Leren verantwoordelijk zijn
CHR. OPVOEDING IN EEN VERANDERENDE WERELD [6]
De aanvaarding van de anderen (de gemeenschap)
Hier betreden we het terrein van de sociale ontwikkeling. Menselijk leven is samenleven. Zo is het bedoeld door de Schepper. We zien dat al op de eerste bladzijden van de Bijbel. 'Het is niet goed dat de mens alleen zij…' En de wet van God is daarop gebaseerd. 'Want de gehele wet wordt in één woord vervuld, namelijk in dit: Gij zult uw naaste liefhebben, gelijk uzelven'(Gal. 5 : 14). Zo behoort, bijbels gezien, de sociale opvoeding tot de kern van de christelijke opvoeding. Ook op het gebied van de sociale ontwikkeling zijn kinderen verschillend. Het ene kind maakt gemakkelijker contact met andere kinderen dan de ander. Het vereist ook een zekere moed om toenadering tot anderen te zoeken. Er zijn kinderen - trouwens ook volwassenen - die niet gemakkelijk contact leggen. Zij zijn verlegen of er is zelfs sprake van sociale angst. Hoe positiever het zelfbeeld is, hoe gemakkelijker contacten worden gelegd. Een gevoel van minderwaardigheid werkt remmend op de sociale ontwikkeling. Karakter en opvoeding spelen hierbij een rol, zo hebben we in het voorgaande gezien. Ook ervaringen - of het gebrek aan ervaringen - zijn van belang. Het is te begrijpen dat kinderen die dagelijks worden gepest, bang worden voor contact met andere kinderen.
En in het moderne westerse kerngezin - één of twee ouders en gemiddeld twee kinderen - is een goede sociale ontwikkeling minder vanzelfsprekend. Kinderen leren dan niet vanzelf delen, samenwerken en zich verplaatsen in de ander. Daar ligt dan een taak voor de opvoeder om situaties te creëren waarin kinderen dat wel leren. Daarom: een peuter van 3 jaar één of twee halve dagen per week naar een goede crèche sturen in het kader van sociale opvoeding, is zeker niet slecht. En daarna, in de schoolkindfase, is het hebben van vriendjes heel belangrijk. We zouden als opvoeders dan ook blij moeten zijn als ons kind met een passend vriendje of vriendinnetje omgaat. Ook op dit terrein zijn twee ontwikkelingsperioden van groot belang: de peuter- en kleuterfase (2-6 jaar) en de puberteit. In de puberteit wordt de groep van leeftijdgenoten (de peergroep) wel heel belangrijk. Pubers willen daar bij horen en hebben er veel voor over om erbij te horen. Ze passen zich aan in kleding, in muziekkeuze, in taalgebruik, in vrijetijdsbesteding, enzovoort. Het lijkt wel of de ouders veel van hun invloed op hun kind verliezen. De praktijk wijst uit dat dat meestal slechts schijnbaar het geval is. Ook hierin kan de kerk een sterke ondersteunende rol vervullen. We denken dan aan allerlei vormen van clubwerk en jeugdwerk. Jongeren hebben behoefte aan ontmoeting. We kunnen een goede sociale (en morele ontwikkeling) zeer bevorderen door ruimte te scheppen voor de jeugd (letterlijk en figuurlijk).
De aanvaarding van de ander (als levenspartner)
Eigenlijk kan men het christelijke opvoedingsdoel heel kort benoemen met: opvoeden tot verantwoordelijkheid. Het gaat hierbij bijbels gezien om:
- verantwoordelijkheid voor jezelf (gewetensvorming en opvoeding in normen en waarden);
- verantwoordelijkheid voor het andere, de schepping (opvoeden tot goed rentmeesterschap);
- verantwoordelijkheid voor de ander(en) (opvoeden tot naastenliefde);
- verantwoordelijkheid tegenover de Ander, God (opvoeden tot de vreze des Heeren).
Leren verantwoordelijk te zijn voor de ander (als naaste) begint ook al heel jong. Echte vriendschap en trouw zijn vooroefening voor huwelijkstrouw. De puberteit is bij uitstek de periode waarin de seksualiteit ontwaakt. Kinderen krijgen dan belangstelling voor het eigen en het andere geslacht. Als het goed is, krijgen jongens belangstelling voor meisjes en omgekeerd. Dat willen we natuurlijk ook als ouders. Toch gaan we daar nogal eens krampachtig mee om. Dat is jammer. Dat kan betekenen dat we over deze dingen niet met onze jongeren in gesprek blijven en dat we in feite seksuele vorming en relatievorming maar op zijn beloop laten. Dat is onverantwoordelijk als we ons realiseren wat de wereld biedt op het gebied van relaties en seksualiteit. De wereld, dat is niet alleen de wereld van de literatuur, de reclame, de films enzovoort, maar ook de wereld vlakbij: die van verstoorde relaties en gebroken huwelijken.
Als we ons afvragen hoe op dit terrein de pedagogische opgave eruitziet, dan rijzen vragen als:
- Zijn vriendjes van onze kinderen welkom in huis?
- Hoe gaan wij als ouders in liefde met elkaar om? Zien onze kinderen hier iets van?
- Praten wij (en hoe praten wij) over seksualiteit, over lichamelijkheid, over liefde?
- Wat komt er bij ons in huis? (bladen, televisieprogramma's, computerspelletjes, internet)
- Blijven wij met onze pubers in gesprek?
- Krijgen onze jongeren ook de gelegenheid elkaar in een relatief beschermde omgeving te ontmoeten? (Hier kan de kerk weer een goede aanvullende functie hebben.)
Als het goed is, leren onze jongeren in deze levensfase wat het is stabiele relaties aan te gaan en om heel specifiek de verantwoordelijkheid te nemen voor een ander, voor een echtgenoot en voor kinderen in het bijzonder. En hun ouders zijn en blijven hierin toch het sterkste voorbeeld.
De aanvaarding van de zin des levens
We bedoelen hiermee de keuze voor een eigen geloofsovertuiging. We betreden het terrein van de geloofsopvoeding.
De puberteit is ook de periode waarin jongeren nadenken en met elkaar praten over God en de wereld, over het recht en onrecht in de wereld. 'Als er een God is, waarom is er dan…'? Ze staan open voor het transcendente en het religieuze, alleen nemen ze geen genoegen met snelle en dogmatische antwoorden. Ze willen erover in gesprek met ons en met elkaar en serieus worden genomen met hun vragen. Pubers zijn soms heel idealistisch en radicaal. We moeten hen niet te snel afwijzen op hun zoektocht door het leven. Onze pedagogische opgave bestaat vooral uit het perspectief bieden en op een niet al te nadrukkelijke, maar echte manier getuigen van de hoop die in ons is. (En daaruit zelf leven, natuurlijk!) We moeten vertrouwen hebben in onze kinderen en dat ook uitstralen. Veel samen praten en samen doen (op vakantie gaan bijvoorbeeld). En, voor zover het van ons afhangt: vrede houden met onze kinderen.
De kerk kan ook hier weer een belangrijke aanvulling en ondersteuning geven aan de geloofsopvoeding, opnieuw door ruimte te geven binnen het jeugdwerk en dat te leiden en te organiseren met wijsheid en mildheid. Pubers en adolescenten kunnen heel idealistisch zijn:
- ze willen zendeling of ontwikkelingswerker worden;
- ze zijn actiefin acties voor Woord en Daad, of soortgelijke ideële organisaties;
- ze zingen in koren;
- ze evangeliseren op campings en op straat;
- ze geven soms beschamende voorbeelden van Godsvertrouwen.
En wat hebben wij te bieden? Bij geloofsopvoeding kunnen we onderscheid maken tussen vier aspecten:
- Onderwijzen. Dat doen we meestal wel. We leren onze kinderen bidden. We lezen aan tafel. We nemen ze mee naar de kerk. We sturen ze naar catechisatie. En niet te vergeten: de christelijke school. Daar krijgen ze bijbelse geschiedenis.
- Communiceren. Maar praten we ook veel met onze kinderen, vooral de oudere, over (ons) geloof? Is er überhaupt wel tijd voor gesprekken met onze kinderen? Of hebben we het altijd druk en zijn we moe?
- Voorbeeld. En wat laten we zien van wat onszelf drijft en bezielt in het leven? Laten we onze kinderen in ons hart kijken?
- Oefenen en in praktijk brengen. Welke ruimte geven wij als ouders en als kerk aan onze jongeren om het geloof te oefenen? Nemen we hen serieus en laten we hen ervaren dat ze belangrijk zijn en dat we hen nodig hebben? Want wat is de christelijke gemeente zonder kinderen, zonder jongeren, zonder mensen met een handicap, zonder mensen die anders zijn? Ze horen er allemaal bij, zo lezen we in 1 Kor. 12. En ze zijn allemaal even belangrijk en onmisbaar om echt gemeente van Christus te zijn.
We moeten oppassen in de geloofsopvoeding dat we geen hinderaars zijn, zoals de discipelen de kinderen verhinderden om tot Jezus te komen. Heere, wil ons in Uw dienst nemen, juist ook in de opvoeding van onze eigen kinderen, tot uitbreiding van Uw koninkrijk. Wil ons bekwamen tot dat werk. Maak ons ook tot arbeiders in uw wijngaard, tot eer en verheerlijking van Uw naam. Mag dat -tot slot van deze reeks artikelen- onze bede zijn.
E. BLAAUWENDRAAT
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 maart 2003
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 maart 2003
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's