Planting van God
LICHT OP DE KERK [18]
Als voorbeeld en uitwerking van het transcendente karakter van de kerk wil ik de aandacht vestigen op de notie dat de kerk in de eerste eeuwen werd beleden als 'planting Gods'. Er zouden veel meer beelden van de kerk te noemen zijn, maar gekozen is voor dit beeld, omdat ook onze vaderlandse kerk onder ons lange tijd gezien en ervaren werd als 'planting Gods'. In 1995 heeft dr. W. Aalders in zijn De kerk. Het hart van de wereldgeschiedenis deze notie opnieuw naar voren gebracht. Hij verwijst daar naar een publicatie van Jean Daniélou, een kenner van de Vroege Kerk, in Sentire Ecclesiam (1961). Een tweede reden is dat in dit beeld van de kerk het transcendente karakter duidelijk naar voren komt.
Tuin van de kerk
Al in de eerste christelijke geschriften wordt gesproken over de kerk als 'planting' (phuteia) van de Vader. Onder andere bij Ignatius van Antiochië. Uiteraard doet hij dat naar aanleiding van wat we vinden in teksten als Mattheüs 15 : 13. 'Alle plant, die Mijn hemelse Vader niet geplant heeft, zal uitgeroeid worden'. Ignatius spreekt tenminste ook al meteen over het onkruid, dat niet verzorgd wordt door Jezus Christus en dat vruchten voor de dood voortbrengt. Bij nader onderzoek blijkt Ignatius in een lange traditie te staan van spreken over het volk van God als planting van God of in nauw verwante beelden. De joden spraken zo over hun eigen volk, de Qumram-gemeenschap sprak zo over zichzelf; als over de heilige rest die ook een planting van God zou zijn. Allerlei verbindingen treden er van meet af aan bij het gebruik van deze term op. Genoemd werd al de 'heilige rest'. Daarbij staat op de achtergrond Jesaja 60 : 21: 'En uw volk zullen alle tezamen rechtvaardigen zijn, zij zullen in eeuwigheid de aarde erfelijk bezitten; zij zullen zijn een spruit van Mijn plantingen, een werk van Mijn handen, opdat Ik verheerlijkt worde.' Een andere verbinding is die met het paradijs, waar immers de 'boom des levens' stond geplant. Onder andere bij de kerkvader Ireneüs komen we de gedachte tegen dat de kerk het paradijs van God is. De bomen, dat zijn de rechtvaardigen of christenen, worden er door God in geplant door de Doop. Ook Hippolytus spreekt van de Tuin van de kerk, welker bomen de heiligen zijn, die door de stroom van het levende water, Christus (!) begoten zijn. Op deze gedachte verder bordurend, illustreert een latere kerkvader, Cyprianus, de uitgebreidheid van de kerk met hetzelfde beeld van de paradijstuin. Het paradijs met de vier stromen (de vier windstreken) spreidt zich uit over de gehele aarde. In zijn tijd was de kerk al uitgebreid tot over de hele toen bekende en beschaafde wereld.
Behalve de uitgebreidheid van de kerk kon met hetzelfde beeld ook de verinnerlijkte gestalte van de kerk in de ziel van de gelovige worden aangeduid (Origenes). De Logos, het Woord, de Christus, staat geplant als de Boom des Levens midden in het paradijs van God, maar ook geplant in de ziel. De Boom des Levens, geplant in het paradijs, brengt vruchten voort (de gelovigen), maar diezelfde Boom des Levens geplant in het hart brengt vruchten van de Heilige Geest voort.
Het beeld van de kerk als planting van de Vader wordt niet alleen verbonden met Genesis 2 (zie boven), maar ook met Psalm 1. 'Want hij zal zijn als een boom, geplant aan waterbeken, die zijn vrucht geeft op zijn tijd, en welks blad niet afvalt…' (vers 3). Inderdaad gaat het in deze psalm over de rechtvaardige. Zodra er in een tekst over 'wateren' gesproken wordt, ligt de verbinding met de Doop voor de hand. Immers wordt de 'planting' door de Vader in nauwe samenhang gezien met de Doop.
Een laatste te noemen schriftgedeelte dat hierbij op de achtergrond staat, is Ezechiël 47, de heilige wateren uit de nieuwe tempel. Waarbij de profeet de opmerking maakt: 'Toen ik weerkeerde, ziet, zo was er aan de oever van de beek zeer veel geboomte, aan deze en aan gene zijde.' Daniélou komt tot de volgende samenvattende conclusie aangaande de visie van de Vroege Kerk: 'De Kerk is door Christus en de apostelen geplant; haar Doop constitueert het ingeplant worden; haar middelpunt is Christus de Boom des Levens.'
Wijnstok
Daarnaast is er nog de zeer verwante symboliek van het volk Gods als de wijngaard des Heeren. Of als de ene boom of wijnstok met 'inplantingen'. Vooral de wijnstok is een diepe illustratie van wat het volk van God, als ingeplant door Hem, is. Hoe wijd vertakt deze symboliek in het Oude Testament is, behoeft geen betoog. Ze wordt ook in het Nieuwe Testament door Christus en de apostelen verstaan. Te denken valt aan de gelijkenissen van Christus over een wijngaard. Maar ook die over Hemzelf als de wijnstok, met Zijn discipelen als de ranken.
Ook in de Vroege Kerk is deze symboliek benut. Men spreekt over de Zoon van God die als 'weide' de gehele wereld bedekt en bij Clemens wordt de weide of de boom, die de gehele wereld bedekt of vervult, de kerk. Weer dus een illustreren van de uitgebreidheid van de kerk, waarbij steeds de notie bewaard blijft van het geplant zijn door God. Men kent inderdaad ook de voorstelling van een boom die de gehele aarde bedekt. Men is daarmee uiteraard zowel aan het begin van het Oude Testament (Genesis 2) als ook aan het eind van het Nieuwe Testament (Openbaring): de Boom des Levens. Ook verbindt men die Boom des Levens met het midden van de Schrift: het Kruis op Golgotha.
Men moet zich hoeden voor de gedachte dat wij hier alleen maar van doen hebben met gedachtespinsels van de eerste christenen. Zeker niet mag men hier spreken van 'vergeestelijken'. De beelden waarin men spreekt, zijn de beelden die door God in schepping en Schrift zijn neergelegd en de verbindingen die men legt, zijn de verbindingen die alweer in, de Schrift worden gelegd. Denk alleen maar aan het boek Openbaring. Het zijn ook niet alleen maar 'beelden'; het zijn heilige en hogere werkelijkheden. Met het woord 'planting' zoekt het Nieuwe Testament en in aansluiting daarop de Vroege Kerk te zeggen, dat de kerk een oorsprong heeft die ligt buiten de tijd en buiten de zichtbare werkelijkheid die ons omringt: de kerk is een planting van de Vader.
Toepassing
Ik acht dat wij zeer voorzichtig moeten zijn om zomaar een toepassing te maken naar onze tijd en onze (Nederlandse Hervormde) Kerk. Niet omdat er onzekerheid bestaat over het juiste van de visie van de Vroege Kerk. Integendeel. De notie dat de kerk door God geplant is, is door vele christenen van vandaag de dag, ten onrechte geheel vervaagd. Het geloof in de kerk als planting Gods zou het geloof in de maakbaarheid van de kerk (welke dan ook) doen ophouden.
Voorzichtig moeten wij zijn met de toepassing. Niet omdat we eraan twijfelen dat ook de Hervormde (gereformeerde) Kerk in ons vaderland door God hier is geplant. Eerst in de Middeleeuwen en later in de eeuw van de Reformatie. Dit is niet een romantische gedachte, maar een heilige werkelijkheid.
Voorzichtig moeten wij zijn, omdat we vóór alles nodig hebben terug te ontvangen het diepe geloof van de Vroeg? Kerk en de Kerk van de Reformatie. Onder andere het geloof in de kerk als planting Gods en als een de wereld overstijgende werkelijkheid. Dan pas zal het ons wellicht gegeven worden zuivere lijnen te trekken vanuit het verleden naar het heden.
J. J. VERHAAR, HOUTEN
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 februari 2003
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 februari 2003
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's