De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Globaal bekeken

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Globaal bekeken

6 minuten leestijd

Onder de vele verhalen, die rondom 1 februari in allerlei bladen verschenen bij de terugblik op de watersnoodramp van 1953, trof ik het volgende fragment in een artikel, vrij ontleend aan het boek van K. Norel Houen jongens:

'Het is haast niet te geloven maar in die nacht van zondag 1 februari 1953 voelen de twee schooljongens Aart en Lijn tot hun grote schrik, dat er beweging zit in de zware steunberen. Deze oersterke bouwsels staan aan weerskanten uan de dijkdoorlaat van Colijnsplaat. In de uitsparingen kan een schot van dikke vloedplanken worden geplaatst als het water van de Oosterschelde te hoog komt te staan. Aart en Lijn hebben dat nog nooit meegemaakt maar in deze nacht, in het schijnsel van enkele lantarens, zien ze mannen van de dijkwacht bezig om het schot te plaatsen.
Terwijl het schuim hen om de oren vliegt maken ze het schot hoger en hoger door er nog een plank op te zetten, en nog een…
De jongens, die door het bulderen van de storm wakker zijn geworden en uit hun warme bed zijn gekropen, klimmen op een hek vlak achter het vloedschot en kijken over de wering heen. Het water slaat hen in het gezicht en de wind snijdt hen de adem bijna af.
Het is een angstig gezicht - dat woeste water en dat kolkende schuim in het rossige licht van de lantaarns, die er middenin staan. De havendammen zijn verdwenen en de golven rollen met grote kracht tegen de vloedplanken.
"Opzij jongens!", schreeuwt een mannenstem.
Net op tijd springen ze aan de kant, een zware roller beukt het schot. Achter het schot stroomt het water weg, de Voorstraat in.
Al de mannen voldoen aan het bevel van de meester: de bakker en de dominee en de postbode en een paar vissers. Ze staan naast elkaar, met de rug tegen de planken. "Jullie ook!" roept de meester naar de jongens. Ze springen toe. De meester met zijn lange Iijf kan boven het schot uitzien.
"Daar komt er weer één. Houen, jongens!"
Meer dan dertig ruggen duwen met alle macht tegen de planken. De golf beukt tegen het schot, krult en stort omlaag. Het water plenst op de mannen neer. Aart en Lijn happen naar adem. "Houen, jongens", roept de meester weer. En opnieuw krommen zich de ruggen, weer vangen ze de stoot op en weer krijgen ze een stortbad. Ze krijgen blauwe plekken op hun schouders van de klappen. En nog zijn de planken er niet. 'Help mee!", roept de meester naar de mensen die uit alle huizen naar de bedreigde plaats komen. "Duw de anderen maar op." Het wordt een levende muur, vier rijen dik en honderdvijftig koppen sterk.
De golven worden zwaarder en de slagen harder. De oude dokter zit op een stoep te hijgen. Zal de zee het toch gaan winnen?
En dan schuift er plotseling uit de kolkende watermassa een enorm donker gevaarte op het vloedschot aan. Het lijkt een monster dat opduikt uit de woeste zee.
Daar komt opnieuw een roller. "Opzij!", wordt er weer geschreeuwd.
De jongens duiken weg achter de steunbeer. Die beer zit hoog en sterk. Daar zitten ze veilig. Maar wat gebeurt er dan? Voelen ze beweging? Wankelt de beer onder het geweld van het water? In een flits dringt het tot hen door: het fundament van het zware metselwerk is losgeraakt.
Nog even, dan zal het schot vallen, dan stroomt de zee de Voorstraat in, dan loopt Colijnsplaat onder water, en misschien het hele eiland… Aart ziet in het donker een lange man opduiken. Het is zijn meester. Hij springt op hem toe.
"Meester, luister!"
Gejaagd vertelt hij wat ze hebben ontdekt.
"Dat kan toch niet", zegt de meester, maar hij gaat mee. "Voel maar", zegt Lijn als er weer een golf komt. De steunbeer wankelt. De meester schrikt. Hij begrijpt dat er groot gevaar dreigt. Hij rent naar een groep mannen. "De boel gaat kapot", roept hij. "We hebben palen nodig om de beer te steunen. Ga ze halen!"
Opnieuw een zware roller. De meester springt naar voren.
"Mannen, hier!" Hij drukt zijn brede schouders tegen de steunbeer. Wat wil hij nu - denkt hij dat mensen kunnen wat het schot niet kan? Ja, dat denkt hij.
"Houen, jongens!"
Het is een schip uit de haven, losgeslagen van zijn kabels en door de storm over de meerpalen heengetild.
Even dreigt het dwars door het vloedschot heen te gaan maar op het allerlaatste moment komt het dwars voor het schot terecht.
Nu vangt het schip de brekers op. Er komen mannen met zandzakken. De beer wordt gestut met de palen. Met de zakken zand wordt van het schot een sterke dam gemaakt. De levende muur mag op adem komen.
Zo wordt in die nacht Coljjnsplaat op wonderlijke wijze van een zekere ondergang gered.'
P.S. Het verhaal zelf is uitgebreider te vinden in K. Norel, Houen, jongens!, uitgave Callenbach Nijkerk, waarvan de elfde druk recent verscheen en met een voorwoord van de burgemeester van Tholen vanwege de werkgroep 'Herdenking Watersnoodramp 1953' van de Heemkundekring 'Philippuslandt' te Sint-Philipsland is aangeboden aan alle basisschoolleerlingen in de gemeente Tholen.

Schrijft men Joden of joden, Joods of joods? H. D. van den Berg gaf er zich rekenschap van in de 'Inleiding en verantwoording' op zijn boek Onse Joeden ('Nijmegen en de geschiedenis van haar Joden'):

'Voor de nazibezetting van ons land was het heel normaal dat woorden als Joden of joods met een hoofdletter werden geschreven. Het waren de bezetters die de dag- en weekbladen in oktober 1940 het bevel gaven niet meer op eigen houtje te publiceren over Joodse vraagstukken. Begin 1941 deden de Duitsers een verordening het licht zien die bepaalde dat woorden als "Joden" en "Joods" niet langer met een hoofdletter mochten worden geschreven. Op deze, ook zo bedoelde kleinering van de Joodse bevolking, volgden registratie, ontluistering, isolering, beroving en tenslotte massale vernietiging. Na de periode van duivelse duisternis bleef helaas dit deel van de nazitaalterreur bestaan. Ik meen mij daaraan dan ook op goede gronden te kunnen onttrekken en zal in de terminologie met de duidingen "Joden/Joods", de kapitale letter j blijven gebruiken.
De nieuwe spelling van 1995 in het zogenaamde "groene boekje" blijft de kleine letter gehandhaafd. De leidraad echter bevat een merkwaardige verrassing. Dat geeft enige vrijheid omdat men van inzicht kan verschillen over de vraag of de aardrijkskundige naam nog als zodanig functioneert. De samenstellers zijn blijkbaar van mening dat "Judea" niet meer te herkennen is in "Jodendom" en laten gemakshalve een en ander maar aan de schrijver zelf over. We kunnen derhalve twee kanten uit. Ik heb bewust gekozen voor de hoofdletter J. Ik bevind mij daarmee in goed gezelschap want ook de columniste Tamara Benima en de historicus dr. L. de Jong gebruiken de kapitale letter J in hun publicaties.
Het verbaast mij zeer dat het Nieuw Israëlitisch Weekblad en ook het dagblad Trouw de nazispelling deels nog handhaven.
De spelling en transcriptie van namen of woorden uit het Hebreeuws of het Jiddisj heb ik, waar mogelijk, aangehouden zoals te doen gebruikelijk bij het NIK, het Nederlands Israëlitische Kerkgenootschap.'
V.D.G.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 februari 2003

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Globaal bekeken

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 februari 2003

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's