. Mijn vader zag het wel zitten. Hij dacht: Die jongen heeft al vroeg indrukken uan de eeuwigheid!" En nu?

"Als je ooit in een absolute waarheid hebt geloofd, een waarheid die met een snelle greep in de boekenkast toetsbaar was aan bijvoorbeeld de Dogmatiek van ds. Kersten, dan zul je het later nooit meer in een andere kerk uinden. Ik kan mijn beleving uan uandaag niet meer loskoppelen uan mijn jeugd. Woorden als '"genade"' en '"uerlossing"' betekenen in andere, lichtere kerken iets anders. Daar kan ik elders nooit zomaar onbevangen naar luisteren. Ik ben nog wel eens naar een gereformeerde kerk geweest, maar toen ik thuis kwam zat ik die preek af te breken. Mijn vrouw dacht: Wat een arrogantie. Maar ik heb gewoon dat be-

Het is de toon die de muziek maakt. Als Haasnoot afdaalt in zijn geheugen en weer rondwandelt in de wereld die hij kende als kind, is dat niet om ermee af te rekenen. Zijn verwerking uan vroeger is jündamenteel anders dan die uan Maarten 't Hart en Jan Wolkers. Hij claimt expliciet dat zijn schildering van de gezelschappen, zoals ze tot voor enkele decennia geleden bij elkaar kwamen in het Katwijkse, een betrouwbare is. Dat hij, als schrijver, recht doet aan de werkelijkheid. "Seculiere lezers uan onder andere Maarten 't Hart hebben ten onrechte de indruk dat bevindelijkger formeerden gebukt gaan onder een zware zondenlast. Het merendeel gaat juist blijmoedig naar de kerk en uolgt daarin een/amilietraditie. Om die reden wordt het beuindelijkegeloof met recht '"hetgeloojder vaderen'" genoemd. Het houdt de familieband hecht, ons kent ons. Zeg nou zelf, hoe vaak komt het voor dat iemand die niet in deze traditie is grootgebracht lid wordt uan, laten we zeggen, de Gereformeerde Gemeenten? "

Het lijkt er zelfs op dat Haasnoot die soms curieuze, maar ook herkenbare herinneringen koestert en onderzoekt en bij zichzelf het religieuze besef niet de kop indrukt. Wat ouerheerst is een gevoel uan medelijden. Met het jongetje dat hij zelf was, en met de mensen die nu nog onder het beslag uan die prediking liggen. De enige keer datje hem kwaad ziet, tijdens zo'n kojpe-ochtend in het hem vertrouwde paviljoen aan de Katwijkse zeereep, is wanneer het ouer de theologie gaat. "Wanneer je te horen krijgt dat we allen doemwaardige zondaars zijn, daar kun je mee instemmen. Maar als daar niets, helemaal niets tegenover staat... Ik vind het een dwaalleer. Ik heb maar een keer op een . recensie gereageerd. Dat was op een uitlating uan J. uan der Graaf (destijds secretaris van de Gereformeerde Bond). Die schretf dat ik opkwam tegen de leer van zonde en genade. Maar dat is helemaal niet waar. Die genade bleef helemaal buiten je gezichtsveld. Van der Graaf heeft dat later ook gerectificeerd."

"Men wist ook zo goed wat waar was en wat niet. In Waanzee heb ik de Tale Kanadns proberen te schrijven. Maar dat was echt een groepstaal, die ook normatief was om iemands bekering te beoordelen. Mijn moeder komt uit Amerika. Ze bezocht hier de gereformeerde gemeente, en dacht op zeker moment dat God met haar aan het werk was. Ze vertelde dat toen er ouderlingen op huisbezoek kwamen. Ze had een enorm accent. Dat klonk eigenlijk vooral grappig. Maar omdat de taal anders was - en ze zal ook wel niet alles in de kerk begrepen hebben - namen die ouderlingen haar bekering niet over".'

Ik denk weieens: waarom reageren wij als christenen soms zo spastisch op boeken waarin duidelijke schaduwzijden van vormen van geloofsbeleving worden neergezet? Is dat toch een gevolg van innerlijke onzekerheid? Of heeft het te maken met het niet aankunnen van een minderheidspositie? Of zijn onze tenen gewoon veel te lang en missen we de antenne voor zelfkritiek? Ik citeer nog één keer een fragment uit het gesprek met Haasnoot waarin hij het volgende zegt over de gereformeerde wereld:

'Maar het geloof in de gereformeerde wereld laat volgens Haasnoot te weinig ruimte uoor twijfel, voor vragen en onzekerheden. "Ik heb natuurlijk het vragenboekje uan Hellenbroek altijd gebruikt. In het uoorwoord staat een soort oproep tot zelfonderzoek, maar er staat ook datje de leraar niet zomaar dingen mag vragen, hem geen strikvragen mag stellen. Dus een afwijkende mening mag je helemaal niet uiten, je moet blindelings de leer uan de kerk uolgen. Toen ik Waanzee schreef moest ik de lezers natuurlijk duidelijk maken wat het bevindelijke geloojongeveer inhield. Toen heb ik Hellenbroek er nog eens bijgepakt, en het Kort begrip uan Kersten. En dan lijkt het alsojdie dominees alles weten! Ik kan niet begrijpen dat zij nooit eens voor God gestaan hebben, en hebben beseft: Hij gaat ons bevattingsvermogen ver te boven. Gelouen is uoor mij ook: uoortdurend omgaan met je twijfel."

Waanzee sleept je als lezer al mee, onstuitbaar naar het einde toe. Maar je leert er ook nog iets uan. Namelijk dat het wel granieten, ijzersterke schouders moeten zijn die de last kunnen dragen uan de extreme, dagelijkse spanning tussen doemwaardig zijn en begenadigd willen worden.

"Ik geloof inderdaad datje heel uoorzichtig moet spreken. Ik begrijp het verlangen naar uitverkiezing, naar tekenen van ontfermende genade, heb dat als kind zelf ook beleefd. Maar het kan ontsporen in de richting van het a/dwingen van je zaligheid. Je merkt toch dat krachtige, mondige jiguren binnen de bevindelijke kerken het snelst zekerheid van hun bekering krijgen. Zij die kwakkelen en onmondig zijn, zeg maar de mensen uan de achterste bank, komen niet snel zouer. Als kind maakte ik me ook zorgen: we zijn thuis met z'n zessen... Wie worden er hier zalig...? Wie blijuen er achter? Ik had wel een afkeer van die kant uan God. Meestal wordt in bevindelijke kring die tekst uit de Romeinenbriefgeciteerd, ouer God als de grote pottenbakker. Wie wordt er dan zalig: enkele Nederlanders en Schotten, en een enkeling uit het Duitse grensgebied. Ik vind dat toch een erg destructieve God. Maar Hem zouden we moeten liefhebben!"'

Ik kan me de emotie die uit deze woorden spreekt goed voorstellen en vind ze herkenbaar. Wie de fanatieke manier kent waarop kritische vragenstellers monddood worden gemaakt tot op de dag van vandaag, zal instemmen met wat Haasnoot in dit gesprek probeert aan te geven. Trouwens, je hoeft toch niet alles wat een schrijver in zijn werk vermeldt letterlijk voor je rekening te nemen om toch toe te geven dat hij signalen afgeeft die overweging verdienen.

J. MAASLAND

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 december 2002

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's

Uit de pers

Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 december 2002

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's