De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Twee fronten voor Calvijn

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Twee fronten voor Calvijn

LICHT OP DE KERK [19]

7 minuten leestijd

In het voetspoor van Augustinus heeft de reformator Calvijn zich diepgaand bezonnen op de leer over de kerk. Met name haar eenheid ging hem ter harte. Dit eenheidsideaal stond echter geducht onder spanning. Want de teerling was geworpen en de eenheid met het rooms-katholicisme verbroken. De kloof bleek niet te overbruggen, wat een moeite Calvijn zich, blijkens zijn aandeel in diverse godsdienstgesprekken, ook getroostte. Maar wat volgens Rome kerkscheuring heette, was in Calvijns oog juist herstel van de ene katholieke kerk. De achtergrond van dit tegengestelde oordeel is gelegen in een fundamenteel verschillend inzicht in het wezen van de kerk. Alvorens dit toe te lichten, wil ik in herinnering roepen dat Calvijn in dit opzicht niet alleen met Rome geconfronteerd werd, maar ook met de dopersen.

Tweeërlei front
Calvijn wilde zowel Schriftgebonden als tijdbetrokken theologiseren. Dit laatste betekent dat hij grondig kennis nam van wat er in de eigentijdse christenheid omging. Daarin wist hij zich gesteld tegenover voornamelijk twee fronten. Enerzijds was daar het machtsblok van Rome, anderzijds de niet te onderschatten nevenstroming van de Reformatie, de beweging van de dopers. De christenheid lag dus uiteen, nu niet slechts tussen Oost en West -zoals reeds sedert 1054 het geval was- maar tussen drie gezindten die in dezelfde geografische omgeving van West-Europa woonachtig waren. Theologisch en kerkelijk stonden ze op wezenlijke punten tegenover elkaar. Bezinning op de kerkelijke eenheid was dus geen overbodig tijdverdrijf, maar een directe vereiste. Dit heeft Calvijn scherp aangevoeld. Hij was er zich diep van bewust dat de reformatorische positie bij uitstek ook in kerkelijk opzicht tot verantwoording dwong. Immers, Rome rekende het de hervormingsgezinden zwaar aan, de eenheid te hebben verbroken, terwijl de dopers hun juist verweten dat ze ten onrechte vasthielden aan het instituut kerk, met haar geordende ambten en haar nadruk op de kinderdoop. Kort gezegd, volgens Rome plaatste de Reformatie zich buiten de kerk, en volgens de dopers was de Reformatie te veel kerk.
Men bespeurt in Calvijns uiteenzettingen over kerkelijke eenheid voortdurend hoezeer hij op zoek is naar een evenwichtige benadering om dit tweeërlei verwijt te ontzenuwen. Het komt hierop neer dat hij het roomse kamp voorhoudt dat wettige eenheid haar grond en haar grens vindt in de waarheid van Gods normatieve Woord, en dat hij de dopers oproept om ter wille van datzelfde Woord de eenheid te eerbiedigen. Om deze brandpunten cirkelen Calvijns gedachten. In zijn brief aan Sadoleto (1539), die poneerde dat de (katholieke) kerk altijd en overal door de Geest in de waarheid wordt geleid, antwoordt Calvijn met de vlijmscherpe zinsnede dat de overeenkomst tussen Rome en de dopers deze is dat ze beiden schermen met 'de Geest', om op het graf van het Woord hun eigen leugens op te richten! Het Woord is normatief. Kerkelijke eenheid is gekwalificeerde eenheid. Ze berust noch op ingevingen van de 'Geest' buiten het Woord om, noch op menselijke overlevering die los van het Woord aan de Geest wordt toegeschreven, maar op het geschreven en geloofde Woord. De kerk is daar waar mensen door de leer van Christus en (op deze wijze) door de Geest verbonden zijn. Laten we zien hoe dit uitgangspunt zijn uitwerking krijgt.

Onzichtbaar en zichtbaar
In de controverse met Rome legt de reformator, vooral aanvankelijk, zware nadruk op de onzichtbare kant van de kerk. De Romana had zich ontwikkeld tot een machtig en massief instituut, dat zich met goddelijk gezag bekleed wist. De uitleg van de Schrift en de uitdeling van het heil via de sacramenten lag in handen van paus, prelaten en priesters. Lijnrecht hiertegenover stelt Calvijn in zijn eerste Institutie (1536) dat de kerk niet in de eerste plaats wordt gevormd door haar sacramentele handelingen en zeker niet door een instantie die de zaligheid kan toebedelen, maar dat zij bestaat uit het volle getal der uitverkorenen van alle tijden en plaatsen, die in Christus door Woord en Geest zijn verenigd. Die kerk is niet waarneembaar voor het oog, maar voorwerp van geloof. Zij is het werk van God en niet van mensen. En al maakt de Heere gebruik van menselijke instrumenten, het geheim van de toebrenging van Zijn volk kan nooit berusten bij mensen die over de genade zouden beschikken, maar louter in de genadige God Zelf. Hij is het Die door de krachtdadige werking van de Geest in de harten der mensen het geloofsvertrouwen schept en hen tot de verborgen gemeenschap met Christus voert. Dit brengt de Geest niet tot stand door de handen van priesters, die het sacrament -en daarmee de genade- distribueren, maar door de mond van dienaren des Woords, die de beloften van het Evangelie verkondigen.
Uit deze centrale positie van de prediking blijkt dat Calvijns verzet tegen de pauselijke veruitwendiging hem allerminst verleidt tot een veronachtzaming van de zichtbare en hoorbare kant van de kerk. Voor dit aspect heeft hij zelfs gaandeweg meer oog gekregen. Daaraan heeft met name de intensieve omgang met Martin Bucer gedurende zijn Straatsburgse interim (1538-41) veel bijgedragen. Bovendien kwam hij tijdens diezelfde jaren in direct contact met diverse dopers. In hun denkbeelden werd aan het 'slechts uiterlijke' Woord nauwelijks aandacht geschonken. Zij leefden bij de Geest en zochten wel eenheid, maar louter met gelijkgezinden. Het is met name tegenover deze Geestdrijvers dat Calvijn de onmisbare waarde van de Schrift en van de zicht- en hoorbaarheid van de ene kerk onderstreept. Deze accenten zijn bepalend voor Calvijns gedachten over de eenheid van de kerk.

De kerk als moeder
In de definitieve versie van de Institutie krijgt de kerk een plaats in het vierde Boek. Het draagt als opschrift: 'De uiterlijke hulpmiddelen waardoor God ons tot de gemeenschap met Christus nodigt en in haar bewaart'. Meteen al in het eerste hoofdstuk hiervan staat de eenheid centraal.
Veelbetekenend krijgt het de titel mee: 'De ware kerk, waarmee wij eenheid moeten onderhouden, omdat zij de moeder is van alle vromen'. Dit moederschap van de kerk acht Calvijn van uitnemend belang. De beeldspraak heeft een drievoudige betekenis. Allereerst sluit het helemaal aan bij het opschrift van Boek IV. De kerk is uiterlijk hulpmiddel! Dat zet haar op de plaats. Die plaats is bescheiden. Terwijl bij Rome de kerk vrijwel samenvalt met de zaligheid, wil Calvijn van deze overschatting niet weten. De kerk is niet het heil zelf, maar vormt het middel waardoor de Heere ons het heil deelachtig maakt. Meer is zij niet. Maar ook niet minder.
Dit voert ons tot het tweede aspect van de beeldspraak. Als moeder is de kerk weliswaar niet te verwarren met de zaligheid zelf, maar dit neemt niet weg dat ze wel strikt noodzakelijk is om ons tot de zaligheid te leiden. De reden is dat haar de prediking en sacramentsbediening is toevertrouwd. En daarvan koestert Calvijn hoge verwachting. Want in de kerk komt het Woord tot klinken. Maar dat niet alleen. Het vindt er door Gods genade ook weerklank in de harten. Het uiterlijke hulpmiddel -de kerk- blijkt dus wel heel nauw verbonden te zijn met het innerlijk gewerkte heil. Vandaar dat men Calvijns waarschuwing voor de overschatting van de kerk (zoals bij Rome) beslist niet moet verslijten voor een onderschatting ervan (zoals bij de dopers).
Het derde aspect is dat het moederschap van de kerk haar eenheid onderstreept. Christenen zijn 'kinderen van één moeder'. Prof. Graafland wijdde er indertijd onder de gelijknamige titel een belangrijke studie aan. Middellijkerwijs hebben wij aan deze moeder het (geestelijke) leven te danken. In de kerk worden wij geboren en getogen. Daar is het dat ons geloof moederlijk wordt gevoed en onderhouden. Wie zou nu deze moeder achteloos de rug toekeren? Allen die God tot Vader hebben -zo stelt Calvijn met Cyprianus- zullen de kerk tot moeder hebben. Deelgenootschap aan de ene kerk en gemeenschap met de enige God zijn niet te scheiden. Het luistert hier dus wel heel nauw, zoals het vervolg ons zal leren.
A. DE REUVER

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 maart 2003

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Twee fronten voor Calvijn

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 maart 2003

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's