Reactie op: Als de fusie een feit wordt
1. In dit eerste punt zegt het Comité een aantal diepe dingen. We belijden dit gezamenlijk. Mogen we dit ook over en weer beleven. Een belijdenis van schuld maakt ons klein voor en afhankelijk van God. Hoogmoed en trots verdwijnen dan. De belijdenis blijft niet aan de oppervlakte steken: Schuldig aan:
a. Afscheiding.
b. Schorsingen.
c. Dwalingen in de kerk.
d. Dwalingen in haar regelgeving.
Wat betekent dit concreet? Hoe krijgt deze schuldbelijdenis gestalte, dat is de vraag. We kunnen dit bovendien nooit losmaken van de belijdenis van zonden en tekorten bij onszelf, in onze eigen beweging, in ons eigen staan in de kerk. Dat is een onmisbaar element in de belijdenis van schuld. Bovendien spitst zich dat toe op de vraag waarom we hier niet de oerhervormde notie tegenkomen: 'Samen zijn we ziek geworden, samen verlangen we gezond te worden'. De notie van de verantwoordelijkheid voor de andere delen van de kerk ontbreekt. Priesterlijke bewogenheid over de gebrokenheid van de kerk. Daardoor zijn we bereid diep in de gebrokenheid te staan. Dat is, in deze verklaring helaas zoek. Dat is ook te merken uit het feit dat deze verklaring naar onszelf toe gericht is en de verantwoordelijkheid voor heel de kerk uit het oog dreigt te verliezen.
2. Op dit punt wordt een grote mate van overeenkomst duidelijk tussen het de weg van het hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond en de weg van het Hervormd Comité. Beide zoeken we getrouw te zijn aan Gods Waarheid. Beide willen de leringen die daartegen strijden verwerpen. Beide willen blijven bij de gereformeerde belijdenis. Beide hebben zeer ernstige bezwaren tegen de weg die de kerk in haar besluitvorming gaat. Beide achten wij dit een schadelijke weg. Het Comité gebruikt daarvoor de volgende formulering: '…dat deze zich helaas steeds verder afscheidt van het Woord van God'. Blijkbaar hebben de broeders hier bewust voor dit woord gekozen. Maar ze spreken niet over een 'totale afscheiding', maar over 'steeds verder afscheidend'. Daaruit blijkt hun voorzichtigheid. Die is zeer te waarderen.
In kerkorde en ordinanties zijn elementen opgenomen die naar onze diepste overtuiging niet met Gods Woord in overeenstemming zijn. Maar nog steeds ís de kerk volstrekt aanspreekbaar op artikel I-3 van de kerkorde. De kerk belijdt daar haar geloof in de drie-enige God 'in gehoorzaamheid aan de Heilige Schrift als enige bron en norm van kerkelijke verkondiging en dienst'. De kerk belijdt gehoorzaam te zijn aan de Heilige Schrift. Juist wij als hervormd-gereformeerden zijn geroepen de kerk daarop aan te spreken. En we zijn geroepen aan te wijzen waarop de kerk een weg gaat die met deze grondbelijdenis strijdig is. Daar zullen we de kerk op blijven aanspreken. Dit is een voluit gereformeerd element. En wat onopgeefbaar is geweest voor de kerk der eeuwen, zullen en mogen we niet opgeven.
3. Wat in punt 2 over de besluitvorming van de kerk wordt gezegd, wordt nu toegepast op de kerkorde. Het ernstige tekort van de voorliggende kerkorde wordt aangewezen en benoemd. Met een beroep op de Open Brief van de Gereformeerde Bond uit 1996 wordt gezegd dat de Protestantse Kerk niet langer gezien kan worden als 'de rechtmatige voortzetting' van de vaderlandse kerk. Vanwege elementen strijdig aan de Schrift, strijdig aan het gereformeerd belijden is de Gereformeerde Bond tot deze ernstige uitspraak gekomen. Dit geeft de diepe moeite en de intense bezwaren aan, die er binnen de kring van de Gereformeerde Bond leven als het over de nieuwe kerk en haar orde gaat. Maar, het alleen aanhalen van dit citaat is eenzijdig. In de eerste plaats omdat het hoofdbestuur in deze brief nergens heeft opgeroepen tot het bewandelen van een weg buiten de besluiten van de wettig verkozen ambtelijke vergaderingen. In de tweede plaats heeft de Gereformeerde Bond in datzelfde jaar nadrukkelijk uitgesproken dat hij het zijn roeping weet om nochtans in deze kerk op post te blijven. En om in het midden van de kerk de onopgeefbare waarde en de geestelijke kracht van de belijdenis uit te dragen, te verdedigen.
Bovendien heeft de Gereformeerde Bond in het bovenstaande citaat nooit aangegeven of zelfs maar de gedachte willen wekken dat gemeenten en groepen die achterblijven wel 'de rechtmatige voortzetting' zouden zijn van de kerk der vaderen. Gemeenten of groepen die achter blijven, zetten de vaderlandse kerk niet voort. Want dat is de kerk der vaderen voor wier behoud wij hebben gebeden en gestreden niet meer. Dat zullen losse gemeenten en groepen zijn. Hergroeperen zij zich vervolgens, dan hergroeperen zij zich tot een nieuwe kerk.
4. De verklaring spreekt over een kruispunt. Dat is naar onze overtuiging juist uitgedrukt. Het is een bijzonder kruispunt. De kerk der vaderen geeft veel, ontzaggelijk veel op. Maar, men kan niet zeggen dat ze breekt met haar belijdenis. Ze neemt haar belijdenis mee de nieuwe kerk binnen. 'De stukken liggen er nog'. Men moet hier eerlijk en zuiver over zijn. Hoeveel bezwaar we ook hebben, haar belijdenis neemt de kerk mee. Dat ze andere elementen toevoegt, is een andere, overigens érnstige, zaak. In het meenemen van haar belijdenis neemt ze ook een wezenlijk deel van haar geschiedenis mee, want wat is haar geschiedenis zonder haar belijdenis? In het meenemen van haar belijdenis neemt ze ook een deel van haar identiteit mee. Wat is haar identiteit als die niet in haar belijdenis ligt? En toch niet meer 'de iure en de facto' de grondslag van de gereformeerde kerk der Reformatie'? Nee, althans niet ongeschonden. Vanwege de toevoegingen. Bovendien vanwege de Leuenberger Konkordie en de Barmer Thesen. Wel geldt dat deze geschriften niet als belijdenis worden erkend. Maar los daarvan horen ze in een kerkorde voor een gereformeerde kerk niet thuis. Toch geeft deze geschonden grondslag ons geen vrijmoedigheid een andere weg te gaan. Wat geschonden is, kan hersteld worden.
5. Wat over de ambtsdragers wordt gezegd ten aanzien van de binding aan het Woord van God, is een schone, diepe gedachte. Zo staan ambtsdragers in dienst van de Koning der kerk. Daarbij geldt tegelijk dat we alles verwerpen wat daartegen strijdt. Op dit punt past verootmoediging voor God. Stonden we zo in de kerk? Hebben we in onze eigen kerk verworpen wat daarmee strijdig was? Hoe zuiver en krachtig was ons getuigenis. Nu is dat natuurlijk geen argument om te zeggen dat we vervolgens in de toekomst een onzuivere leer wel mogen accepteren. Dat is hier geenszins de bedoeling. Ook in een nieuwe situatie blijven we staan voor Gods waarheid, Gods wet en evangelie. Al zou de hele wereld, de hele kerk zich daartegen keren. Onze God geve ons die geloofsmoed. Onze woorden zijn vaak goed, onze kracht is zo klein. 'Wij kunnen slechts die besluiten naleven en uitvoeren die niet in strijd zijn met Gods Woord', zegt deze verklaring. Ja, dat is waar. Dat is de diepste intentie van ieder christen. De gehoorzaamheid aan het Woord, aan de God van het Woord. Welke besluiten moet ik echter uitvoeren die tegen Gods Woord zijn? Het is mogelijk om doopleden geen stemrecht toe te kennen, hen niet in de gelegenheid te stellen om tot ambtsdrager te worden verkozen, aan het avondmaal alleen de belijdende leden te nodigen, uitsluitend een huwelijk van man en vrouw dat voor de overheid gesloten is in te zegenen. We zijn geroepen zeer zorgvuldig te formuleren.
De conclusie spreekt uit dat kerkorde met inbegrip van ordinanties niet aanvaardbaar is. Dat is ook de reden waarom het hoofdbestuur zich voortdurend gericht heeft tegen de voorliggende kerkorde en zich keert tegen de fusie. Sinds 1951 zijn hervormd-gereformeerden niet dankzij maar ondanks de hervormde kerkorde op hun plaats gebleven. Dat geldt voor de toekomst evenzeer.
6. Het laatste punt roept voor ons vragen op. 'Blijven onder de kerkorde van de Nederlandse Hervormde Kerk', die kerkorde die het apostolaat voor het belijden heeft gezet? Waarvan onze vaderen voortdurend hebben gezegd: 'Dit is principieel onjuist'. Men suggereert hiermee dat men als groepen en gemeenten die buiten de verenigde kerk komen, weer een kerkverband sticht. Want de hervormde kerkorde is geen orde voor een gemeente, maar één voor een kerk, met een synode (die onder andere zorg draagt voor 'de opleiding en vorming van de Dienaren des Woords'), met classicale vergaderingen, met 'een seminarium der kerk'. De kerkorde spreekt verder over: generale financiële raad, commissies voor de behandeling van bezwaren en geschillen, er is sprake van deelnemen aan de oecumenische arbeid in Nederland en in de wereld, er is sprake van het zoeken en onderhouden van 'nauwere betrekkingen met Kerken, waarmede zij door bijzondere banden van belijdenis of van geschiedenis verbonden is'.
In het bovenstaande geven wij slechts enkele voorbeelden die met vele zouden zijn aan te vullen. Deze voorbeelden geven aan dat het uitermate moeilijk, zo niet onmogelijk is om bovenstaande uitspraak te verdedigen. Kerkrechtelijk is het zo dat de Hervormde Kerk bij de fusie voortgaat in de nieuwe kerk en daarom niet wordt opgeheven. En dus kan ze ook niet ergens anders worden voorgezet.
De vraag is verder wat 'niet meegenomen worden' betekent. Dat betekent een breuk met de kerk, dat betekent dat er opnieuw scheuren door de kerk, door de gemeenten, door families en gezinnen lopen. Wie zich heeft verdiept in de geschiedenis van kerkscheuringen, heeft ontdekt hoe diep dat ingrijpt. Wij doen in verbondenheid een dringend beroep om bovenstaande aspecten opnieuw te overwegen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 januari 2003
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 januari 2003
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's