Uit de pers
Nederland in de war
Het jaar 2002 zal in de geschiedenisboeken geregistreerd worden als een vooral politiek zeer opmerkelijk jaar. Oe opkomst van Pim Fortuyn als man van het volk die de gevestigde partijen in grote verwarring bracht. Twee kabinetten die in één jaar vielen. De moord op een politicus. De 26 zetels die een splinternieuwe partij in één keer wist te verwerven. Spiegel historiael, Magazine voor geschiedenis en archeologie, bracht eind vorig jaar een themanummer uit over De Nederlandse politiek sinds 1945. Deze uitgave wordt afgesloten met een bijdrage van prof. dr. A. Th. van Deursen waar hij boven zet De nieuwe agenda.
Van Deursen constateert hoe Nederland in wanorde verkeert. Volgens hem ziet het er ook niet naar uit dat die kwaal spoedig verholpen zal worden. Maar, vindt hij, zoals zo vaak kan de historie ons helpen de problemen tot hun ware proportie te herleiden. Hij geeft dan een helder en verhelderend zicht op eerdere ontwikkelingen in de geschiedenis van de Lage Landen.
'Het is waar, je zult in de geschiedenis niet zo gauw een jaar vinden waarin het precies zo is toegegaan als in 2002. Maar vergelijkingen kunnen we eigenlijk altijd proberen. Laten we bij voorbeeld eens honderdvijfig jaar teruggaan, naar het midden van de 19de eeuw. Nederland stond toen aan het begin van een grote overgang. Het zwaartepunt van de regering had altijd bij de koning gelegen, zolang als er een koninkrijk der Nederlanden bestond. Nu verschoof dat naar het parlement. Er was één sterke politieke groepering die daar duidelijke ideeën over had, en leiding gaf aan het veranderingsproces. Dat waren de liberalen. Een halve eeuw lang hebben zij de politieke agenda beheerst, en geleidelijk aan hun hele program tot uitvoering gebracht. Toen de liberalen hun doelstellingen bereikt hadden was intussen al een ander vraagstuk naar voren gekomen. De liberale staat bood te weinig ruimte aan de christelijke levensovertuiging. Bij een deel van het Nederlandse volk rees de behoefte aan eigen christelijke scholen, en dat riep nieuwe partijen in het leven. Die namen de leiding over en stelden de politieke agenda op. Ongeveer een halve eeuw lang werd Nederland geregeerd door christelijke kabinetten, die een verzuilde samenleving in stand hielden.'
BEREIKTE DOELSTELLINGEN
'Toen de christelijke groeperingen hun voornaamste wensen vervuld hadden, was de beurt aan een andere partij. Na de Tweede Wereldoorlog namen de socialisten de leiding over. Zij legden de nadruk op eerlijke verdeling van de welvaart en gelijke rechten voor allen. Nu waren zij het die de politieke agenda bepaalden. Elke partij moest zich in haar program en beleid van deze punten rekenschap geven. En ook de socialisten op hun beurt zijn er in geslaagd hun voornaamste doelstellingen te bereiken. Dat wil niet zeggen dat alle vragen die liberalen, christenen en socialisten ooit gesteld hebben nu definitief zijn beantwoord. Het betekent nog minder dat alles wat in de loop der tijd verworven is voor altijd onvervreemdbaar en onaantastbaar zal blijven. Daarom vinden we in de Tweede Kamer enerzijds partijen als GroenLinks en de SP, die het socialistisch gehalte van de maatschappij willen verhogen. En anderzijds kennen we partijen als de Christenunie en de SGP, die het vooral om het christelijk gehalte van onze samenleving begonnen is. En als één van de politieke groeperingen te zwak wordt in verhouding tot de andere, loopt ze nog altijd gevaar het schijnbaar vaste bezit te verliezen. Het beste voorbeeld is wel dat onwaarschijnlijke idee van minister Van Boxtel, het christelijk onderwijs bij nader inzien maar weer op te heffen.
Toch is hetgeen toeval geweest dat de minister deze eigenaardige gedachte juist nu heeft ontwikkeld. Hij heeft gehandeld als de spreekwoordelijke kat in nood. Hij kwam als minister van Integratie voor een nieuw probleem te staan dat hij niet kon oplossen met de hulp van bestaande partijprogramma's, en zag geen andere uitweg dan deze rare sprong. Hij is evenmin de laatste als de enige die zulke kromme gedachten in omloop brengt als goede politieke munt. Het gaat hier namelijk inderdaad om een nieuw probleem. We zijn weer toe aan een radicale wijziging van de politieke agenda.'
De geschiedenis, aldus prof. Van Deursen laat zien dat zulke veranderingen na verloop van tijd, meestal zo ongeveer na vijftig jaar, onvermijdelijk zijn. Zelf heeft Van Deursen vaak gedacht dat 'groen of niet groen' het grote thema van de politiek zou worden. En daar hoopt hij eigenlijk nog steeds op, omdat het daarin werkelijk gaat om vragen van leven en dood. Hij betreurt het daarom dat andere vragen nu zo ondubbelzinnig de voorrang nemen: autochtoon-allochtoon. Veel mensen beleven dát vandaag als het meest nijpende probleem: de spanning die voortkomt uit het net genoemde verschil. Dat vraagstuk lijkt de politieke agenda te gaan bepalen.
'Als dat juist is, dan moeten niet alleen de bestaande partijen zich uitspreken, maar dan zullen ook rondom deze tegenstelling nieuwe partijen ontstaan. Op het ogenblik is noch het één noch het ander het geval, en dat verklaart de verwarring waarin we met elkaar verkeren. De oude partijen hebben steeds gedaan alsof het probleem helemaal niet bestond. Volgens hen was het louter een kwestie van geduld. Met een beetje verdraagzaamheid zouden we het samen wel oplossen, en vredig bouwen aan een multiculturele maatschappij. In die waan is de bovengenoemde heer Van Boxtel zijn werk als minister begonnen. Toen heeft hij ontdekt dat het niet ging om een zachte, maar om een harde tegenstelling. Multicultureel was een verdoezelende term voor multireligieus. Daarvoor had de bewindsman geen enkel begrip en dus kon volgens hem nog maar een ding helpen. Je moest de religie afschaffen, dan was alle narigheid voorbij.'
De LPF leek voor veel kiezers een partij die over deze nieuwe agenda wijze woorden sprak. Maar deze partij maakte wel een opmerkelijk valse start. Maar daarom, aldus Van Deursen, keren de oude tijden niet terug.
'Welke partij het goede antwoord zal vinden en hoe dat zal luiden laat zich nog niet voorspellen. De droom van de multiculturele samenleving die ons allen zou verrijken lijkt wel definitief vergaan, en de thans voorgestelde afschaffing van alle religie staat al evenzeer buiten de werkelijkheid. Een ding echter kunnen we met zekerheid zeggen. Geen enkel nijpend politiek probleem is ooit opgelost zonder dat de betrokkenen zelf daar krachtig aan meewerkten. Dus zullen ze ook moeten meespreken in de politiek. Een enkele Turk of Marokkaan in een grote fractie is daarvoor niet voldoende. Eigen partijvorming door allochtonen lijkt op den duur onontkoombaar, tenzij de bestaande partijen de moed hebben ruimte te zoeken voor wezenlijke oplossingen. De gebeurtenissen van dit jaar hebben wet bewezen dat de tijd van uitstel verstreken is. Het heeft er alle schijn van, dat we opnieuw toe zijn aan een ingrijpende verandering van de politieke agenda.'
Er is een nieuw kabinet in de maak. We zullen zien in hoeverre de woorden van prof. Van Deursen werkelijkheid zullen worden. Er zijn signalen die hem gelijk blijken te gaan geven, als we alleen al denken aan de plannen van Dyab Jahjah om ook in ons land een partij naar de geest van de Arabisch-Europese Liga op te richten.
Dat Nederland in de war is, blijkt ook uit de ontstane discussie over waarden en normen. Achtergrond is dat veel mensen het onbehagelijke gevoel hebben dat er in de publieke ruimte een situatie is ontstaan van onveiligheid en verregaande verruwing. Christenen maakten zich al langer zorgen over het verval van waarden en normen maar dan uiteraard vanuit hun geloofsovertuiging. De verontrusting heeft de laatste jaren veel bredere vormen aangenomen. In Kerk en Theologie (jaargang 54, no. 1, januari 2003) vraagt dr. A. J. Plaisier aandacht voor genoemde discussie. Hij stelt zich vooral de vraag wat daarin de uitdaging is voor kerk en theologie. Hij noemt een drietal punten waarvan ik er twee citeer.
'In de eerste plaats is het goed wanneer in de kerk het thema niet aan de politiek of maatschappelijke groeperingen wordt overgelaten ook niet waar dit voor velen in eerste instantie wordt vertaald als "burgerlijk fatsoen". Bij deze term zal de theologische koorts niet meteen stijgen, maar het is niet te hopen dat hier vanuit een grote hoogte op neergekeken wordt. Waar eerst burgerlijke ongehoorzaamheid de nodige aandacht heeft gekregen, is het nu tijd na te denken over burgerlijkfatsoen. Principiëler gesteld: zonder bepaalde deugden is het leven zowel in de privé-sfeer als in die van de publieke ruimte niet leefbaar. Het is natuurlijk buiten kijf dat de kerk zich niet mag verstaan als de leverancier van moraal en zich terecht dient te verzetten wanneer ze voor dit karretje wordt gespannen. Dit neemt niet weg dat er een eigen verantwoordelijkheid en verantwoording van de kerken verwacht mag worden als het gaat om het deugdzame leven en de deugdzame samenleving. Vanuit reformatorische hoek zal terecht een kritische houding ingenomen worden tegenover een moraal van de deugdzame mens. Deze kritische instelling schiet echter zijn doel voorbij wanneer het belang van de deugd en het deugdelijk gedrag als bagatel wordt beschouwd. Hoe staat het bijvoorbeeld met de betekenis van de deugden van zelfbeheersing, zelfbeperking en zelfkritiek? Hoe lang is het geleden dat deze klassieke deugden zich in enige belangstelling mochten verheugen? (Het is daarbij natuurlijk van belang dat ook in de communicatie van gemeenteleden onderling deze deugd wordt betracht. Dit geldt zowel voor het plaatselijke als het bovenplaatselijke vlak.) Waar zaken als zelfontplooiing en vrijheid breed zijn uitgemeten, zijn deugden als zelfbeperking, volharding, acceptatievermogen, bescheidenheid en nederigheid in de vergetelheid geraakt of te snel verdacht gemaakt. De drang naar vrijheid en de emancipatie van verstikkende samenlevingsvormen, de noodzaak tot het doorbreken van taboes en het belang van zelfontplooiing - fenomenen die alle hun betekenis hebben en vanuit een christelijke inspiratie bedacht en beleefd kunnen worden - hebben het spreken ouer klassieke deugden als rechtvaardigheid, matigheid, wijsheid en moed min of meer in de ban gedaan. Deze ban op te heffen is hard nodig.'
Het tweede waar Plaisier aandacht voor vraagt is het belang van het cultureel erfgoed en het daarmee samenhangend historisch besef. Er wordt veel te vaak alleen maar op een 'ad hoc-manier' gereageerd. Wie heeft er nog mede vanuit de historie van ons volk en land zicht op welke samenleving we eigenlijk aan de komende generaties willen overdragen?
'In de derde plaats een woord over het postmodernisme. De multiculturele samenleving heeft velen verrijkt. Echter, het relativisme waarmee dit maar al te vaak gepaard is gegaan, kan niet als winst worden aangemerkt. Scheffer citeert de openingszin in een lesboek voor geschiedenis Sprekend verleden: "Ieder verhaal is afkomstig van iemand die alles vanuit zijn eigen standpunt bekijkt en beschrijft of vertelt". Er zijn postmoderne theologische boeken, die niet alleen aan het begin, maar ook aan het einde nog niet veel verder gekomen zijn dan deze wijsheid. De waarde van het inzicht in de culturele en historische bepaaldheid van geloofsuitspraken verkeert in haar tegendeel wanneer hiermee de gedachte van een objectieve waarheid aan de wortel wordt aangetast. Waar binnen de theologie interpretatie en metafoor tot allesbeheersende rasters zijn geworden waarbinnen de vraag naar de waarheid min of meer wordt afgekneld, is de bijdrage van de kerk nihil, hoezeer soms ook het omgekeerde wordt gedacht. Natuurlijk is een besef van de postmoderne context waarbinnen kerk en theologie opereert en waar ze deel van uitmaakt alleszins noodzakelijk en legitiem. Er zijn gevoeligheden ontstaan waar het gaat over de betekenis van taal en metafoor die niet meer verloren mogen gaan. Er is een vernieuwd besef van de wisselwerking tussen cultureel uitgangspunt en theologische vorm, waar van biblica tot missiologie winst mee kan worden gedaan. Waar dit echter relativisme inzake de waarheid en de objectiviteit van God en zijn openbaring in Christus heeft geïmpliceerd, heeft dit geleid tot uitholling uan de eigen identiteit. Het gevolg daarvan is niet alleen een verlegenheid in de eigen gelederen, maar tevens een verzwakking van de missionaire inbreng van de kerk en de theologie, waaronder ook de invloed van kerk en theologie op de cultuur en de samenleving gerekend moet worden. Wellicht ongewild is de tendens van de vrijblijvendheid en de relativering van "normen en waarden" hiermee in de hand gewerkt. Nu de samenleving te gronde dreigt te gaan aan haar relativisme dient de kerk wakker te worden en zich af te vragen in hoeverre ze niet heeft meegedeind op de golven uan het relativisme. Dit is uiteraard geen pleidooi voor een doctrinair verstarde theologie die met stalen zekerheden een dogmatisch betonblok bouwt. Het is een pleidooi voor een kerkelijke theologie, die vanuit de eigenheid van haar voorwerp, God in Christus, zich betrokken weet op haar roeping in de samenleving: haar nood serieus neemt, haar vragen hoort, en om Gods wil gelooft in haar toekomst.'
We kunnen met dat laatste appèl van harte instemmen. Duidelijkheid en beslistheid lijken in onze tijd uit den boze te zijn geworden. Toch is er behoefte aan iemand die heldere standpunten uitdraagt, zelfs als ze onderling lang niet altijd consistent blijken te zijn, zoals bij Pim Fortuyn toch soms het geval was. Waar staan we als kerk vandaag voor? Laat dat toch vooral duidelijk blijven.
J. MAASLAND
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 februari 2003
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 februari 2003
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's