De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Verworvenheden loslaten

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Verworvenheden loslaten

LICHT OP DE KERK [13]

7 minuten leestijd

Is onze gehoorzaamheid constituerend voor het kerk-zijn? Het is Een vraag die je niet zomaar met 'ja' of 'nee' kunt beantwoorden. Vanuit het geloof in de Schrift gezien, is gehoorzaamheid aan Gods wet- en regelgeving vereist. Ongehoorzaamheid roept de toorn van God op. Vanwege Sauls ongehoorzaamheid bijvoorbeeld scheurde God het koninkrijk van hem af. Er was geen houden meer aan. Zelfs werden Samuëls gebeden afgesneden. (1 Sam. 15, 16 : 1)
Toegespitst op de situatie waarin onze Hervormde Kerk verkeert, moeten we constateren dat vele pogingen, gepaard met vele gebeden, ons nederlaag op nederlaag brachten. Macht en getal zijn ons uit handen geslagen. Bewijs van doorgaand oordeel van God? Ik durf het niet zonder meer te poneren, al betreuren wij de gang van zaken diep. Het vraagt wel grote opmerkzaamheid.
Recht overeind blijft intussen: 'Indien zijn kinderen Mijn wet verlaten, en in Mijn rechten niet wandelen; indien zij Mijn inzettingen ontheiligen, en mijn geboden niet houden'; (wie durft beweren dat, gezien de regelgeving op belijdenis-, kerkordelijk en ethisch niveau die afwijking niet plaatsheeft?) 'zo zal Ik hun overtredingen met de roede bezoeken en hun ongerechtigheid met plagen'. Dat wel!
Maar constituerend voor het bestaan of voortbestaan van de kerk is ten diepste Gods verbond en trouw en niet onze gehoorzaamheid. Wat betekent anders: 'Maar Mijn goedertierenheid zal Ik van hem niet wegnemen en in mijn getrouwheid niet feilen. Ik zal Mijn verbond niet ontheiligen, hetgeen uit Mijn lippen ging, zal Ik niet veranderen?' (zie Psalm 89 : 31-35) U bestempelt dit toch niet als een vrijbrief om uw eigen gang te gaan of te denken: het loopt bij God zo'n vaart niet? Het tegendeel is waar. Dwaalt niet, God laat Zich niet bespotten. Als kerk(en) van Nederland zakken we steeds dieper weg in godsvervreemding en eigenzinnigheid. Wee onzer, dat wij zo gezondigd hebben!
Lijden we nu echt aan dit tastbare oordeel van God over de kerk? We mogen zeker niet zeggen dat we met de gehoorzaamheid die van ons geëist wordt, een loopje kunnen nemen. In de geloofsgehoorzaamheid leren we voor Gods straf beven, tegelijk leren we ons in alle ootmoed vastklemmen aan Gods verbondstrouw, die wel samenhangt met maar niet afhangt van onze verbondsgehoorzaamheid. Gods verbondstrouw is de enige constituerende factor, die de kerk in stand houdt. Hij is een God, die de dingen die niet zijn, roept alsof zij waren.

Gehoorzamen buiten de kerk?
Stel dat we zouden zeggen, - en het wordt gezegd - dat we door God te gehoorzamen, ons wel niet bewust afscheiden, maar in ieder geval buiten de kerk komen te staan: is daarmee alles gezegd? Zijn we dan vrij van de zonden en gebreken van de kerk, waar we óf geen plaats meer in hebben óf geen plaats meer in willen (kunnen) nemen?
Ik zou willen vragen: ontbreekt het ons in dat geval aan schuld? Was er toen wij belijdenis deden, toen wij ons ambt aanvaardden, toen wij trouw beloofden, niet van alles mis in onze Hervormde Kerk? Vonden we het voldoende dat de grondslag goed omschreven was en formeel, kerkordelijk, op haar plaats stond, maar diezelfde grondslag met voeten getreden werd? Hebben we een oogje dichtgeknepen, terwijl de kerk niet weerde wat haar belijden weersprak? Konden we toen wel met een beroep op de trouw van Gods verbond blijven, waar we door God geroepen waren en nu niet meer? Schoten we toen niet tekort in beginselvastheid, uit gebrek aan gehoorzaamheid? Waren we onderling niet meer verdeeld - ook binnen onze eigen kring - dan we dachten? Beleden we daar al schuld over? Hebben we in sommige sectoren van onze hervormd-gereformeerde beweging elkaar niet allang eerder afgeschreven, hoewel we beweerden op dezelfde grondslag te staan en over en weer kansels voor elkaar gesloten?
Als u het mij vraagt, zal eerst de schuld voor Gods aangezicht binnen de kerk en tegenover elkaar vereffend moeten worden, eer we het recht claimen om buiten de kerk gehoorzaam te zijn. En wanneer het waar is 'dat we ons mede schuldig weten aan de dwalingen, die thans in de kerk zelfs in haar regelgeving een plaats krijgen en waar wij in het kader van het SoW-proces in verhevigde mate mee geconfronteerd worden en ons 'nee' tegen Samen op Weg niet voortkomt uit een houding van zelfgenoegzaamheid' (zie de door het Comité tot behoud van de Hervormde Kerk geformuleerde uitgangspunten) hoe vullen we dan het 'Gode meer gehoorzaam zijn dan de mensen' in? Door achter te blijven terwijl we over de breuk van de kerk spreken en naast de breuk gaan staan? Nee, we pretenderen niet dat we profeten zijn, maar moeten we dan de toekomstig kerk zonder profetisch woord laten zitten, waar we van zeggen dat we er ons op beroepen en waarvan we beweren dat we het spreken? Of heeft dat niets met het Gode gehoorzaam zijn te maken, maar dan gehoorzaam op basis van het geloof? Wanneer we bereid zijn deze vraag voor God en het forum van Zijn gemeente onszelf te stellen, dan is het niet zo gemakkelijk maar wel geboden, bevestigend te antwoorden op de laatste vraag, die mij werd aangereikt: Kunnen we de Heere ook gehoorzamen binnen een eventueel verenigde kerk?

Geloofsconclusie
Wanneer ik mij Mozes voorstel die van God de kans kreeg, om stamvader van een nieuw volk te worden, omdat God naar Zijn zeggen het zat was, en hij toen zei: 'HEERE, wat zult U dan met Uw grote naam doen?', waarmee hij het hem verleende mandaat van de hand wees…
Als ik zie dat God in de dagen van Elia een overblijfsel had, niet een 'rest' op grond van Israëls gehoorzaamheid, maar naar de verkiezing der genade… Als ik lees dat de Heere onder meer in de dagen van Josafat, de koning van Juda, die 32 jaar in de wegen van Achab wandelde, het huis van David niet wilde verderven om des verbonds wil, dat Hij met David gemaakt had, hem en zijn zonen te allen dage een lamp te zullen geven (2 Kronieken 21 : 7)…
En God door alle eeuwen van geestelijke duisternissen, verval en afval heen, die lamp brandend heeft gehouden, totdat de Zon der gerechtigheid verscheen…
Als ik mij verdiep in de worstelingen van Gods profeten en ze hoor spreken: 'Heere, HEERE, wie zal er van Jacob blijven staan?' (Amos).
Of de heftige geloofsworstelingen, op leven en dood, van een man als Jeremia op me in laat werken…
Verdiep u er maar in! U zult ontdekken dat deze Godsman, die driemaal achtereen in zijn gebed voor het schuldige volk door de Heere Zelf kras en cru was afgewezen (Jer. 7 : 16; 11 : 14; 15 : 1), heilig ongehoorzaam aan Gods: 'Bid niet meer voor dit volk', in geloofsgehoorzaamheid bleef doorbidden, en zó, als door de dood heen, Gods verbond opnieuw tot leven zag komen, omdat God gezegd had: Ik heb u (Israël) liefgehad met een eeuwige liefde.
En als God, die Zelf op het punt staat de tempel te verlaten, maar haar nog niet verlaten heeft en Ezechiël op zijn post houdt in het dal van dorre doodsbeenderen, met het herhaalde: Profeteer, mensenkind…
Mogen we dan uit al deze genoemde en nog veel meer ongenoemde voorbeelden, de geloofsconclusie trekken dat zolang God ons nog geen mandaat verleent een andere weg in te slaan, het geboden is geloofsgehoorzaamheid te beoefenen op de geestelijke puinhopen? Heere, maak ons zo gehoorzaam dat waar alles ons uit handen valt, te blijven geloven in Uw onbezweken trouw… ook voor Uw Kerk. Het kon wel eens betekenen: alle verworvenheden loslaten, alles uit handen geven en onvoorwaardelijk hopen op het heil des Heeren. Indien men echter meent dat men niet moet buigen voor een synode, maar voor Christus, dan hoeft men ook de kerkelijke goederen niet veilig te stellen, noch behoefte te hebben aan slechts een administratieve binding met de eventueel gefuseerde kerk.
Ik sluit af met een citaat van Groen van Prinsterer, die berekening van de uitkomst afwijst en zegt: 'Gehoorzaamheid, niet de vrucht der gehoorzaamheid, is het offer dat van ons verlangd wordt. (…) De doodsvijand heeft geen burgerrecht.' En met die doodsvijand bedoelt hij het ongeloof. Aan ons de taak om het hart der kinderen tot de vaders weer te brengen.
H. VISSER, BARNEVELD

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 januari 2003

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Verworvenheden loslaten

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 januari 2003

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's