De pedagogische opgave
CHR. OPVOEDING IN EEN VERANDERENDE WERELD [5]
In de vorige artikelen hebben we een (kritische) analyse gemaakt van de (veranderende) maatschappij en de invloeden die daarvan uitgaan op kinderen en jongeren. Dat maakt opvoeden in deze tijd niet alleen moeilijker, maar zeker ook boeiender. De belangrijkste maatschappelijke veranderingen zijn te typeren met drie begrippen: individualisering, vervaging van het normbesef en secularisering (in willekeurige volgorde). Deze ontwikkelingen hangen samen. De hiermee samenhangende pedagogische opgave kunnen we ook in drie begrippen samenvatten: sociale opvoeding, morele opvoeding en godsdienstige of geloofsopvoeding, zoals men dat tegenwoordig nog wat specifieker noemt.
Mede-opvoeders
Sociale, morele en godsdienstige opvoeding behoorden altijd al tot de kern van de christelijke opvoeding. In zoverre is er dus niets nieuws onder de zon. Het verschil zit in de aandacht hiervoor, vroeger was er een samenleving, waarin redelijk gelijk gedacht werd over opvoeding. Christelijke normen en waarden werden breed gedragen. Ouders werden in het opvoedingswerk ondersteund door allerlei verbanden in de samenleving, zoals de familie (grootouders!), de school, de kerk, maar ook de buurt. Er was sprake van een netwerk van sociale verbanden met vele mede-opvoeders en een sterke sociale controle. Tot die medeopvoeders behoorden ook in grote lijnen de media, zoals kranten, tijdschriften, kinderboeken en jeugdliteratuur, radio en in het begin ook nog televisie.
Jonge ouders die hun kinderen christelijk willen opvoeden, staan er nu veel meer alleen voor. De familie is niet meer in de buurt. Op school is de identiteit misschien verbleekt. In de buurt gaat bijna niemand meer naar de kerk. De media prediken een andere moraal: een moraal van vrijheid, genieten en consumeren, je behoeften bevredigen en doen waar je zin in hebt. De damesbladen met opvoedingsrubrieken maken jonge ouders vaak alleen nog onzekerder. Daar lezen ze wat er allemaal mis kan gaan met je kind als je het niet goed doet. Ouders zijn zo hun onbevangenheid en zelfvertrouwen kwijt geraakt. En dat zijn twee zaken die juist zo nodig zijn. Hoe kunnen kinderen zich veilig en geborgen voelen in een klimaat van twijfel ('Doe ik het wel goed?') en onzekerheid.
De christelijke gemeente kan een belangrijke rol spelen in de ondersteuning van jonge ouders in de opvoeding. Breng jonge ouders bij elkaar in gesprekskringen en laat hen onder deskundige, maar vooral wijze leiding over opvoeding praten. Het delen van ervaringen en het samen zoeken naar wat goed is voor kinderen bemoedigt en geeft zelfvertrouwen. De kerk als mede-opvoeder dus, niet alleen vanaf de kansel, maar ook en vooral door middel van kringen waarin opvoedingsondersteuning centraal staat, is dat niet voluit pastoraal?
Eigen antwoorden
Waartoe voeden we op? Dat is toch geen vraag? Tot zelfstandigheid natuurlijk. Of, zegt een ander, tot volwassenheid. Onze kinderen moeten zich straks kunnen redden in de maatschappij en op eigen benen staan, ook en vooral in moreel opzicht. We willen graag dat ze dan ook nog naar de kerk gaan. Maar dat hebben we natuurlijk niet in de hand. En zo kan ieder zijn eigen antwoorden op deze vraag geven. Al deze antwoorden hebben iets te maken met volwassenheid. Maar wat is dat nu precies volwassenheid? De pedagoog Van Wijngaarden heeft daar in de jaren zestig van de vorige eeuw het volgende antwoord op gegeven. Volgens hem omvat echte volwassenheid de volgende vier aspecten:
- de aanvaarding van zichzelf;
- de aanvaarding van de anderen (de gemeenschap);
- de aanvaarding van de ander (als huwelijkspartner);
- de aanvaarding van de zin des levens (het hebben van een levensovertuiging).
Het is een oud antwoord, maar daarom nog niet verouderd. De pedagogische opgave concentreert zich op deze vier terreinen. En de bovengenoemde centrale aspecten: sociale opvoeding, morele opvoeding en godsdienstige opvoeding komen op deze terreinen tot uiting. Laten we daarom wat dieper ingaan op deze kenmerken van volwassenheid.
De aanvaarding van jezelf
Hiermee wordt bedoeld dat je jezelf mag zien als iemand die er zijn mag. Iemand. Dat is niet niemand! Iemand, dat is een persoon, uniek. Een persoon: dat is een kind al in aanleg. En dat willen we toch dat ons kind ook wordt: een echte persoonlijkheid. In de eerste plaats mag je er zijn van de Heere, Die ook jouw Schepper is. En Die in Christus ook voor jou alles heeft overgehad. In de tweede plaats moeten je ouders je dat gevoel ook geven, het gevoel dat je welkom bent, dat je kostbaar bent.
Theologisch gezien is deze volgorde juist. Eerst is er God, Die werkt in en door mensen. Pedagogisch gezien is het andersom. Voor het kind zijn er eerst de ouders. Zij zijn (met eerbied gesproken) in de godsdienstige opvoeding de vertegenwoordigers van God op aarde. Het kleine kind kan niet geloven dat God de Betrouwbare is, aan wie je je kunt toevertrouwen, onze Vader in de hemel, als er niet eerst de eigen vader is bij wie je je veilig kunt voelen.
De opvoeding, ook de godsdienstige, begint dus met warmte, liefde, zorg en respect. Het kindje dat dat ervaart, krijgt zelfrespect en ontwikkelt vertrouwen, in zichzelf en in de wereld om hem heen. Dat kindje gaat de wereld verkennen. Dat doet het al spelend en ontdekkend. En al onderzoekend leert het kind niet alleen de wereld kennen - de wereld van de natuur en van de cultuur, bijvoorbeeld de taal -, maar ook zichzelf. Afhankelijk van de wijze waarop de omgeving op hem reageert, ontwikkelt hij zelfvertrouwen ('dat kan ik wel'), of krijgt hij een negatief zelfbeeld. ('Dat kan ik toch niet, of dat mag ik toch niet.') Deze persoonlijkheidsontwikkeling doorloopt drie fasen, waarin de ouders een belangrijke rol vervullen.
Identificatie
Daar is eerst de fase van imitatie. Deze duurt ongeveer van 0-5 jaar. Kinderen leren veel door na te doen. Vooral papa en mama worden geïmiteerd. Je kunt dat soms heel duidelijk horen aan de woorden die ze gebruiken. Je ziet het ook in het spel. Allerlei situaties uit het dagelijks leven worden verwerkt in het spel. De ontwikkeling van het zelfbeeld, positief of negatief, wordt al in deze fase grotendeels bepaald. Deze ontwikkeling is voor een deel afhankelijk van het karakter dat het kind bij de geboorte al meegekregen heeft. Sommige kinderen zijn van nature heel ondernemend. Maar het hangt ook af van de wijze waarop de opvoeders reageren op een kind: bemoedigend en stimulerend, of beperkend en afwijzend. Juist kinderen die van nature afwachtend en voorzichtig zijn, hebben meer bemoediging nodig. Dat geldt in nog sterkere mate voor kinderen met handicaps.
De tweede fase is die van de identificatie. Deze fase duurt van het vijfde jaar tot ongeveer in de puberteit of de adolescentie. Dit gaat nog wat dieper dan imitatie. Kinderen willen nu net zo zijn of worden als… papa, mama, de juf, een sportheld of mediaster, een vriend. De identificatiefiguren worden eerst in huis of dicht bij huis gezocht en later steeds verder weg. In deze fase vindt de gewetensvorming plaats. De identificatiefiguren leveren namelijk de normen en waarden. Wat papa goed vindt, ís goed.
Wat mijn vriend doet, wil ik ook doen. De volwassenheid treedt in als er sprake is van emancipatie. In de pedagogiek wordt daaronder verstaan: uitgegroeid zijn tot een echte, herkenbare persoonlijkheid, iemand die staat voor zijn opvatting en daarop aanspreekbaar is. Iemand die zichzelf aanvaardt zoals hij is.
De pedagogische opgave bij het jonge kind bestaat uit bemoedigen en de groeiende zelfstandigheid bevorderen. Dat doe je door het kind al zo vroeg mogelijk zelf dingen te laten doen en mee te laten helpen in en om het huis. (Ook op school trouwens!)
De puberteit is opnieuw een belangrijke fase in de ontwikkeling van het zelfbeeld. De vraag 'Wie ben ik?' dringt zich dan sterk op. En het antwoord op deze vraag is afhankelijk van 'Wie zeggen anderen dat ik ben?' 'Hoe vinden anderen mij?' Anderen, dat zijn nog steeds ook mijn ouders. Zien ze mij voor vol aan? Ik ben geen kind meer! Hoe denken mijn vrienden en vriendinnen over mij? En hoe denken jongens over mij (als ik een meisje ben) en omgekeerd? Ook de lichamelijke veranderingen die in de puberteit optreden spelen hierbij een belangrijke rol. Niet voor niets staan pubers veel voor de spiegel en bezetten ze langdurig de badkamer. Een gezicht vol puisten of het niet beantwoorden aan het heersende schoonheidsideaal kunnen blokkades zijn bij de aanvaarding van jezelf. Nog steeds is sociale steun en bemoediging het pedagogische antwoord.
E. BLAAUWENDRAAT
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 februari 2003
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 februari 2003
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's