De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Twee polen horen bijeen

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Twee polen horen bijeen

BELIJDENIS EN VERBOND [2]

11 minuten leestijd

In dit tweede artikel ga ik wat dieper in op de inhoud van het geschrift Belijdenis en verbond, Ecclesiologie in de gereformeerde traditie. Zoals we vorige week zagen, is dit tot stand gekomen door een kerkhistorische commissie, ingesteld door het hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond. Ik doe dat als betrokkene, daar ik zelf lid van de commissie ben geweest.De publicatie begint met een Inleiding, waarin onder andere wordt uiteengezet, waarom de bezinning op belijdenis en verbond plaatsvond. Daarna volgt een beschrijving van de wijze waarop in zes perioden over de verhouding verbond en belijdenis in de Gereformeerde/Hervormde Kerk gedacht is. Het geheel sluit af met een Concluderend hoofdstuk.

Zes perioden
De eerste periode is die van de Reformatie, waarin het vooral om de visie van Calvijn op de kerk gaat. Deze moeten we zien tegenover die van Rome enerzijds en van de dopers anderzijds. De reformator van Genève kan in verband met de kerk op verschillende wijze over het verbond en de (geloofs)belijdenis spreken. Wij doen hem wellicht het meest recht door te stellen dat bij hem het verbond een wederkerig karakter kent. Aan de ene kant is er de belofte van God, als constituerende factor voor de kerk, maar tegelijk vraagt deze belofte om het geloof en de belijdenis ervan. Dit laatste is onmisbaar in een ware kerk. Deze kerk is moeder en gemeenschap der heiligen. De tweede periode betreft de wordingsgeschiedenis van de Gereformeerde Kerk in ons land, dat wil zeggen de tijd vóór de vestiging van de kerk in 1572. In deze tijd heeft een belangrijk deel van het kerkelijke leven zich in het buitenland voltrokken vanwege de onderdrukking op vaderlandse bodem. Wat ons dan treft, is dat het kerk-zijn een hoge mate van zuiverheid kent. Men kent nog niet de situatie van het kerk-zijn in een weliswaar vrije, maar juist daardoor weerbarstige maatschappelijke context. Men ziet dit bijvoorbeeld aan de vluchtelingengemeente in Londen. De kerkorde van Micron (1554) laat zien dat deze gemeente echt kerk is met een belijdenis en tuchtoefening en tegelijk is de gemeente kerk van het verbond van God. Er is sprake van harmonie tussen beide polen.
De volgende periode is die ná de vestiging van de kerk in 1572. In deze tijd krijgt de Gereformeerde Kerk in ons land langzamerhand meer vrijheid. Zij wordt de bevoorrechte kerk. We zien dan dat er een spanningsveld gaat optreden tussen de wijze waarop de overheid de kerk zag: een open volkskerk, en de wijze waarop de Gereformeerde Kerk zichzelf zag: een kerk die weliswaar een publiek, theocratisch karakter draagt, maar die dit element niet in mindering wil laten komen op een voluit gereformeerde belijdenis. De Gereformeerde Kerk heeft deze uitgangspositie niet altijd kunnen volhouden. Dat is bijvoorbeeld te zien aan de soms wel zeer ruime doops- en huwelijkspraktijk, voortkomend uit een brede opvatting van het verbond. Tegelijk heeft de Gereformeerde Kerk daar waar zij dat kon, toch vastgehouden aan het kerk-zijn met een belijdenis. Dat werd het meest zichtbaar in de avondmaalsvierende gemeenschap van de belijdende lidmaten, omgeven door tuchtoefening. Maar hiermee is niet alles gezegd. Want er was ook een 'confessioneel-kerkelijke' lijn, die vanuit confessionele en liturgische geschriften als een rode draad door de praktijk van het kerk zijn heenliep. Volgens deze lijn beschouwde men alle gedoopte kinderen der gelovigen als behorend tot het verbond en als zodanig als leden der gemeente, al hield men ook rekening met de mogelijkheid, dat op latere leeftijd door ongeloof het verbond van 's mensenkant werd verbroken.

Drie Formulieren
Dan volgt de roerige geschiedenis rondom de Dordtse Synode van 1618- 1619. De kerkelijke twisten tussen de Remonstranten en Contra-Remonstranten raakten het hart van de belijdenis. Het is te begrijpen dat daarom in deze tijd bij de vraag naar het kerk-zijn de belijdenis de eerste plaats innam. Er dreigden ook allerwegen afscheidingen. Toch is het daar niet van gekomen door de wending in de verhoudingen. De synode van Dordrecht stelde de Drie Formulieren als belijdenis van de kerk vast en vroeg ondertekening. Predikanten die dat niet wilden, werden afgezet. Wat het verbond betreft: we kunnen zeggen dat de Kerk van Dordrecht in haar kerkorde, belijdenis en liturgische formulieren het verbond zijn rechtmatige plaats liet behouden.
Het tijdperk van de zeventiende en achttiende eeuw kenmerkte zich door een groeiende spanning tussen kerk en overheid. De publieke kerk had daardoor de neiging in zich om steeds meer op te schuiven in de richting van een open protestantse kerk. Wellicht is het aan de beweging van de Nadere Reformatie te danken dat de kerk telkens weer werd teruggeroepen tot haar belijdenis. Tegelijk wees men - ook binnen de Nadere Reformatie - elke neiging tot afscheiding van de hand (tegen De Labadie). In de overwegingen om in de Gereformeerde Kerk te blijven, speelde zowel het verbond als de wettige plaats van de belijdenis in de kerk mee.
De laatste, zesde periode is die vanaf het ontstaan van de Hervormde Kerk in 1816, met de Reglementenbundel, tot na 1951, tot aan het einde van de twintigste eeuw. In onderscheid van diegenen die met de Afscheiding meegingen, beriepen zij die hervormd bleven, zich op het feit dat de Hervormde Kerk de gereformeerde confessie in haar grondslag had opgenomen. Daar beoordeelde men de kerk op. Dat is voor hen een heel belangrijke factor geweest. Bij iemand als Hoedemaker speelde het verbond een grote rol. Toch zien we dat ook voor hem de belijdenis van grote betekenis bleef.

De Gereformeerde Bond
Het laatste deel van de studie gaat over het standpunt van de Confessionele Vereniging, en vooral dat van de Gereformeerde Bond. Verhoudingen spitsten zich toe in verband met SoW. Het Hervormd Comité werd opgericht. Anders dan het hoofdbestuur van de GB legt het Comité de meeste nadruk op de belijdenis als bepalend voor het kerk-zijn. Voor het hoofdbestuur is er meer sprake van een over en weer tussen verbond en belijdenis.
Ik citeer: 'Het voorgaande maakt opnieuw duidelijk dat in het officiële, GB-standpunt over de ecclesiologie nu eens de belijdenis, dan weer het verbond werd benadrukt. Zo is tot aan 1980 inzake kwesties die het hart van het geloof van de kerk raakten, de belijdenislijn de overheersende. Daarna, wanneer het gaat om de plaats in de kerk, neemt het beroep op het verbond weer een grotere plaats in, zonder dat dit in mindering kwam op het opkomen voor de belijdenis.'

Dingen die mij opvielen
Ik noem nu enkele punten die mij tijdens de bezinning opvielen. Ik spreek hier voor mijzelf. Ik ben me ervan bewust dat dat een subjectief karakter draagt. Wellicht zien anderen de dingen weer anders.
Ten eerste: zoals uit het boekje blijkt, is er telkens sprake van een spanningsvolle verhouding tussen belijdenis en verbond. Gaat het om het fundament van het kerk-zijn, dan wordt dit gevormd door de verbondstrouw van God. Ook speelt het verbond een doorslaggevende rol bij de fundering van de kinderdoop. Tegelijk wordt de verbondsbelofte van God nooit losgemaakt van de beantwoording van het verbond in geloof(sbelijdenis) en bekering. Gaat het om kerk te zijn te midden van dwalingen, dan komt de kerk steeds op voor haar belijdenis. Dat nu eens het accent meer gelegd wordt op het verbond en dan weer meer op de belijdenis, heeft te maken met de situatie waarin de kerk zich bevond en de reden waarom zij zich verantwoordde over het kerk-zijn.
We zien dit naar voren treden in de periode die voorafging aan 1951, toen de 'nieuwe' kerkorde werd aangenomen. Vóór die tijd legde men in de kring van de Gereformeerde Bond sterk de nadruk op de betekenis van de belijdenis, omdat het haar een grote zorg was dat de kerk bij zo'n diepingrijpende beslissing het rechte spoor zou gaan. Maar toen de synode de kerkorde had aanvaard, stond men voor de vraag: moeten we nu gaan of blijven? Mensen buiten de Hervormde Kerk vonden het een verloochening van de belijdenis als men bleef. Welnu, in deze situatie beriep men zich op het verbond en men bleef. Vergelijk wat prof. S. van der Linde in 1954 schreef in de Waarheidsvriend: 'Heel het ontstaan en voortbestaan van de Bond is een belijdenis van het genadeverbond. We zeggen daar wel meteen bij, dat dit verbond alleen ons geen panacee (medicijn, W.V.) gold tegen al de kwalen der kerk. Te roemen in het verbond sluit noodzakelijk in een leven in en uit het verbond.'
Vervolgens kwam datgene wat in geschriften van belijdende aard over verbond en belijdenis staat niet altijd overeen met de kerkelijke praktijk. Ik noem als voorbeeld de vraag of kinderen leden van de gemeente zijn. Het is zonder meer duidelijk dat in het klassieke gereformeerde doopformulier, dat eeuwenlang, tot op de dag van vandaag is voorgelezen in de kerkdienst, de kinderen gezien worden als lidmaten van de gemeente. Daarom behoren zij ook gedoopt te worden. Toch bleek tegelijk uit kerkelijke registers, kerkorden en acta dat in de praktijk vaak alleen de belijdende leden, die hun geloof hadden beleden, als de lidmaten van de gemeente werden gezien. De vraag is dan waar we - historisch gezien - van uit moeten gaan. In de commissie leidde dit soms tot een dissensus.
Vervolgens bleek telkens weer dat er niet eenduidig over de betekenis van het verbond en van de gelovigen gedacht werd in de kerk. Over het verbond bestonden verschillende opvattingen. Soms dacht men dan aan Gods genadige belofte van heil aan de zichtbare gemeente, dan weer aan het verbond met de uitverkorenen, waarbij verbond en verkiezing samenvielen. Maar ook zag men het verbond als aanduiding voor de gedoopte christenheid in het algemeen, dus heel breed. Dan hoort zelfs de paus tot het verbond.
Dit verschil in opvatting betreft ook de uitdrukking 'gelovigen'. Ook deze uitdrukking werd niet altijd eenduidig opgevat. Nu eens dacht men daarbij aan personen die bewust hun geloof hadden beleden, dan weer was de uitdrukking - in navolging van Ursinus' Schatboeck - gelijk aan: christenen, gedoopten, personen die bij de kerk behoren, enz. Zo kan men de uitdrukking: 'kinderen der gelovigen' tweeledig opvatten. Namelijk als kinderen van belijdende lidmaten. Maar ook, méér algemeen, als kinderen van personen die bij de kerk behoren. Deze verschillende betekenisverlening aan de termen verbond en gelovigen betekende een complicatie voor onze bezinning.

Hoedemaker
Dat het beroep op de belijdenis en het verbond geen tegenstelling vormde, bleek uit de visie van Hoedemaker. Ik citeer uit ons stuk: 'De gevolgtrekking die altijd of zo goed als altijd uit het voorgaande getrokken wordt, is dat bij Hoedemaker de belijdenis nooit in mindering op het verbond wordt gebracht. Toch zijn er heldere uitspraken bij hem die dit weerspreken en die aangeven, dat in laatste instantie de belijdenis toch weer de bepalende factor is.'
Toch betekent dit uitgaan van de belijdenis door Hoedemaker ook weer niet dat de grenzen van het verbond samenvallen met de belijdenis. Interessant is wat we lezen in zijn catechisatieboekje 'Eenvoudige onderwijzing in de christelijke leer naar de belijdenis der Hervormde Kerk' uit 1892.
'Vraag 27: Beschouwt gij dan ook de Lutherse Kerk als eene Gereformeerde Kerk?
Antw. Zeker. Zij vertoont de Kerk in eene gezuiverde, vernieuwde gestalte, al meenen wij, dat zij niet ver genoeg is gegaan in het verwerpen van hetgeen de Roomsche Kerk heeft misvormd.
Vraag 28: Zijt gij het dus ook eens met de Auflsburgse confessie?
Antw. Ik erken, onder zeker nader aan te wijzen voorbehoud en na de verwerping van enkele uitdrukkingen, die ik niet schriftmatig acht, deze belijdenis als een voldoende grondslag van Kerkelijke gemeenschap met de Lutherse Kerk.
Vraag 29. Niet verder?
Antw. Zoo dikwerf het noodig was, b.v. om erkend te worden door den Staat, hebben de Hervormden geen bezwaar gemaakt, op grond van hunnen betrekkelijke instemming met deze confessie, als geloofsverwanten van de Luthersen te worden erkend. Calvijn b.v. onderteekende de Augsburgse confessie in 1540 te Regensburg.'
Wanneer we deze uitspraak van Hoedemaker leggen naast datgene wat we in onze publicatie over zijn houding ten opzichte van de belijdenis schreven, dan zien we hoe spanningsvol de verhouding tussen verbond en belijdenis kon zijn. Door heel de geschiedenis van de Gereformeerde Kerk heen, tot op de dag van vandaag, zien we hoe de twee polen van belijdenis en verbond elkaar opriepen, ja elkaar niet konden missen. Dat heeft wellicht ook te maken met de gebrokenheid van het kerkelijk leven.
Dat laatste is leerzaam in onze eigen situatie.

Ten slotte
Ik laat het hierbij. We hebben als kerkhistorische commissie ons werk na enkele jaren afgerond. We hopen dat we het hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond er een dienst mee hebben bewezen. Ik nodig u uit om het geschrift zelf te lezen.
W. VERBOOM, WADDINXVEEN

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 februari 2003

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Twee polen horen bijeen

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 februari 2003

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's