De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Graaf- en spitwerk

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Graaf- en spitwerk

BELIJDENIS EN VERBOND [I]

8 minuten leestijd

Komende week verschijnt bij uitgeverij Boekencentrum te Zoetermeer een publicatie van het hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond over de vraag wat in de gereformeerde traditie bepalend is geweest voor het wezen van de kerk (de ecclesiologie). Over die vraag wordt verschillend gedacht. Om een voorbeeld te geven: de wijze waarop in de Rooms-Katholieke Kerk over het kerk-zijn wordt gedacht, verschilt hemelsbreed van de wijze waarop dat in de evangelische beweging gebeurt. Te midden van de diverse opvattingen over het kerk-zijn is er het eigen standpunt van het gereformeerd protestantisme, zoals zij -luisterend naar de Schriften- hiertoe gekomen is. Dat standpunt is vandaag aan de dag van groot belang in verband met de kerkelijke ontwikkelingen rondom SoW. Daarbij is vooral belangrijk hoe de Gereformeerde Kerk in ons land, in navolging van de reformatoren, met name Calvijn, zichzelf als kerk heeft gezien. Wat zag zij als bepalend voor haar kerk-zijn, zowel als het gaat om de grondslag als om haar leven als kerk.

Kerkhistorische commissie
Het hoofdbestuur benoemde in 1997 in het verlengde van het zogenaamde Breed Beraad -een overlegplatform waarin nagedacht werd over de koers van de kerk- een commissie, die de opdracht kreeg te onderzoeken hoe deze dingen in de Gereformeerde Kerk en later in de Nederlandse Hervormde Kerk in ons land werden gezien. De commissie bestond uit drs. M. A. van den Berg, drs. C. Blenk, prof. dr. C. Graafland, dr. W. J. Op 't Hof, prof. dr. A. de Reuver en ondergetekende. De toegespitste opdracht die de commissie kreeg, was: na te gaan op welke wijze het verbond en de belijdenis in de Gereformeerde/Hervormde Kerk in ons land hebben gefunctioneerd en hoe de verhouding tussen die twee is geweest. Dat was geen geringe, wel een heel boeiende en spannende opdracht.
Wij zijn als commissie aan het werk gegaan en volgden de volgende procedure. Aan de kerkhistoricus dr. W. J. op 't Hof werd gevraagd een eerste stuk te schrijven, waarin de hoofdlijnen inzake de verhouding verbond en belijdenis werden aangegeven. Wij namen - historisch bezien - ons startpunt bij Calvijn, de reformator van Genève, en ondernamen van daaruit een zoektocht vanaf het ontstaan van de Gereformeerde Kerk in ons land in de zestiende eeuw tot aan de vlak achter ons liggende periode in de twintigste eeuw. Dr. Op 't Hof heeft eerst een concept geschreven. We zijn hem dankbaar voor al het 'graaf- en spitwerk' dat hij daarvoor heeft verricht. Vier jaar lang kwamen we als commissie regelmatig bijeen en we bespraken dan telkens een gedeelte van het stuk van Op 't Hof. Dat waren spannende vergaderingen, waarin ieder kon inbrengen wat hij wilde. Soms botsten de meningen. We kwamen er ook niet altijd uit. Maar we zochten dan net zolang tot we een consensus hadden gevonden. Dr. Op 't Hof herschreef dan het stuk of iemand anders nam dat voor zijn rekening. Zo kon het werk uiteindelijk resulteren in het rapport getiteld Belijdenis en verbond, Ecclesiologie in de gereformeerde traditie.

Belijdenis en verbond
Ik wil nu eerst iets zeggen over de vraag waarom ons historisch onderzoek zich toespitste op de plaats van belijdenis en verbond in de Gereformeerde/Hervormde Kerk. Het maakt namelijk voor de praktijk van het kerk-zijn nogal wat uit of men het kerk-zijn primair benadert vanuit de belijdenis of vanuit het verbond.
Laten we eerst eens zien wat het betekent dat we het kerk-zijn vooral benaderen vanuit de belijdenis. Bij de belijdenis denken we aan de gereformeerde belijdenisgeschriften. Denkend vanuit de belijdenis is het dan van groot belang dat de kerk spreekt en handelt in overeenstemming met haar belijdenis. Het spreken en handelen van de kerk dient dan ook voortdurend getoetst te worden aan haar belijdenis. Kan de kerk deze toets niet doorstaan, dan overschrijdt zij de grenzen van het kerk-zijn en moet zij door middel van de tucht teruggeroepen worden.
Wat voor de kerk als geheel geldt, geldt vanuit deze benadering ook voor haar leden. Wanneer is men lid van de kerk? Als men het geloof belijdt in overeenstemming met Schrift en belijdenis. De zichtbare kerk, de plaatselijke gemeente bestaat dan ook uit de belijdende leden. Kerk-zijn vanuit de belijdenis wordt derhalve door twee pijlers gedragen: de belijdenisgeschriften en de persoonlijke geloofsbelijdenis van de lidmaten.
Maar nu het tweede: kerk-zijn vanuit het verbond. Dan benaderen we het kerk-zijn vanuit Gods belofte. Dat God Zijn heil in Christus toezegt aan zondige, schuldige mensen, is dan constituerend voor het kerk-zijn. Dat brengt met zich mee dat de grenzen van het kerk-zijn minder scherp zijn aan te geven. Hoever reikt de trouw van God? Dat kunnen we niet aangeven. We kunnen wel zeggen dat de trouw van God verder reikt dan de (on) trouw van ons mensen. Wie over de kerk vanuit het verbond denkt, komt dan ook uit bij een ander antwoord op de vraag wie tot de zichtbare kerk behoren. Zijn dat alleen de gelovigen, die hun geloof hebben beleden, of zijn dat bijvoorbeeld ook hun pasgeboren kinderen, die het geloof nog niet beleden hebben? Vanuit het verbond bezien behoren deze kleine kinderen ook tot de kerk. Reden waarom zij als lidmaten van Gods gemeente gedoopt worden. Nu is het natuurlijk niet zo dat deze beide uitgangspunten een tegenstelling vormen. De Gereformeerde/Hervormde Kerk is nooit alleen maar uitgegaan van de belijdenis of alleen maar van het verbond. Wie alleen maar uitgaat van de belijdenis, doet te kort aan het primaat van Gods verbondshandelen in het kerk-zijn. En wie alleen maar uitgaat van het verbond, doet geen recht aan de noodzaak van het antwoord op het verbond, de inwilliging ervan door geloof en bekering. Wel is het zo dat in de praktijk beide uitgangspunten in een spanningsvolle verhouding tot elkaar kunnen staan. Dat hebben we als commissie ook gemerkt. Dat bracht meteen ook de theologische spanning in onze beraadslagingen aan.

Uitgangspunten
Toen we ons werk begonnen, hebben we ons afgevraagd welke uitgangspunten voor onze bezinning van belang waren. Ik noem de belangrijkste. Ons onderzoek moest zo objectief mogelijk zijn, louter historisch van aard. We waren ons bewust van het feit dat dat niet eenvoudig is, omdat men de feiten die men tegenkomt, verschillend kan interpreteren. Maar we spraken af, elkaar en onszelf in een open sfeer daaraan te houden. Vervolgens was het voor ons belangrijk dat we zoveel mogelijk uitgingen van primaire bronnen: kerkorden, acta enz. We wilden ons zo weinig mogelijk laten leiden door secundaire literatuur, omdat deze literatuur onze eigen zoektocht zou kunnen beïnvloeden. Wel stelden we vast dat de teksten die we bestudeerden, gezien moesten worden in de godsdienstige en maatschappelijke context van hun tijd. Ten derde spraken we af dat we ons beperken zouden tot de bronnen die betrekking hadden op de visie van Calvijn en de praktijk van de Gereformeerde kerk in Genève én de geschriften van confessionele en kerkordelijke aard in de Gereformeerde Kerk in ons land.

Het onderzoek
Zoals gezegd is de studie die we ondernamen een spannende speurtocht geworden. Soms konden we het spoedig met elkaar eens worden. Maar dat was lang altijd niet het geval. Er waren tal van knelpunten die de bestudering en de conclusies bemoeilijkten. Ook hiervan noem ik enkele voorbeelden. Ten eerste: het kwam nogal eens voor dat de bronnen zelf geen eenduidig beeld te zien gaven. Er bestond nogal eens verschil tussen formuleringen in geschriften van belijdende aard, zoals de liturgische formulieren, én geschriften van kerkordelijke aard, zoals acta van kerkelijke vergaderingen. Dat levert de vraag op: van welke kant moet men de gegevens benaderen? Moet men de geschriften van kerkordelijke aard uitleggen vanuit de geschriften van belijdende aard of andersom of nog anders? Ten tweede was het niet eenvoudig om geheel onbevooroordeeld de bronnen te laten spreken. Je komt telkens voor de vraag te staan: hoe interpreteer je de gegevens die je leest? Dan is het lastig om ervoor te zorgen dat je eigen vooronderstellingen niet meespelen. Dat geldt vooral voor de gegevens in de periode die vlak achter ons ligt. Verder was het soms ook moeilijk om vast te stellen in hoeverre de situatie waarin de Gereformeerde Kerk zich bevond, de teksten heeft beïnvloed. Dragen de kerkordebepalingen, zoals die bijvoorbeeld op de synode van Middelburg in 1581 of van Den Haag in 1586 zijn aangenomen, de sporen van een compromis, vergeleken met de kerkorde van Micron van de Hollandse vluchtelingengemeente te Londen (1554)? Ook konden we er soms niet goed achter komen hoe het precies zat met de plaats van de belijdenis in de negentiende eeuw. Onder de 'belijdenisgetrouwen' was de waardering van de Dordtse Leerregels toen niet gelijk. En waarom bleef men nu precies in de Hervormde Kerk, als het ging om belijdenis en verbond? Er zijn dan ook momenten geweest dat er geen echt harde conclusies getrokken konden worden. We hebben dat in ons geschrift aangegeven.

Afronding van de studie
Toen we klaar waren met ons werk, hebben we enkele deskundigen 'van buiten' gevraagd om het geheel kritisch te bezien. Daarna is het stuk aangeboden aan het hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond. Het bestuur heeft het op zijn beurt ook besproken, wat in januari 2002 resulteerde in een slotgesprek tussen enkele vertegenwoordigers van het bestuur en de commissie. De nodige aanvullingen en wijzigingen zijn toen nog aangebracht, waarna aan uitgeverij Boekencentrum te Zoetermeer werd gevraagd om het uit te geven. Dat gebeurt dus dezer dagen.
In een volgend artikel hoop ik dieper in te gaan op de inhoud van deze uitgave.
W. VERBOOM, WADDINXVEEN

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 februari 2003

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Graaf- en spitwerk

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 februari 2003

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's