Globaal bekeken
In dagblad Trouw werd een aardige vergelijking gemaakt tussen de (vroegere) zwemvaardigheid van de VVD-politica Erica Terpstra en haar politieke ambacht.
'Volgens onze huisstatisticus blijkt uit de reeks dat de zwemprestaties van Terpstra begin jaren zestig (zilver en brons op de Olympische Spelen van 1964 in Tokio) tien jaar later nauwelijks een stemmotief opleverden. In de politieke geschiedenis trok ze volgens een oud verhaal dankzij haar zwemvaardigheid wel een klein maar fijn spoor, door het SGP-kamerlid Cor van Dis uit het water van de Caribische Zee te redden. Dat gebeurde eind jaren zeventig tijdens een bezoek van een parlementaire delegatie aan de Antillen. Toen de kamerleden in een verloren uurtje aan het spelevaren waren, sloeg het bootje waarin zich Van Dis bevond plotseling om. Terpstra zag het gebeuren. Zij wist dat de staatkundig-gereformeerde politicus niet kon zwemmen en dook onmiddellijk te water. Met een krachtige borstcrawl zwom zij op het spartelende kamerlid toe en voerde hem in haar machtige armen naar het veilige strand.'
Een lezer uit Sprang Capelle stuurde ons het volgende 'grappige voorval', opgenomen in het kerkblad Kontakt van de plaatselijke Gereformeerde Kerk over 'een oudejaarsdienst':
'Juist vanavond, op 31 december 2002 was het precies 50 jaar geleden dat het gebeurde - men schreef toen 31 december 1952.
Als knul van toen 14 was ik tijdens de kerstvakantie bij mijn opa en oma te Rotterdam. Het was daar goed. Een week alleen in een wereldstad is toch het einde?
Mijn opa, geboren en getogen op de Zuid-Hollandse eilanden en ooit conducteur op de tramboot van Hellevoetsluis naar Middelharnis, noemde mijn oma altijd ouwetje.
Zo rond een uur of negen op de bewuste oude jaarsavond in 1952 stond opa op, trok zijn jas aan, zette zijn hoed op, pakte zijn wandelstok en riep: "Kom ouwetje, kom Piet, we gaan - de oudejaarsdienst begint zo".
Het werd zijn laatste.
Wij naar de kerk.
Tot en met de zegenbede verliep alles zoals dat zo mooi heet - in goede orde. Alles wees er op naar een knallend uiteinde te gaan. Dominee verzamelde reeds zijn spullen om de preekstoel af te dalen. Op naar de oliebollen. En toen gebeurde het.
Uit volle borst en keihard begon opa ineens te zingen: Uren, dagen, maanden, jaren vliegen als een schaduw heen.
Ik was ontsteld. Maar niet iedereen. Twee, drie, tien, twintig gemeenteleden zongen ineens mee, en op afstand zette de organist in. ledereen zong. Twee verzen zong men uit het hoofd. Opa, even later bij de oliebollen thuis, "dat lied hoort toch op oudejaarsavond gezongen te worden!"
Precies een maand later, het was 1 februari 1953 kwamen de eerste berichten van de watersnoodramp via de radio op ons af, van de Zuid-Hollandse eilanden, van Zeeland en uit Noord-Brabant. Die dag stierf mijn opa aan een hartstilstand, 73 jaar oud. Deze ramp was hem te veel.
Vele jaren later overleed Ouwetje, mijn oma, 101 jaar oud.'
In het Nederlands Dagblad schreef Willem Bouman over 'Hoogdravende zwetserijen op de kansel'. Twee fragmenten:
• 'Moeiten met de preek zijn er vaak en veel geweest in Nederland. Op het Convent van Wezel in 1568 maakten de gereformeerde vaderen zich zorgen over de platte en hoogdravende bewoordingen en het ijdele vertoon van menig prediker. Iedere dominee moest z'n best doen de Bijbel duidelijk uit te leggen en toe te passen, "na 't begrip der toehoorderen". De vaderen waarschuwden voor lange preken, die de aandacht afleidden en de hoorders vermoeiden, "ende alsoo als een walginghe der maag voortbragten". Lange preken, daar werd de gemeente misselijk van. In Dordrecht was het dominees verboden langer dan anderhalf uur te preken, op straffe van drie stuivers; een zandloper op de kansel gaf aan hoe laat het was. Maar veel dominees volhardden in de zonde. Catechismuspreken op zondagmiddag duurden twee tot vier uur en soms nog langer.
Er kwamen ook regels voor de inhoud van de preek. In 1574 bepaalde de synode van Dordrecht dat een bijbelboek achter elkaar uitgelegd moest worden, bij voorkeur een boek uit het Nieuwe Testament, "tenzy met raad en advys van den kerkeraad". Niettemin moest de gemeente moeite doen om de preek te volgen. Dominees citeerden graag in het Grieks of het Hebreeuws om te laten zien hoe geleerd ze waren. Ze weidden uit over vernuftige vragen die het hart niet konden roeren: Zou de opstanding der doden plaatsvinden bij dag of bij nacht? Zou God een hoer kunnen veranderen in een maagd?'
• 'Vooral in de achttiende eeuw werd er veel gejammerd over de prediking. Een criticus, Van den Velde, hekelde in 1729 "de leeraars, die hunne predikatiën met hoogdravende zwetserijen en gezwollene spreekwijzen opsmukten". Soms hechtten de hoorders eraan. Een dominee die stopte met het citeren van Hebreeuwse teksten, stuitte op verzet van de kerkenraad, want de gemeente voelde zich zo gesticht door het Hebreeuwse woordgebruik. Lange preken waren vervelend, maar niet onoverkomelijk, omdat de gemeente was gewend aan het trage verstrijken van de tijd. Wie zes uur in de komedie zat of drie dagen in de trekschuit, zat ook een preek van anderhalf uur wel uit.'
V.D.G.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 maart 2003
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 maart 2003
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's