Thomas, een peinzend figuur
DE APOSTELEN VAN JEZUS CHRISTUS [8]
Wat voor man is Thomas eigenlijk? Een bekend gezegde typeert hem als iemand die moeilijk iets wil (kan) geloven. Boeiend is nog altijd de vraag naar het karakter, de aanleg enz. van deze apostel. Wij zullen daar moeilijk omheen kunnen. Dat hoeft ook niet. Maar wij willen het samen niet hebben over Thomas, maar over 'de apostel van Jezus Christus', genaamd Thomas. Daarom gaat het immers.
Tweeling
Niet zoveel is ons van hem bekend. Of toch meer bij nader inzien dan wij dachten? Uit de eerste drie evangeliën is zijn naam ons alleen bekend uit de apostellijsten (vgl. ook Lucas in Hd. 1 : 13).
Johannes echter schijnt iets met Thomas te hebben gehad. Bij vier gebeurtenissen haalt hij Thomas naar voren in zijn evangelie. Drie keer deelt hij ons mee dat deze apostel ook Didymus wordt genoemd (bv. Joh. 11 : 16). Uit deze naam (Didymus betekent tweeling) weten wij dat Thomas in ieder geval een broer of zuster heeft gehad. Het is echter voor hem geen bijnaam zoals bij andere apostelen, maar een aanduiding (zoals bij ons bv. sr. of jr.). Het ligt voor de hand om aan een zekere geestverwantschap tussen Johannes en Thomas te denken. Twee peinzende, wat stille, teruggetrokken figuren. Maar leven mochten ze onder de ogen van Jezus. En dan weet de Heere wel hoe Hij met zulken moet omgaan; wat Hij met hen voor heeft, ook al krijgt de één een heel andere plaats dan de ander onder Zijn apostelen.
Maar niet alleen Johannes stond dicht bij Thomas. Ook Mattheüs. De apostelrij leren wij nooit zó: Simon Petrus, Andreas, Jacobus, Johannes. Maar ánders: Simon Petrus én Andreas, Jacobus én Johannes enz. Dat geldt al bij de keuze door Jezus: Hij kiest paren uit. Tweetallen, zo krijgen wij de indruk bv. uit Lk. 6 : 12vv. En zo blijven zij ook in de apostellijsten doorgaans vermeld. Dat wil niet zeggen dat het altijd deze twee zijn, als Jezus ze 'twee aan twee' uitzendt (Mk. 6 : 7). Bv. zendt de Heere Petrus en Johannes twee aan twee uit om het Pascha te bereiden (Lk. 22 : 8). Zij staan nergens samen in de apostellijsten. Maar Mattheüs staat altijd met Thomas: 'Thomas én Mattheüs'. De andere evangeliën hebben 'Mattheüs én Thomas'. Maar Mattheüs heeft het in zijn evangelie omgedraaid en als gewezen tollenaar zichzelf als tweede pas vermeld: 'Thomas én Mattheüs, de tollenaar' (Mt. 10 : 3). Met naam en toenaam! We moesten er maar een stukje ootmoed van leren. Het zou Christus' gemeente sieren en ruimte maken voor de Heilige Geest om de Heere rijker en grootser Zijn plaats te geven als Koning van Zijn Kerk.
Misverstand
Wij hoorden al dat Johannes in zijn evangelie geen apostellijst kent (hst. 11). Althans: deze niet vermeldt. Maar wel is hij de enige, zo vernamen wij ook, die ons over Thomas gaat vertellen.
Voor het eerst vinden wij dat dan in Joh. 11 : 16. De geschiedenis van het sterven en opgewekt worden van Lazarus uit de dood. Jezus heeft weet van Lazarus' ziekte. Ook van zijn komend sterven. Maar Hij wacht op het 'uur van de Vader' (vgl. Joh. 13 : 1). Het wonder dat komen gaat, moet alles overtreffen: niet het voorkómen van de dood, maar het achterhálen van de dood! Dat is de rode draad door Johannes 11.
Het zal de discipelen wonderlijk te moede zijn geweest. Eerst die woorden van Jezus: 'Deze krankheid is niet tot de dood, maar tot heerlijkheid van God, opdat de Zoon daardoor verheerlijkt worde' (vs. 4). Ze krijgen twee dagen de tijd om daarover te denken. Daarna Jezus' woord: we gaan naar Judea (Bethanië). Maar daar hadden de joden geprobeerd Jezus te stenigen. Moet dat nu zo nodig? Wonderlijk is weer Jezus' woord: 12 uren zijn er in een dag. Hij moet ze gebruiken, zolang Hij op aarde is. Maar die twee 'verloren' dagen dan…?
Dan krijgen wij het misverstand: in het Aramees en Grieks is er maar één woord voor 'inslapen' en 'ontslapen'. Voor het eerst in de Bijbel gebruikt Jezus de betekenis 'ontslapen' hier (vgl. Rom. 6 : 23). Maar de discipelen denken aan 'inslapen'. Nu gaat het goed met Lazarus dus!
Maar dan rolt alles om: opnieuw die wonderlijke Jezus: Lazarus is gestorven. Blij is Hij dat Hij niet bij Lazarus was. Hoe kan het! Hebben ze 't nog gehoord: 'opdat gij geloven moogt…' (vs. 15). Maar het volgende is zeker gehoord: 'maar laat ons tot hem gaan!' Wat zal het stil geworden zijn. Niemand zegt wat. Ja toch iemand: Thomas. Niet tot Jezus, maar tot de anderen: 'Laat ons ook gaan, opdat wij met Hem (!) sterven'.
Althans één die zich niet verzet. De anderen zelfs aanspoort! Maar met de zekerheid: 'Het wordt ons aller dood!' Van ons, én van Jezus!
Nuchter, realistisch? Maar daar kan een mens toch de dood niet mee tegemoet gaan? Zelfs met Jezus niet.
Ach nee! Een grote liefde tot Jezus houdt hem gevangen. Zijn hoop is vergaan. 't Geloof…? Maar de liefde, die zo sterk is als de dood (Hooglied 8 : 6) redeneert niet meer. Kan niet buiten Jezus, of Hij nu leeft of sterft. Want het leven is voorgoed vastgehaakt aan Hem. Hier is weer het stil geheim van Jezus. Is dit wandelen in duisternis nu pessimisme of… geloofsgetuigenis (liefdegetuigenis?) door alle nevelen heen? De anderen zeggen helemaal niets.
Maar gelukkig: Jezus gaat met ze op stap. Straks mag Lazarus léven, én… Thomas. Waarom eigenlijk? Omdat straks Jezus sterven gaat. Maar dan gaat er niemand met Hem mee. Zelfs Thomas niet…
Troosten
Vervolgens komen wij Thomas weer tegen in Joh. 14. Jezus wil Zijn discipelen troosten vóór Zijn heengaan tot de Vader. Hij gaat plaats bereiden in het Vaderhuis; en daarna haalt Hij hen ook een keer thuis. Hij wil hen immers bij Zich hebben (vs. 3). Hoe ontroerd is hier Jezus, en zijn ook zij. Wat gaat er toch gebeuren, wat bedoelt de Meester toch? Dan zegt Jezus ten overvloede nog: 'En waar Ik heenga, weet gij, en de weg weet gij' (vs. 4). Vóór hen ligt dus de weg naar het Vaderhuis, waar Jezus hen Zelf zal brengen. Intussen zijn ze hier helemaal niet aan toe. Nu zou je zeggen dat Thomas heel nuchter en realistisch, maar ook logisch is: ze weten niet waar de Heere heen gaat; en dús weten ze zeker de weg dan niet.
Maar zo eenvoudig liggen de dingen hier niet. Alles is gespannen; de Meester gaat heen. Johannes 14-17 is er vol van. Een kleine tijd nog dit en een kleine tijd nog dat. En dán…
Ach, wat zullen ze de Heere nog voor de voeten lopen; Zijn verhoging onmogelijk kunnen verbinden met Zijn vernedering. Spreekt de Meester hier niet nog als in raadselen? Wie begrijpt de vraag van Thomas niet? Tenzij! Ja, tenzij dat 'gouden woord' (zie hst. VI) van Jezus is opengegaan: 'Ik ben de Weg, de Waarheid en het Leven. Niemand komt tot de Vader dan door Mij'. Maar dan is het intussen al Pasen geworden, en méér dan dat…
Johannes wil ons nog verder vertellen over Thomas. Een triest verhaal. Maar misschien wordt hier door de leiding van de Heere Jezus toch één van de laatsten de eerste (Mt. 19 : 30).
Onbereikbaar
Wij gaan naar Joh. 20 : 24. 't Is Pasen geworden. De opgestane Heere is verschenen aan meerderen. Ook aan de discipelkring. Na Judas' dood toch nog 'de twaalven' genoemd; maar ook Thomas ontbreekt (vgl. Mk. 16 : 14, waar van 'de elven' wordt gesproken). Thomas: toch dus eigenzinnig, twijfelend, onbereikbaar voor ieder, zelfs voor de 'samengedreven' discipelen: samengedreven door gemeenschappelijk verdriet, lijden, onvervulde hoop, liefde en uitgeblust geloof, naar het schijnt. En toch samen: door Jezus, en door de Geest, Die aan Hem bindt. Maar nu ook door een wonderlijk gerucht: het lege graf en een levende Jezus. En dan komt Christus' paasverrassing: op de avond van de opstanding staat Hij als Levensvorst in hun midden. Niet te keren door grafstenen en deuren. Tonend Zijn handen en zijde. Zijn herhaalde vredegroet! Maar dan breken hun harten in diepe liefdes- en geloofsverwondering: 'De discipelen dan werden verblijd, als zij de Heere zagen…' (vs. 20). Wie heeft hier nog woorden! Zou het ten slotte niet slechts aanbidding zijn, die hier toen, maar ook nu nog in ontmoeting met de Levende overschiet? Net als bij de hemelvaart: 'En zij aanbaden Hem… met grote blijdschap' (Lk. 24 : 52). Maar Thomas ontbreekt…
Het is moeilijk denkbaar dat Thomas drie dagen spoorloos is geweest. Als hij de anderen niet heeft opgezocht, dan hebben zij hem zeker bezocht. Je kunt Thomas toch niet laten vallen, als je verder met de kring in alle verdriet elkaar zoekt! Alleen maar: er is iets van 'Iaat me maar'. En dat nu juist deed en doet nog altijd zoveel schade aan het geestelijke leven, en aan de gemeenschap van de heiligen. En wie er ook erg in heeft, de persoon in kwestie niet! Helaas!
Herkenbaar is het wel. Bijna het Woord gesloten laten, het gebed versloffen, bezoek liever weren. En al maar ongelukkiger en eenzamer worden. En God, Jezus? Ach…
Voor de een is dit meer herkenbaar dan voor de ander. Niemand wordt door de satan met rust gelaten. Maar bij Thomas moet het toch wel ergens samenhangen met zijn karakter en instelling. De andere tien hadden het bepaald ook niet breed.
En wie begint bij het allereerste: het ongeloof? Ach, eigenlijk niemand. Ja toch iemand: Jezus! Juist rond Pasen. 'Hij verweet hun hun ongelovigheid en hardheid van het hart, omdat zij niet geloofd hadden… (Mk. 16 : 14). 'O onverstandigen en tragen van hart om te geloven…' (Lk. 24 : 25). Daar valt ook Thomas onder: 'Wees niet ongelovig, maar gelovig…' (Joh. 20 : 27). Wat weegt het ongeloof ons eigenlijk vaak niet zwaar. We noemen het de grootste zonde. Maar beleven we het ook zo? Sóms kom je het tegen in het pastoraat. Hoe komt dat toch? Er zijn natuurlijk oorzaken in vorming en leiding. Maar toch…
Voorwaarde
Intussen: Thomas is bezweken. Hij komt. Maar op voorwaarde, die volgende zondag. 'Als ik niet…, ik zal geenszins geloven' (Joh. 20 : 24). Hij weet wat hij wil en heeft er waarlijk het weekje wel op zitten. De tien kunnen zeggen wat zij willen, Thomas halen ze niet over!
'En Jezus kwam, als de deuren gesloten waren… (vs. 26). Zeg maar: 'Toen Thomas op slot zat'! En ja: nu zijn er alleen nog Jezus' woorden. Wat zal dan Thomas nog? Niets meer; alleen versmelten (is er een ander woord?) in wonderlijke aanbidding, terwijl hij zelfs de anderen voorbijstreeft in zijn belijdenis: 'Mijn Heere en mijn God!' Niet Zoon van God, maar Gód! Dat is voor het eerst hier in Johannes. Bevestiging van Johannes' proloog (voorwoord): 'en het Woord (Christus) was God' (Joh. 1 : 1).
Dat een mens nu toch zomaar een keer de kerkdienst een week overslaat! Wat hij zichzelf daarmee kan aandoen…
Zien en geloven: een stille terechtwijzing tot Thomas. 'Zalig wie niet ziet en toch gelooft'. Tegelijk een heenwijzing voor de kerk na Hemelvaart: 'Niet zien, maar alleen geloven tot zaligheid' (vs. 29). Dat is naar 1 Petrus 1 : 8, 'Jezus Christus, Die gij niet gezien hebt, en nochtans liefhebt; in Wie gij nu hoewel Hem niet ziende, maar gelovende, u verheugt met een onuitsprekelijke en heerlijke vreugde, verkrijgende het eind(doel) van uw geloof, nl. de zaligheid van de zielen'. Ook dan zijn soms laatsten de eersten. Thomas, een apostel van Jezus Christus…
J. C. SCHUURMAN, BARNEVELD
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 februari 2003
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 februari 2003
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's