De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de pers

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de pers

19 minuten leestijd

Verstaanbaarheid
Wie weer een jaar lang in de dienst van de evangelieverkondiging heeft gestaan, zal het woord verstaanbaarheid direct herkennen. Je evalueert voor jezelf, maar ook in gesprek met de kerkenraad regelmatig de inhoud en de vorm van de verkondiging. Kan het zo, moet het op bepaalde punten anders, is het duidelijk genoeg, komt het over? Wie de afleveringen van het EO-televisieprogramma 'Catherine zoekt God' heeft gevolgd, heeft gemerkt dat een gevoelig en kwetsbaar punt toch steeds weer het taalgebruik is dat wij hanteren. De net verschenen vervolgstudie van de IZB 'over bijbel, geloof en kerk in een postmoderne samenleving' kreeg dan ook heel begrijpelijk de titel mee 'Om de verstaanbaarheid' (uitg. Boekencentrum). Vorm en in houd van de prediking houden juist binnen kerken van confessioneel-gereformeerden de gemoederen altijd weer bezig. Uiteindelijk zit daar vaak de meeste spanning, omdat achter de prediking theologische visies verborgen zitten. In diverse kerkgemeenschappen die zich tooien met de naam 'gereformeerd' vinden diepgaande discussies plaats. Eén van hen zijn de Christelijke Gereformeerde Kerken. De pluriformiteit binnen deze kerken wordt naar mijn inschatting al groter. Men is er al jaren over in gesprek met elkaar, met name op de jaarlijkse ambtsdragersconferenties. Als vervolg op de bijeenkomst van april 2002 werd in Ambtelijk Contact van december 2002 een uitvoerig vraaggesprek opgenomen dat dhr. D. Koole had met ds. A. P. van Langevelde. Koole is de voorzitter van het comité dat genoemde conferenties voorbereidt en organiseert. Ds. Van Langevelde is christelijk gereformeerd predikant in 's-Gravendeel en wordt, naar ik vermoed, gerekend tot het brede midden van zijn kerken. Ik citeer enkele fragmenten uit het gesprek dat goed laat voelen het spanningsveld waarin vandaag een bijbels-gereformeerde prediking zich gedurig bevindt. En al vindt het gesprek plaats in de context van de genoemde kerken, er is wat mij althans betreft heel veel herkenning. Koole vraagt onder andere of het volgens ds. Van Langevelde juist is als in het behoudende deel van de kerken geklaagd wordt over het feit dat in veel preken niet meer wordt uitgegaan van de totale verdorvenheid van de mens?

'U vraagt naar het doorklinken van de elementen van zonde en genade in de prediking en naar de manier waarop ik omga met de belijdenis van de totale verdorvenheid van de mens. Daarin is misschien wél sprake van accentverschillen. Ik ken collega's die op een andere wijze over zonde en genade spreken dan ik dat doe. Toch zijn het ook daarin vooral cultuurverschillen die een rol spelen. Als ik zeg dat een mens van huis uit met de rug naar God toegekeerd leeft en van Hem niet wil horen, bedoel ik hetzelfde als een collega die zegt dat een mens van nature hatelijk en verfoeilijk is voor God. Ik houd alleen niet van die woorden. Ik zeg het dus anders en dat doe ik bewust. Hetzelfde geldt voor het spreken over de genade. Genade is voor mij niet vanzelfsprekend, al denken sommigen misschien van wel. Het is een onverdiend en onverwacht geschenk van God. In mijn preken kan ik dan wel eens een uitdrukking als "gegeven goed" in de mond nemen. Een collega zal misschien liever spreken over "vrije gunst". Broeders en zusters die gewend zijn aan het taalgebruik van mijn collega, zullen in mijn preken misschien niet direct horen, dat ik hetzelfde bedoel. Maar dat heeft dan niet te maken met de boodschap, maar met de vertolking en het verstaan van die boodschap. Voor mezelf ben ik ervan overtuigd, dat we in deze tijd in de kerk niet meer kunnen communiceren in één taal. Zoals heel de samenleving is ook de kerk pluriform geworden. Veel kerkmensen uerstaan de boodschap alleen als die gebracht wordt in de hun vertrouwde taal van de geloofsleer en de traditie. Er zijn echter ook mensen die deze taal niet meer begrijpen en er ook niet meer door worden geraakt. Ze kunnen de verbinding niet leggen tussen de taal van de geloofsleer en de taal van het hart, tussen de taal van de traditie en de taal van het moderne leven. Daarom kies ik ervoor om in mijn preken dezelfde dingen op verschillende wijzen te zeggen. Zodat ieder het evangelie kan horen in zijn "eigen" taal.'

Hoe concreet mag en moet de prediking zijn? Hoe waarderen we de betekenis en de invloed van de cultuur op ons denken en geloven? Heeft die cultuur ook invloed op de manier waarop we vandaag het evangelie hebben te verkondigen?

'Durven vandaag over de heiliging van het christelijk leven nog wel duidelijk richtingwijzende en corrigerende dingen te worden gezegd? Zijn veel preken op dit punt geen zwakke aftreksels van wat door profeten en apostelen en niet te vergeten door Jezus zelf is gezegd? Anders gevraagd: is concreet zonden aanwijzen in de prediking niet ontzettend moeilijk geworden?
Ik ben bang, dat u gelijk hebt. Ik blijf in het antwoord maar bij mezelf: ik vind het moeilijk om richtinggevend en corrigerend te preken. Er is zoveel veranderd. De moderne tijd wordt gekenmerkt door individualisering. Die individualisering gaat gepaard met autonomie. Mensen buigen niet gemakkelijk meer uoor een boodschap die voor hen en zonder hen uitmaakt in welke richting hun leven zich moet bewegen. Daar komt nog iets bij. Vroeger kon het christelijk geloof betrokken worden op heel het leven. Het werkte door op het politieke, economische, sociale en culturele vlak. Vandaag wordt de reikwijdte van het geloof ingeperkt tot het persoonlijke leven. Religie heeft vooral een cultisch en mystiek karakter gekregen. In de derde plaats is er een religieuze markt ontstaan waarop de christelijke religie allang geen monopoliepositie meer inneemt. Waarheid is voor moderne mensen niet meer per definitie de christelijke waarheid of de voor iedereen geldige waarheid. Waarheid wordt als subjectief en relatief ervaren. Mensen hebben allerlei keuzemogelijkheden tot hun beschikking. Informatie en dialoog lijken steeds meer de plaats in te nemen van verkondiging en vermaning. Ten slotte is het leven onoverzichtelijk en complex geworden. Wie heeft nog echte antwoorden op al die ingewikkelde vragen? De kerk is gaandeweg terughoudender en bescheidener geworden in haar spreken. Dat werkt ook door in de prediking, ook in mijn prediking.
Daarmee zeg ik niet, dat ik niet concreet durf te zijn in mijn preken of dat ik niet wil ingaan op moderne vragen. Ik probeer het gesprek aan te gaan met de Schrift en de traditie, maar ook met de actualiteit en de persoonlijke en maatschappelijke ervaringen van de hoorders. Mag ik een paar voorbeelden geven? Op de zondag na 11 september vorig jaar heb ik in een preek over Esther 7 geprobeerd te reageren op de emotie en de verwarring die de aanslag bij ons allemaal had opgeroepen. In een korte serie preken over Zondag 9 ben ik ingegaan op allerlei moderne twijfelvragen over het bestaan van God, zijn almacht en zijn Vader zijn. Ik heb ook iets gezegd over de vraag: zitten we bij de goede God? Ook aan de moeiten van homoseksuele mensen en de vaak meer dan uitbundige wijze waarop jongeren het weekend beleven ga ik in mijn preken niet voorbij. Maar eerlijk is eerlijk: er zijn ook thema's waarvoor ik terugschrik en die onderbelicht blijven. Als voorbeeld noem ik het aan de orde stellen van vragen in verband met rijkdom en armoede, recht en gerechtigheid. Dat is een kernthema in de Schrift, dat geloof ik zeker, maar ik vind het moeilijk om daarop in te gaan in een samenleving die vastzit aan geld en goed. Ik besef dat het moet, maar hoe doe ik het op een integere manier? Ik ben ten slotte ook zelf een kind van deze tijd. Het is gemakkelijk om dingen te roepen, maar durf je te staan voor de consequenties van wat je zegt…? Kun je het waarmaken? Als u het mij vraagt, zouden we ook over dit soort zaken eens met elkaar in gesprek moeten gaan en niet alleen over thema's als gemeentebeschouwing en onderscheidenlijke prediking.

Vraag: In het verlengde van de vorige vraag: is ook de cultuurwaardering onder ons een punt dat scheiding maakt en dat zich meedeelt aan de prediking?
Als ik u goed begrijp, suggereert u dat er in de prediking verschillend wordt omgegaan met de hedendaagse cultuur. Ik herken dat. Ik heb dat bijvoorbeeld gemerkt op de laatste ambtsdragersconferentie in Amersfoort. Ik kwam het ook tegen in de serie artikelen ouer christelijk-gereformeerde prediking, die drs. J. M. J. Kieviet onlangs in De Wekker schreef. Er zijn collega's die ervan uit lijken te gaan dat Gods woord altijd en ouveral hetzelfde zegt en dus ook altijd en overal op dezelfde wijze gebracht moet worden. Daar zit natuurlijk een belangrijke kern van waarheid in. "Het woord van onze God houdt eeuwig stand", zegt Jesaja en in een wereld vol verandering merkt Prediker nuchter op: "Er is niets nieuws onder de zon!" Toch geloof ik, dat er altijd ook een interactie is tussen het woord van God zoals dat in de bijbel tot ons komt en de wijze waarop wij dat woord vandaag in onze omstandigheden lezen, uitleggen en toepassen. Die interactie moet er ook zijn, anders wordt de boodschap van de bijbel een algemene, tijdloze waarheid. Ik zei al hoe ik persoonlijk omga met deze interactie: ik probeer in mijn preken het gesprek aan te gaan met de Schrift en de traditie, maar ook met de actualiteit en de persoonlijke en maatschappelijke ervaringen van de hoorders. Dat is voor mij een voortdurende heen-en-weer-beweging. Vanuit de Schrift en de traditie kijk ik naar de cultuur en uanuit de cultuur kijk ik naar de Schrift en de traditie. Ik zeg het wel in die volgorde: de Schrift heeft altijd het eerste en het laatste woord. Maar ik mag daarin niet argeloos zijn. Ik lees die Schrift als 50-jarige dominee van de Christelijke Gereformeerde Kerk, in Nederland, in een postmoderne samenleving. Dat betekent, dat ik - zoals prof. G. D. J. Dingemans het ooit noemde - "hoorder onder de hoorders" ben. Ik kan eenvoudigweg niet anders dan de Schrift lezen, uitleggen en toepassen vanuit en met het oog op de hedendaagse cultuur. Ik ervaar dat als een spannend avontuur. Maar als ik buiten dat avontuur zou blijven en zou preken zoals er vijftig of honderd jaar terug gepreekt werd (als dat al kan!), dan zouden mijn preken relevantie missen.'

Dhr. Koole stelt in een volgende vraag terecht aan de orde dat er een tijd geweest is dat wij altijd precies wisten hoe God in concrete situaties denkt, overweegt, besluit en handelt en dat wij daar dan vervolgens absolute uitspraken over deden. Ik citeer: 'Overspoeld door nieuwe inzichten en door wat dagelijks aan seculiere wetenschap op de buis aan mensen voorbijtrekt of zich via internet presenteert, strookt bij niet weinig kerkmensen de geloofsbeleving niet meer met hun werkelijkheidservaring. Schieten daarom niet veel preken over die werkelijkheidservaring heen?', aldus de vraag. Ds. Van Langevelde erkent dat er voorheen in het spreken van de kerken nogal eens een stevige portie arrogantie doorklonk. Alsof wij het patent zouden hebben op waarheid en wijsheid. De tijd waarin wij terechtgekomen zijn maakt ons bescheidener en voorzichtiger.

'Als verkondiger en pastor meen ik, dat ik in het uitleggen en toepassen van het Woord uan God enerzijds vrijmoedig en vastberaden te werk mag gaan, maar anderzijds ook kwetsbaar en bescheiden. Ik ben als dienaar van het Woord aan niemand verantwoording verschuldigd dan alleen aan Hem, die mij zond. Ik moet dus zeggen - en dat wil ik ook - wat Hij mij naar mijn eerlijke overtuiging, op grond van mijn bestudering van de Schrift en geleid door de heilige Geest, wil laten zeggen. Daarin luister ik steeds ook naar de mensen tot wie ik het woord spreek en ik reken met de omstandigheden waarin ik het woord spreek. Maar uiteindelijk bepalen niet die mensen of de omstandigheden wat ik moet zeggen. Aan de andere kant mag ik niet doen alsof het in de bediening van het Woord om mij gaat en om mijn inzicht. Het gaat om het Woord. En de Heilige Geest is ook aan anderen gegeven in de gemeente, aan mensen uan vroeger en aan mensen van nu. Dus zal ik in het brengen uan het Woord ook altijd bescheiden zijn. Ik ben een mens van vlees en bloed en mijn inzicht is beperkt. Alleen samen met alle heiligen ben ik in staat te vatten hoe groot de breedte en lengte en hoogte en diepte is, en te kennen de liefde van Christus, die de kennis te boven gaat (Efeziërs 3 : 18 en 19).

Vraag: In dit verband tenslotte een vraag over de toenemende evangelische invloeden, zowel in de reformatorische kerken als in de rooms-katholieke kerk. Rond zijn eredoctoraat in Utrecht sprak de Belgische kardinaal Daneels er grote zorg over uit dat door die invloeden "emotie tegenover intellect" komt te staan. Ontstaat door die invloeden ook in onze kerken niet het gevaar van een zekere versimpeling, een vlucht daarin waarmee de vragen en problemen die vandaag op de kerk toekomen worden ontgaan?
Ik geloof, dat ik het wel eens kan zijn met kardinaal Daneels. De kerk kan zich niet staande houden tegenover ontwikkelingen in wetenschap en techniek als ze geen krachtig denkende mensen in huis heeft. Te vaak ontmoet ik mensen die met de kerkgebroken hebben omdat die kerk voor hun gevoel intellectualiteit en geloof tegenover elkaar plaatste. De vraag is trouwens of dat alleen de invloed is van de evangelische beweging. Er is in onze kerken altijd al een beweging geweest die huiverig was voor de wetenschap, ook voor de theologie, en die de "kennis van het hart" plaatste tegenover de "kennis van het hoofd". Zelf ben ik groot geworden met de overtuiging, dat wetenschap en vroomheid met elkaar verbonden moeten worden en ook kunnen worden. Ik ben dus blij, dat er in onze kerken mensen zijn die theologie willen bedrijven in de context van de moderne tijd. Overigens mogen we ons door de evangelische beweging wel laten stimuleren om in onze geloofsbeleving ook ruimte te geven aan emotie. Alleen maar op een rationele wijze het geloof beleven is ook eenzijdig.'

Over emotie gesproken. In Soteria (19e jaargang 2002 nr. 4) staat een boeiend verslag te lezen van de hand van drs. Gerrit C. Vreugdenhil over zijn werk als zendingspredikant in Chili. Er staat boven In het krachtenveld van Woord en Geest (Gedachten over de relevantie van een pinksterhermeneutiek in de Chileense context). Vreugdenhil werkt sinds september 1998 als docent Oude Testament namens de GZB aan de Theologisch Evangelische Faculteit van Chili. In Chili hebben de pinksterkerken grote aantrekkingskracht. Dat komt mede, aldus Vreugdenhil, door de verdiscontering van de eigen existentiële geloofservaring in de interpretatie van de Schrift, in prediking, geloofsleven en kerkdienst. De geloofservaring is ook een geldige openbaringscategorie. Koudwatervrees voor ervaring is misschien begrijpelijk, maar werkt wel verschraling in de hand. Vreugdenhil: Zonder geloofservaring vaart niemand wel. Het gaat me hier vooral om zijn evaluatie van de manier waarop Chileense pinksterchristenen de bijbel proberen te verstaan. Vanuit de constatering dat er ook in Nederland een hang is naar ervaring juist binnen de gevestigde kerken, reikt Vreugdenhil enkele punten aan die volgens hem van belang zijn in de bezinning op de verhouding Woord en Geest.

'In de eerste plaats zou ik willen wijzen op het belang van getuigenissen. Zoals al eerder is opgemerkt, is de Schrift (en de prediking) niet het centrum van de eredienst in de pinksterkerken. Het is een van de onderdelen van de liturgie. Minstens zo belangrijk zijn de liederen en de Geestesgaven. Ook getuigenissen zijn in de samenkomsten van de gemeente een belangrijk en vast onderdeel van de liturgie. De gelovige wordt de ruimte gegeven iets te vertellen van wat hij (of zij) heeft meegemaakt en waarin men de hand van God heeft opgemerkt. Het zijn vaak concrete gebeurtenissen die een venster vormen waardoor de overige mensen een kijkje wordt gegeven in het leven van deze of gene. Pinkstergelovigen zijn ervan overtuigd dat God is blijven spreken en handelen, en de getuigenissen maken dat zichtbaar. In een wereld waarin uitdrukkingen als "Ik ben gered door het bloed van het Lam, dat hing aan het kruis", in toenemende mate onverstaanbaar zijn geworden voor het merendeel van de mensen, kunnen getuigenissen mensen die niet of nauwelijks bij het evangelie en bij de kerk betrokken zijn, helpen een indruk te krijgen van wat het geloof waard is. Het feit dat men in eigen taal een concrete geloofservaring, daadwerkelijke hulp van God, een genezing, onder woorden brengt, lijkt me - en feitelijk functioneert het ook zo - voor de christelijke gemeente erg belangrijk. Zowel naar binnen als naar buiten toe. Naar binnen toe, in het midden van de gemeente, versterken ze de hoop en bevestigen dat de God die aanbeden wordt een levende God is. Naar buiten toe werken ze paradigmatisch, doordat ze een indruk geven van wat het geloof vermag. We hoeven op dit punt niet krampachtig te zijn over de inhoud van wat beleden wordt. We mogen immers vertrouwen dat de Geest de gemeente in alle waarheid leidt en de gemeente een dusdanig kritisch vermogen geeft, dat ze kan toetsen of het getuigenis echt is en in overeenstemming is met de bijbelse boodschap. Getuigenissen hebben wel een theologie nodig die de menselijke (geloofs)ervaring serieus neemt en er kritisch en constructief mee omgaat. Het gaat erom dat we het "hoort wat mij God deed ondervinden" systematisch en organisatorisch een plek geven in het geheel van het gemeenteleven.'

Wat me in genoemde gesprekken van Catherine Keyl met christenen opviel is de barrière van het taalveld. Binnen de kortste keren vervallen christenen in geheimtaal voor 'buitenstaanders'. En ik ben bevreesd: niet alleen voor buitenstaanders. Maar ook intern kunnen we ons niet genoeg afvragen of nog wel (geestelijk) verstaan wordt wat voor ons dominees vanzelfsprekend lijkt. Vreugdenhil merkt terecht op: Dreigt niet de ervaring van en met God een 'allerindividueelste expressie van een allerindividueelste emotie' te worden? Hooguit verstaanbaar en begrijpelijk voor een kleine groep tale Kanaäns-deskundigen? Waarom hebben we er vaak zoveel moeite mee om geloofservaring op een authentieke en eigentijdse manier te verwoorden, zo vraagt Vreugdenhil.

'Een ander punt is de vraag aangaande de zoektocht naar ervaring binnen de gevestigde kerken. Zou die zoektocht toch niet te maken hebben met een eenzijdige en grote nadruk op het Woord, op het "extra nos" karakter van het geloof, en is dat niet ten koste gegaan van het "in nobis", als vrucht van de Geest? Kan het zijn dat de pendel te veel op de pool van het Woord heeft gestaan en te weinig op de pool van de Geest?
Ik moet in dit verband denken aan verschillende meditaties in de Waarheidsvriend, waarin zozeer de nadruk gelegd wordt op de objectieve kant van het heil en van het geloof dat er voor de concrete ervaring van het geloof als vrucht van de Geest haastgeen ruimte meer overblijft. In de meditatie 'Het geloof van Jezus' schrijft ds. Geluk:
"Paulus stelt het objectieve werk van Christus in het licht. Hij trekt zich als het ware helemaal terug op wat Hij heeft gedaan. Hij deed alles voor ons. Hij gelóófde ook voor ons. Aan dit alles krijgen wij deel door ons geloof. In deze zin kunnen wij zeggen: wij geloven in Zijn geloof."
Hier wordt alles op de objectieve pool van het heil gegooid, van wat Christus voor ons gedaan heeft. Hij heeft zelfs voor ons geloofd. Het geloof als ons geloof is zo christo-centrisch geworden, dat er voor het geloof als vrucht van de Geest in ons nauwelijks geen ruimte meer is.
Het is mijn ervaring dat een prediking die sterk uitgaat van de objectieve heilsfeiten hier in Chili niet echt aanslaat. Het is alsof de prediking waarin de objectiviteit van het heil en van de bijbelse boodschap centraal staan, niet landen wil. Men vindt het misschien wel bijbels, maar toch te steriel. Gaat het wel over mijn leven en over mijn geloofservaring in het hier en nu? Het is dus belangrijk dat de bijbelse boodschap en het heil van God ingang vinden en landen in het hart van de gelovige, en dat het zijn (of haar) hele bestaan raakt. De ervaring van het geloof moet weerklank vinden in het dagelijkse leven van de gelovige. Als er geen enkele ervaring is van het geloof en van de aanwezigheid van God, dan is er duidelijk iets met het geloof aan de hand. De reformatorische traditie zou dan zeggen, dat het wezen van het geloof nu juist het feit is dat het geloof leeft van iets wat buiten de gelovige een realiteit is. Het geloof hangt niet af van ervaring, maar van de objectiviteit van het heil. Het is in zoverre waar, dat de waarde en waarheid van het geloof niet afhangen van de ervaring ervan. De Waarheid is in die zin niet subjectief. Toch kan ook hier de vraag gesteld worden of, als er geen geloofservaring is, het geloof dan nog wel echt is. Als het geloof gezien wordt als een relatie met God dan is ervaring een wezenlijk en noodzakelijk onderdeel van die relatie. Het is de verdienste van de (Chileense) pinksterkerken dat zij juist dit aspect hebben (herontdekt en vruchtbaar gemaakt in de interpretatie van de Schrift.'

Drs. Vreugdenhil sluit zijn analyse af met een opmerking die ons als kerken van belijdend-gereformeerde richting sterker dan ooit tevoren zou moeten aanspreken:

'Wat mij misschien wel het meest bijblijft van de pinksterhermeneutiek is het feit dat zij staat in het kader van een sterke missionaire bewogenheid. Als geen andere kerk in Chili zijn de pinksterkerken doordrongen van hun missionaire taak en roeping. De lezing en de interpretatie van de Schrift staan ten dienste van een gemeente die er is om anderen bij het heil in Jezus Christus te betrekken.'

Is veel van wat we zeggen en doen niet alleen voor intern gebruik? We roepen soms wel luid, ik betrap me er zelf tenminste soms op, dat we een woord voor de wereld hebben. Maar wanneer hoort de wereld dat woord dan? Bescheidenheid zou ons sieren en beslistheid hebben we tegelijk nodig.
J. MAASLAND

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 januari 2003

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Uit de pers

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 januari 2003

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's