Globaal bekeken
Bewondering voor Saddam Hoessein? Con Conglin, auteur van Saddam – 'Biografie van een dictator' (uitgave Het Spectrum, Utrecht) heeft 'enige bewondering' ziende op zijn afkomst. Het boek begint zo:
'Saddam Hoessein heeft een harde en arme jeugd gehad. De man die een van de machtigste Arabische leiders van de moderne tijd zou worden, is afkomstig uit een arm dorp dat aan de oever van de Tigris niet ver van de provinciestad Tikrit ligt, in een van de meest onherbergzame streken van het land. Hij werd al vroeg wees en trok in bij familieleden die voor zijn opvoeding en onderwijs zorgden. Er is geen diepgaande psychologische kennis voor nodig om te kunnen bedenken welk effect deze omstandigheden op de ontwikkeling van het kind gehad moeten hebben. Net als Hitler en Stalin, de twee grote tirannen van de 20e eeuw die ook na een jeugd die weinig goeds beloofde, de absolute macht in hun handen grepen, zou Saddam na zijn jeugd waarin hij veel tekort kwam de onbetwistbare heerser van Irak worden. De schaamte voor zijn eenvoudige afkomst werd de drijfveer van zijn ambitie terwijl een diepgeworteld gevoel van onveiligheid, dat hij ontwikkelde tijdens een jeugd waarin hij dan weer hier, dan weer daar woonde, ervoor zorgde dat hij later in zijn leven niemand meer vertrouwde – inclusief zijn eigen familie. Tegen de achtergrond van de ongelukkige jeugd verdient Saddam enige bewondering voor het feit dat hij de schijnbaar onoverkomelijke sociale hindernissen heeft weten te overwinnen om de top van de politieke piramide van Irak te bereiken. Saddam is geboren in Al-Ouja, 'de bocht', een dorp dat zo genoemd is omdat het aan een scherpe bocht van de Tigris ligt, acht kilometer ten zuiden van Tikrit, midden in Noord-lrak. Het dorp was toen niet meer dan een groepje hutten van modder en de inwoners leefden in grote armoede. Van voorzieningen als stromend water, elektriciteit en bestrating hadden ze daar nog nooit gehoord; er woonden wel enkele rijke landeigenaren in de buurt, maar de dorpelingen hadden niets. De kindersterfte lag hoog en overleven was voor velen een dagtaak.'
Een wereldbekend man van geheel andere allure was de filosoof Moses Mendelssohn. Amos Elon begint met hem zijn boek Duitsland en zijn joden (uitgave Meulenhoff, Amsterdam):
'In de herfst van 1743 meldde een veertienjarige jongen zich bij de Rosenthaler Tor, de enige poort in de stadsmuren van Berlijn waar joden (en vee) doorheen mochten. Hij kwam uit zijn geboortestad Dessau, zo'n honderdvijftig kilometer naar het zuidwesten gelegen in het soevereine vorstendom Dessau-Anhalt. Hij had een dag of vijf, zes moeten lopen door het heuvelachtige landschap van de mark Brandenburg om in de Pruisische hoofdstad te komen.
Of hij schoenen aanhad vertelt het verhaal niet; de kans is groter dat hij op blote voeten liep. De jongen, die later in heel Europa beroemd zou worden als de filosoof Moses Mendelssohn, was mager, ziekelijk en klein voor zijn leeftijd. Zijn armoedige jeugd was af te lezen aan zijn magere armen en benen, bovendien had hij een bochel en stotterde hij hevig. De bochel kan het gevolg zijn geweest van een genetische afwijking (volgens moderne medische handboeken komt deze misvorming in haar ernstigste vorm het meest voor onder joden van Oost-Europese afkomst en gaat ze dikwijls gepaard met stotteren). Maar ook rachitis, een door vitaminegebrek veroorzaakte kinderziekte waardoor het beendergestel broos wordt en vergroeit, kan de oorzaak zijn geweest. Wie de jongen zag "moest wel buitengewoon harteloos zijn om geen medelijden met hem te krijgen", aldus een tijdgenoot. Toch had hij een heel aantrekkelijk gezicht. Onder het mooi gewelfde voorhoofd lagen een paargevoelige, levendige ogen en ook zijn neus, wangen, lippen en kin waren fijn gevormd.
De jongen had nauwelijks een cent op zak en reisde alleen, met zijn schamele bezittingen in een pukkel op zijn gebochelde rug. In 1743 was de bewegingsvrijheid van joden – onder wie zich veel marskramers bevonden – aan strikte regels gebonden. Een beperkt aantal vermogende joden (en een enkele geleerde) mocht zich in Berlijn vestigen. Marskramers echter werden geweerd. Joden die toegang tot de stad vroegen, al was het maar voor een paar dagen, werden uitvoerig ondervraagd over hun herkomst en doel. En als ze werden doorgelaten, dan werden ze verzollt, dat wil zeggen dat ze een invoerrecht moesten betalen, zoals voor koopwaar, dat even hoog was als voor een Poolse os. De poortwachter had de opdracht "alle aankomende joden aan te geuen, hen in de gaten te houden en buitenlandse joden te verwijderen". Onder de verlichte despoot Frederik II (later bekend als "de Grote") was Pruisen nog relatief tolerant in vergelijking met de meeste andere Duitse staten. Toch werden ook daar verreweg de meeste joden (en alle lijfeigenen) officieel niet als volwaardige mensen beschouwd. Zo vermeld het poortwachtersboek van 1743, het jaar dat Mendelssohn bij de stadspoort stond: "Vandaag passeerden zes ossen, zeven varkens een een jood". Van het verhoor waaraan hij werd onderworpen, bestaan meerdere versies. Volgens de ene vroeg de poortwachter, die hem aanzag voor een marskramer, plagend: "Jood, wat verkoop je? Misschien dat ik iets van je wil kopen". Mendelssohn zou geantwoord hebben: "Van mij zult u nooit iets willen kopen". "Voor den dag ermee! Waar handel je in?" drong de poortwachter aan. "In de r–ede!" stotterde de jongen. Volgens een andere versie werd hem gevraagd wat hij in Berlijn kwam doen. Zijn antwoord: "Leren".'
Een lezer stuurde een fragment uit een van de band opgenomen dankstondpreek, die ds. L. Kievit in 1970 hield in Gouda.
'(…) na de februariramp, hoe lang is dat nu alweer niet geleden, moest ik dankstond voor het gewas houden in Nieuwe-Tonge. Toen zat ik daar in de tram van Rotterdam uit en ineens dacht ik: in Nieuwe-Tonge daar is natuurlijk niets gegroeid. Daar is alles overstroomd. Daar waren ook ik meen ik de meeste slachtoffers. Ik weet wel dat ik die consistorie binnenkwam en allemaal broeders in de rouw zag, met de zwarte das voor. En een beetje bedrukte stemming. Toen zei ik: "Broeders, nu moet ik hier dankstond voor het gewas komen houden en er is geen gewas geweest… he?" Toen was er een ouderling die zei: "Nee dominee, maar dat is ook weleens goed. Wij dachten altijd: die stadsmensen – zei die eenvoudige boer – die moeten van het werk van onze handen leven en ze kijken nog op ons neer ook. Nu hebben wij niets om handen gehad en we hebben tóch gegeten. Wilt u daar vanavond maar voor danken"? Die man ontdekte ineens iets, dat hij in heel zijn boerenbestaan nog nooit had ontdekt. Dat hebben we toen gedaan…'
V.D.G.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 januari 2003
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 januari 2003
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's