De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Identificatie in geloofsopvoeding

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Identificatie in geloofsopvoeding

Uw GOD IS MIJN GOD [2]

10 minuten leestijd

In een vorig artikel kwam aan de orde wat identificatie is en welke plaats het kan hebben in het pastoraat. Duidelijk werd dat het identificatieproces verschillende aspecten kent: herkenning, identificatie en verwachting. Wanneer je jezelf herkent in (de situatie van) iemand uit de Bijbel, kun je je met dele persoon identificeren. Tegelijkertijd ontstaat er een bepaalde verwachting van God: zoals God toen met die persoon gehandeld heeft, zo kan Hij nu nog steeds doen met jou.

In het vervolg zullen we verder nadenken over de plaats van identificatie in prediking en geloofsopvoeding. Voordat we ons echter richten op het heden, kijken we naar het verleden. Immers, niet alleen in onze tijd is nagedacht over identificatieprocessen in geloofservaring en geloofscommunicatie: ook in de Reformatie en Nadere Reformatie werd hierover geschreven. Dit gebeurde weliswaar zonder dat het woord 'identificatie' gebruikt werd, maar men had het wel over dezelfde zaken. Twee schrijvers bij wie dit zichtbaar wordt, zijn Maarten Luther en Theodorus à Brakel.

Luther
Luther heeft een 'Vorrede auf den Psalter' geschreven als inleiding voor zijn commentaar op de psalmen (1528/1545). In deze voorrede zegt hij dat de psalmen laten zien hoe de 'heiligen' - de mensen over wie het gaat in de psalmen - tot God gesproken en gebeden hebben, hoe hun verhouding was tegenover God en mensen, zowel vrienden als vijanden, en hoe ze zich gedroegen in gevaar en lijden. In de psalmen kijken we de heiligen in hun hart, waarin gevoelens van angst, zorg, vreugde en dank zich afwisselen. Wat de heiligen vroeger doorleefd hebben, maken de gelovigen van nu nog steeds mee. Daarom zegt Luther: 'Iedereen, in welke omstandigheden hij ook is, vindt Psalmen en woorden, die op zijn situatie van toepassing zijn, en zo precies voor hem zijn, als waren ze alleen voor hem zo neergezet…'. Je kunt jezelf herkennen in de woorden van de psalmdichter en je met hem identificeren. Maar dat is niet het enige, het gaat in de psalmen niet alleen om mensen: Gód werd verwacht in de psalmen. Luther: 'Dat is het allerbeste, dat ze zulke woorden tegen God en met God spreken. (…) En dit is ook daartoe goed, dat, wanneer voor iemand zo'n woord van toepassing is, hij zeker weet dat hij in de gemeenschap der heiligen verkeert en weet dat het alle heiligen is vergaan zoals het hem vergaat (…) in het bijzonder wanneer hij ook zo tegen God spreken kan, als zij gedaan hebben.' Door de woorden van de psalmen kan ook nu de verwachting van God ontstaan en de hoop op Zijn ingrijpen.

Mensen uit de Bijbel
Theodorus à Brakel noemt in zijn boeken vele mensen uit de Bijbel die functioneren als identificatiefiguren. Ter illustratie wat hij schrijft in Het Geestelijcke Leven (1649) over de ervaring dat je God zoekt in het gebed, maar Hem niet kunt vinden: 't Kan wezen dat hij [= de gelovige] ook soms wel wat zoeken moet eer hij zijn liefste Bruidegom vindt, gelijk de Bruid geschiedde (Hgl. 3 : 4) (…). Zo verging het Jakob eerst ook toen hij zich in de nacht in het gebed tot God begaf om door Hem geholpen en getroost te worden. De Heere hield Zich vreemd en hard tegen hem alsof Hij boos op hem was en worstelde met hem totdat de dageraad aanbrak (…). Alzo handelde de Heere ook met Maria Magdalena. Zij was vroeg naar het graf gegaan; als zij de Heere niet vindt, blijft ze bij het graf staan wenen; de Heere staat achter haar (…). Ziet, zo vreemd houdt Zich de Heere van haar, en nochtans is Hij bij haar en hoort haar al klagen en ziet haar tranen en heeft haar bijzonder lief (…). Alzo verging het Jakob eindelijk ook dat hij gezegend werd (…). Alzo kreeg Maria ook zo'n vriendelijk woord dat haar hart verheugde (…). Als het u dan ook alzo mocht vergaan [identificatie] dat de Heere u eerst terstond niet antwoordt met zijn genade en niet vriendelijk onthaalt, zo moet u daarom niet moedeloos worden; maar houdt maar aan en zijt welgemoed. Gij zult gelijk als zij [verwachting] eindelijk nochtans uw liefste Bruidegom vinden…' Wie zich dus in vergelijkbare omstandigheden bevindt, mag verwachten dat God met hem net zo zal handelen als met genoemde bijbelse figuren en Zich zal laten vinden. In een gebed dat A Brakel opgeschreven heeft - ontleend aan Bernardus van Clairvaux - komen identificatie en verwachting eveneens duidelijk tot uiting: 'Gewisselijk Heere Jesu, om Uw zachtzinnigheidswille lopen wij u na, horende dat Gij de arme Zondaar niet veracht; Gij hebt geen afgrijzen gehad van de boetvaardige Moordenaar, noch van de wenende Zondares, noch van de smekende Kananese vrouw, noch van de Vrouw in overspel betrapt, noch van de biddende Tollenaar, noch van de verloochenende Discipel, noch van de vervolger der Discipelen, (…) ik vertrouw, Gij zult ook van mij geen afgrijzen hebben.'

Grote vertellers
Uit het voorgaande blijkt dat Luther en A Brakel in hun onderwijs aandacht hebben geschonken aan het psychologische proces van identificatie. Wat betekent dat voor het geloofsonderwijs in het heden en welke consequenties heeft dat voor de prediking als een van de belangrijkste vormen van geloofscommunicatie?
Een preek kun je beschouwen als een systematisch betoog waarin het hoofdthema van de bijbeltekst wordt overgedragen; zo'n betoog doet vooral een appèl op het denken van mensen. Echter, als het goed is, richt een preek zich op mensen-in-hun-geheel en wordt naast het denken ook het voelen, willen en handelen aangesproken. Een preek moet daarom meer zijn dan een betoog op abstract niveau. Henri Nouwen zegt hierover: 'De rabbijnen leiden hun mensen met verhalen; dienaren des Woords leiden hun mensen meestal met ideeën en theorieën. Maar wij zouden weer grote vertellers moeten worden'. En prof. Graafland stelt: 'In de Schrift vind je geen systeem. Het is Gods grote verhaal, in onze kleine menselijke verhalen'. God heeft Zich immers geopenbaard in de geschiedenis. De verhalen in de Bijbel, Gods geïnspireerde Woord, doen verslag van Zijn handelen in de geschiedenis van het volk Israël (OT), Zijn komen in het vlees en Zijn reddend handelen bij uitstek (in Christus) en Zijn handelen met de gemeente (NT). Juist in deze verhalen vinden we identificatiefiguren.
Het is belangrijk dat in de preek dit verhalende aspect aan de orde komt. Wanneer het over concrete mensen gaat -en in mindere mate over abstracte dogma's- hebben hoorders mogelijkheden tot identificatie: ze herkennen zich in de bijbelse personen en krijgen door de werking van de Heilige Geest verwachting van de Heere op grond van Zijn handelen in de geschiedenis, wat leidt tot geloofservaring. Op deze geloofservaring komt het aan: het 'weten' van het geloof (conceptuele kennis) alleen is niet voldoende, ook het 'beleven' ervan (ervaringskennis) is onmisbaar voor een levend geloof. Niet voor niets noemt de gereformeerde traditie deze twee aspecten in één adem en spreekt de Heidelbergse Catechismus van het geloof als kennis én vertrouwen.
In de prediking dient daarom zowel op het niveau van de geloofskennis als van de geloofservaring te worden gesproken; het één kan niet zonder het ander. Het is heel goed mogelijk om het ervaringsgerichte spreken vorm te geven aan de hand van identificatiefiguren. Natuurlijk zijn niet alle teksten in de Bijbel verhalend van karakter, maar in veel gevallen zit er wel een verhaal achter de tekst. Een apostolisch vermaan bijvoorbeeld veronderstelt een concrete situatie als achtergrond. Wanneer de predikant die concrete situatie onder de aandacht brengt, geeft dat de hoorders mogelijkheid tot identificatie. Anders gezegd: het gaat om de mensen in en achter de tekst, levende personen in wie wij ons kunnen herkennen. Door ons levensverhaal te verbinden met hun verhaal ontstaat er, als het goed is, een gerichtheid op God en een overgave aan God - de God Die handelt met mensen in verleden en heden en Die door de Heilige Geest het identificatieproces wil gebruiken en zo geloofsovergave werken.

Geen perfecte ouders
Tot nu toe hebben we ons uitsluitend gericht op identificatiefiguren vanuit de Bijbel. Echter, er is nog een andere 'laag' van identificatie, namelijk dat wij zélf identificatiefiguren zijn als we over God spreken met anderen, in opvoeding, onderwijs, pastoraat, prediking, of waar dan ook. Laten we allereerst kijken naar de opvoedingssituatie.
Binnen een christelijk gezin komt een kind door de ouders in aanraking met het geloof. Ouders zijn bemiddelaars van het geloof. Zij geven door wat ze zelf ontvangen en geleerd hebben en zijn zo, door genade, een middel in Gods hand. Hoe ouders de geloofsopvoeding vorm geven, is niet om het even. Wanneer zij zich beperken tot het spreken over God en alleen door woorden het geloof bemiddelen (verbale bemiddeling), krijgt een kind vooral een indruk van het geloof als leer met geboden en verboden. Het kind ervaart niet dat zijn ouders zelf uit het geloof leven. Dat laatste is wel het geval bij 'totale' bemiddeling: dan brengen ouders hun geloof in het dagelijks leven in praktijk en laten ze zien wat geloven voor henzelf betekent. Zo ziet het kind in zijn ouders een voorbeeld van vertrouwen op God. Ouders worden dan zélf identificatiefiguur; kinderen kunnen door hun ouders verwachting krijgen van de God van het verbond, Die in de lijn van de geslachten werken wil. Overigens hoeven ouders als identificatiefiguren geen perfecte mensen te zijn; kinderen mogen best merken dat hun vader en moeder te kampen hebben met zonde en zwakheid. Juist wanneer ze de realiteit van de vergeving in het leven van hun ouders ervaren, kunnen zijzelf verwachting krijgen van de vergevende God.
Wanneer ouders als middel in Gods hand het geloof willen doorgeven, is hun eigen houding van groot belang. Het is mogelijk dat ouders onzeker of zelfs angstig zijn in het dienen van God. Daardoor gaan zij een onduidelijke weg: ze zijn inconsequent, hun woorden en daden spreken elkaar tegen. Een kind kan hierdoor besluiteloos of zelfs afkerig worden tegenover God en Zijn dienst. Ouders kunnen echter ook al te zeker zijn en op een autoritaire wijze het geloof doorgeven; hun wil valt samen met de wil van God. Dit vormt een belemmering voor het geloven van een kind. Beter is het wanneer ouders zekere bemiddelaars zijn en een consequente houding ten opzichte van het dienen van God hebben. In de godsdienstige opvoeding geven zij zelf het goede voorbeeld, zonder de kinderen hun inzichten dwingend op te leggen. Dit geeft kinderen de mogelijkheid om zich met hun ouder(s) te identificeren en zo, door de Heilige Geest, verwachting van de Heere te krijgen.

Leer en leven
Ouders zijn niet de enige identificatiefiguren voor kinderen en jongeren: ook gemeenteleden en ambtsdragers hebben die functie, zeker zij die werkzaam zijn in catechese, godsdienstonderwijs of jeugdwerk. Daarom is het belangrijk dat je, als je zelf uit de kracht van de verzoening leven mag, dit ook laat merken aan de mensen om je heen. Juist in onze tijd, waarin identificatieprocessen een grote rol spelen, heeft de christelijke gemeente identificatiefiguren nodig: mensen die doorgeven Wie God voor hen is, die laten zien wat geloven voor hen betekent, met als doel dat de ander - of het nu een kind of volwassene is - van God verwachting krijgt voor zijn eigen leven: 'Opdat zij hun hoop op God zouden stellen…' (Ps. 78). Dit geldt evenzeer voor wie werkzaam is in pastoraat en prediking. Willen de woorden die je spreekt over God en godsdienst overkomen bij de ander, dan moet je ze wel zelf in praktijk brengen. Leer en leven dienen met elkaar in overeenstemming te zijn, je moet een 'totale bemiddelaar' zijn. Daarbij mag je ruimte geven aan hoogte- en dieptepunten in het leven met God: het is niet volmaakt hier, ook niet in het geloof, maar juist in onze gebrokenheid toont zich Gods genade. Identificatiefiguur zijn betekent dan ook: doorgeven wat je zelf hebt ontvangen, opdat de ander gaat zeggen: 'Uw God is mijn God.'
J. SCHAAP-JONKER, ZWOLLE

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 januari 2003

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Identificatie in geloofsopvoeding

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 januari 2003

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's