De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Het voorbeeld van Israël

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Het voorbeeld van Israël

LICHT OP DE KERK [10]

7 minuten leestijd

Naar zijn oorspronkelijke betekenis zegt het woord kerk ons dat zij 'des Heeren' is. Het is immers afgeleid van het Griekse woord 'kurios', dat Heere betekent. Als het eigendom van Christus gaat het in haar dan ook om Hem en om de heerlijkheid van Zijn dienst. Onder het Oude Verbond was dat niet anders. Ook toen was het in de heilige dienst van Israël begonnen om de glorie van de Messias en om Zijn werk. Daar heeft Jezus in Zijn onderwijs aan de Emmaüsgangers duidelijk van gesproken, toen Hij aan de hand van Mozes en al de profeten hun uitlegde hetgeen van Hem geschreven was. Wet en profetie getuigen niet minder van Hem dan evangelisten en apostelen. Hun prediking van het Evangelie was trouwens in het Oude Testament reeds aangekondigd. In de allereerste verkondiging van het Evangelie in de moederbelofte werd immers de triomf van het Vrouwenzaad in het paradijs voorzegd.

Schatbewaarder van de belofte

Intussen zou die overwinning alleen behaald kunnen worden door bittere strijd heen. De heftige tegenstand tegen dit Evangelie werd dan ook al spoedig openbaar en zou alle eeuwen door zichtbaar zijn. In de geschiedenis van Israël en van de kerk. Een tegenstand, die zich van oude tijden af manifesteerde in de machten, die Israël en de kerk van buiten af bedreigd hebben, maar die evenzeer gestalte aannam in machten van binnen uit. In dit opzicht is er tot op vandaag niet veel veranderd.

Juist als de schatbewaarder van de belofte is Israël door vele vijandige volken bevochten. Door Filistijnen en Chaldeën, door Syriërs en Romeinen. In de overheersing van die machten had de duivel het voorzien op het Kind, dat in de lendenen van Abraham gedragen werd. Maar in zijn pogingen om de belofte van God te verijdelen, maakte de satan niet minder gebruik van de macht van ongeloof en ongehoorzaamheid, die in Israël zelf aan de dag trad. In zijn doorgaande verharding weigerde het volk hardnekkig te wandelen in de wegen en naar de geestelijke bedoeling van Gods verbond. God had in Zijn verkiezende genade Israël aan Zich en aan Zijn belofte verbonden, maar dat was geen vanzelfsprekende zaak. De keerzijde daarvan was de onvoorwaardelijke en liefdevolle dienst aan God. Het leven naar Zijn geboden. In de vreze van Zijn Naam.

Profeten...

Op schandelijke wijze heeft Israël echter zijn roeping nagelaten. In plaats dat het het licht van Gods openbaring onder de heidenen verspreidde, verslingerde het zich aan de afgoden van de volken met alle ontstellende gevolgen van dien. En als het al tot God naderde, dan deed het dat met de mond, maar niet met het hart. Als wij dienaangaande de prediking van de profeten op ons laten inwerken, rijzen de haren ons te berge. Want deze Godsgezanten verbloemden de zonden niet, maar noemden die heel concreet bij de naam. Profeten als Jeremia en Ezechiël verweten Israël Sodom en Gomorra in ontucht en levenspraktijk nog voorbij te streven. Dat spreekt boekdelen en laat ons zien, hoe diep in Israël het heidendom met zijn onzedelijkheid ingedrongen was.

In dat licht verstaan wij het hartstochtelijk en veelvuldig appèl van de profeten, waarin zij onvermoeibaar met de hamer van Gods recht en liefde op het geweten van het volk sloegen en het tot bekering opriepen. In het waarnemen van de wacht des Heeren klaagden zij het volk uitermate scherp aan. Daarbij verzwegen zij het oordeel niet, dat het volk over zich riep en dat niet achterwege kon blijven. Het werd hun door het volk niet bepaald in dank afgenomen, integendeel. Hoe smartelijk en diep zij daaraan geleden hebben, wordt ons in de laatste verzen van Hebreen 11 wel duidelijk gemaakt. Maar dat verhinderde deze Godsmannen niet als Habakuk trouw op hun post te blijven en hun stem te verheffen. In profetische kracht, maar evenzeer in priesterlijke bewogenheid.

Daarom gaven zij hun positie als door God geroepen niet prijs en trokken zij hun handen niet van het volk af. Zij lieten het niet over aan de valse profeten, die voorgaven ook in de naam des Heeren te spreken. Hoezeer zij ook aan Gods kant stonden en met gevaar voor eigen leven voor Zijn recht opkwamen, zij distantieerden zich niet van het zondige volk. In diens schuld voor God vereenzelvigden zij zich zelfs met hen. In die solidariteit gingen zij ook zelf onder het oordeel door en bleven er niet van gevrijwaard.

Maar juist zo kenden zij de op Gods verbond gegronde verwachting, dat dwars door het oordeel heen God Zijn handen niet definitief van Israël zou aftrekken Hoevelen van het volk ook afvielen en in het oordeel omkwamen, een rest zou behouden worden. Want God zou het werk van Zijn handen niet loslaten. Het 'evenwel' van Zijn trouw tegenover de ontrouw van het volk was hun zekere hoop. De belofte lag immers niet verankerd in de gehoorzaamheid van Israël, maar in de onwankelbare trouw van God.

... en apostelen

Die profetische lijn vinden wij ook in het Nieuwe Testament. Dat kan ook niet anders. Nu de gemeente door het bloed van Christus in het verbond van God met Israël is opgenomen, gelden dezelfde beloften en het gebod daarvan impliciet ook voor haar. Intussen verschilt de geschiedenis van de kerk helaas niet van die van Israël. Ook in de gemeente komen wij dezelfde zonden en afwijkingen tegen, waarmee Israël de toorn des Heeren over zich ingeroepen heeft. En dezelfde gevaren bedreigen haar. Van buiten af, maar evenzeer van binnen uit. De gevaren van afval en dwaling, van verbastering van het Evangelie en van ontluistering van het werk van Christus, van goddeloos leven en onheilig wandelen. De sporen daarvan treffen wij al in het Nieuwe Testament aan, wanneer het gaat om de zuiverheid en de heerlijkheid van de dienst van God. Het is dan ook opvallend, hoe vaak het ongehoorzame Israël aan de gemeente tot een afschrikwekkend voorbeeld wordt gesteld. Daaruit blijkt dat het optreden van de apostelen in de gemeenten niet anders was dan dat van de profeten in Israël. In de navolging van hun Meester vervulden ook zij hun goddelijke roeping in een diep besef van hun ambtelijke verantwoordelijkheid en dienden zij de gemeenten in priesterlijke liefde. Daarbij bleef ook hun het verdriet niet bespaard. In de gemeenschap aan Jezus' lijden deelden zij in de smart van de profeten. Zij leden aan de kerk.

Niet verzwijgen

Want in die liefde verzwegen zij evenmin als de profeten de vaak ergerlijke zonden en misstanden. Zij aarzelden ook niet om deswege het oordeel aan te zeggen. In felle bewogenheid stelden zij de gemeente onder de scherpe

tucht van het Evangelie. De liefde is immers wel uiterst zachtmoedig, maar niet zachtzinnig. Men behoeft er de brieven aan de gemeente te Korinthe en aan de Galaten maar op na te lezen. Om niet te vergeten de overwegend bestraffende brieven, die Christus Zelf aan de gemeenten in Klein-Azië zond. Brieven uit de hemel, die als documenten van Zijn kastijdende liefde hun zeggingskracht behouden voor Zijn strijdende kerk op aarde. De kerk van alle eeuwen.

Zo bleven de apostelen trouw aan hun roeping in verbondenheid aan de ge: meenten. Door diepe afval en donkerheid heen. Want de gemeente als het lichaam van Christus was hun boven alles lief en kostbaar. En waar de duivel erop uit was om te verdelen en te beschadigen, stelden de apostelen zich in die gemeenten met het zwaard van de Geest te weer tegen zijn aanvallen om de eenheid en heiligheid ervan te bewaren en te bevorderen. Zo hebben zij de gemeenten met het Woord gewapend om in hun zwakheid en weerloosheid de geboden van God en het getuigenis van Jezus Christus te bewaren. Tegelijk reikten zij daarmee de vertroosting aan, die in alle aanvechting en beproeving doet volharden. De vertroosting, dat God Zelf voor Zijn gemeente instaat en dat naar het woord van de Meester de poorten van de hel haar wel bestormen, maar niet zullen overweldigen. Zijn overwinning staat er garant voor.

E. F. VERGUNST, RIDDERKERK

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 december 2002

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Het voorbeeld van Israël

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 december 2002

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's