Niet verlaten, maar herstellen
LICHT OP DE KERK [21]
Het valt te verstaan dat Calvijn zijn verzet tegen afscheiding van de kerk vooral onderstreept aan het adres van de dopers. Die meenden immers voldoende reden te hebben om de (reformatorische) kerk, die bestond uit een vermenging van bekeerden en onbekeerden, vaarwel te zeggen, teneinde een afgezonderde gemeenschap van heiligen te vormen. De hervormer brandmerkt deze praktijk als levensgevaarlijke hoogmoed. In dit verband gaat hij heel ver om zijn pleidooi voor onverbrekelijke trouw aan de kerk te onderbouwen. Op drie argumenten van de doperse afscheidingsgedachte gaat hij kritisch in.
Gebreken
Om te beginnen tekent hij protest aan tegen de stelling dat een christenmens geen gemeenschap kan onderhouden met een kerk waarin weliswaar Woord en sacramenten worden bediend, maar waarin niettemin allerhande mankementen zijn te signaleren. Calvijn houdt staande dat zo'n kerk, ook al zou zij vol fouten en gebreken zijn, toch niet mag worden afgeschreven. Op welke fouten hij doelt, zegt hij er niet bij. Te denken valt evenwel aan liturgische onvolkomenheden, bestuurlijke oneffenheden en diaconale tekortkomingen. Die kunnen ernstig zijn, maar mogen nooit een grond tot afscheiding vormen.
De stap die Calvijn vervolgens zet, is echter ingrijpender. Want in de tweede plaats poneert hij dat we de gemeenschap zelfs dan niet mogen verbreken, wanneer er in de bediening van de leer of de sacramenten fouten waren geslopen. Dat hangt er maar van af. Niet alle onderdelen van de leer zijn immers van hetzelfde gewicht, zo was Calvijns overtuiging. Sommige acht hij noodzakelijk en absoluut, zoals de belijdenis dat er één God is, dat Christus de Zoon van God is, dat onze zaligheid puur in Gods genade is gelegen en dergelijke (elders voegt hij toe: de verdorvenheid van het menselijk geslacht, de rechtvaardiging door het geloof, het drievoudige ambt van Christus, de bekering, het geloof in de beloften, de geloofszekerheid, het ge- 166 bed). Maar er zijn ook onderdelen waarover tussen de plaatselijke en regionale kerken exegetisch en dogmatisch verschil van inzicht kan en mag bestaan, zonder dat daardoor de eenheid in het geloof wordt aangetast (bijvoorbeeld de interpretatie van Christus' nederdaling in de hel). Hiermee wil Calvijn eenieder op het hart binden de kerk niet lichtvaardig te verlaten, maar haar gebreken te herstellen. Vurig heeft hij er dan ook voor geijverd om leerstellige geschillen tussen de diverse vertegenwoordigers van de reformatorische beweging bij te leggen. Calvijn was een ware bruggenbouwer. In zijn traktaat Ouer de ergernissen noemt hij het een geraffineerde list van de duivel om juist Gods leidinggevende dienaren tot onenigheid aan te zetten, een list die helaas tot in de recente geschiedenis van de kerk niet zelden succes heeft. 'We moeten er alles aan doen om dat te voorkomen', zo luidt Calvijns appèl.
Levensgedrag
Geen wonder dat voor Calvijn - en dat is zijn derde ijzer in het vuur- een afscheiding op grond van een onvolkomen levenswandel van de kerkleden nog veel minder in aanmerking komt. Fel en ironisch neemt hij die lieden op de korrel die zich zo bovenmenselijk heilig wanen dat ze met een gezelschap dat uit mensen van vlees en bloed bestaat niets van doen willen hebben. Overigens kan Calvijn de ergernis aan een onheilig levenspatroon maar al te goed begrijpen. Ruiterlijk geeft hij toe dat de 'vervloekte traagheid' in het heilig houden van de gemeente nooit te verontschuldigen is. Maar de zonde waaraan die 'volmaaktheidsdrijvers' zich schuldig maken, is dat ze in hun ergernis geen maat weten te houden. Alsof er geen kerk zou kunnen bestaan dan alleen bij volkomen zuiverheid van levensgedrag! Hoezeer de reformator ook ijvert voor de heiliging van het christenleven, hij maakt van deze heiligheid geen wezenskenmerk van de kerk. Zijn liefde voor de heiligheid blijft voor de grens van het rigorisme staan (W. Balke).
Een zuivere kerk?
Een zuivere kerk behoort niet tot deze bedeling. De kerk heeft nog een gebroken en voorlopige gestalte en daarmee een gemengd karakter. In navolging van Augustinus beroept de hervormer zich op gelijkenissen als die van het visnet, van de akker en van de dorsvloer. De kerk wordt gevormd door een schare die vermengd is: goede en kwade vissen, graan en onkruid, tarwe en kaf. Er is op aarde (nog) geen kerk zonder vlek of rimpel.
Een sterk argument voor zijn zienswijze vindt Calvijn in de gemeente van Korinthe. Daar heerste niet alleen bederf in zedelijke zin, maar ook in leerstellig opzicht, zoals blijkt uit de misvattingen over de opstanding en de misstanden rond de maaltijd des Heeren. Zocht Paulus echter de scheiding? In geen geval. Wel berispte de apostel de Korinthische gemeente scherp en riep hij haar op, de avondmaalsviering heilig te houden, maar daarbij spoorde hij de gemeenteleden niet aan om elkaar te toetsen, laat staan om de kerkelijke gemeenschap te verlaten, maar om zichzélf te beproeven. En als nu Paulus zelfs deze zwaar vervallen gemeente van Korinthe nog beschouwde als een kerk van Christus, wie zou dan de naam van kerk durven ontzeggen aan hen die 'niet eens van het tiende deel van die misstanden kunnen worden beticht'? Opmerkelijk genoeg steekt naar Calvijns oordeel dus het gehalte van de reformatorische kerken, alle gebreken ten spijt, nog gunstig af tegen dat van de Korinthische gemeente (C. Graafland).
Heiligheid
Maar hoe staat het dan met de heiligheid van de kerk? In het gevolg van Augustinus en niet minder van Luther spreekt Calvijn daarover heel spanningsvol. Naar bijbelse maatstaf kan hij ook niet anders. Enerzijds stelt hij dat de kerk geheiligd is, in Christus. Heilig is zij omdat zij krachtens Gods verbondshandelen is afgezonderd van de wereld en in de naam van de Drieenige is gedoopt. Maar de andere kant •is deze, dat de kerk geheiligd wordt. Want door Zijn Geest is God nog dagelijks doende haar te reinigen. Haar heiligheid is dus nog niet voltooid. Zolang de kerk de eindstreep van haar pelgrimsweg niet heeft bereikt, is ze nog niet volmaakt. Ze is onderweg. Evenals Augustinus acht Calvijn de gedachte dat de kerk op aarde al de graad van volkomenheid kan bereiken een ongeduldig en verwerpelijk vooruitgrijpen op de heerlijkheid. Die.zal immers eerst bij Christus' verschijning aanbreken. Wie de kerk dus verlaat, . omdat zij niet volkomen heilig is, be-. zondigt zich aan het ongeduld van de. voorbarigheid.
Van belang is in deze samenhang ook" Calvijns beroep op de houding van de' oude profeten. Hoe bewogen deze Godsmannen de wantoestanden van hun volk ook ontmaskerden en veroordeelden, zij richtten evenwel geen nieuwe 'kerken' op, wars als zij waren van afscheiding en vol als zij waren van de ijver om de eenheid te bewaren. Hoewel Calvijn de notie van hetver j ^ bond in deze context sporadisch bij 1 ' L name noemt, blijkt uit passages'als" deze hoezeer in zijn kerkbeschouwing het oudtestamentische verbondslcader model staat.
Op vergeving aangewezen
Nog één pijl heeft Calvijn op zijn boog. Het zou wel eens kunnen wezen dat hij zijn krachtigste argument voor het slot heeft bewaard. Hoe het ook zij, de laatste tien paragrafen van het genoemde hoofdstuk uit de Institutie wijdt hij aan de samenhang van de kerkelijke eenheid en het leerstuk waarmee de kerk staat of valt, te weten de rechtvaardiging van de zondaar door het geloof alleen. In plaats dat de kerk een verzameling van volmaakte en zondeloze heiligen zou zijn, is zij veeleer een gemeenschap waaraan God de bediening der verzoening adresseert. Haar plaats is onder het Woord. Op die plek wil Christus met zondaren zijn. Vandaar dat in het Apostolicum het artikel over de vergeving der zonden vastgeknoopt is aan het artikel over de kerk. Calvijn vat deze koppeling zo op dat de kerk een gemeenschap van zondaren is dip levenslang is aangewezen op de boodschap der verzoening die nog dagelijks geschiedt.
Ongetwijfeld valt in deze gedachtegang de echo te vernemen van Luthers befaamde stelling dat de christen tegelijk rechtvaardig en tegelijk zondaar is. Zij die door het geloof in Christus gerechtvaardigd en geheiligd zijn, hebben nochtans blijvend vergeving van zonden nodig. Wat ze hebben, hebben
zij tevens van node. Dat de uitdeling van deze vergevende genade aan de kerk is toebetrouwd, staat voor Calvijn vast. Daar immers wordt in Christus' naam de sleutelmacht uitgeoefend en de toegang tot het verzoende hart van de Vader vrijgegeven. En aangezien wij levenslang niets noodzakelijkers en niets kostbaarders kunnen ontvangen dan de toerekening van Christus' bloed en gerechtigheid en de heiligende kracht van Zijn Geest, betekent het verlaten van de ene, zichtbare kerk zoveel als het dicht werpen van een waterbron in de woestijn! Het is vanuit deze gezichtshoek dat de hervormer zijn afkeer van het schisma nogmaals beklemtoont. En hij doet dat niet alleen met de deskundigheid van een dogmaticus, maar vooral met de gedrevenheid van een pastor: 'Laat daarom eenieder van ons bedenken dat dit zijn roeping is: de vergeving der zonden nergens anders te zoeken dan daar waar de Heere haar gesteld heeft'.
Besluit
Wanneer we Calvijns uiteenzetting over de eenheid van de kerk overzien, stellen we vast dat hij de zicht- en hoorbare gestalte van de kerk maximale waarde toekent. De kerk mag dan niet het heil zelf zijn, toch is zij vanwege haar boodschap niets minder dan de ruimte en het gebeuren waar God door Woord en Geest ons in Christus' heil doet delen. Omdat de kerk de werkplaats is van Christus' Geest, staat zij hoog genoteerd. Vanwege de werkzame tegenwoordigheid van de drie-enige God beoordeelt Calvijn elke scheiding van deze Woordkerk als heiligschennis. Wie een gehavende kerk verlaat, pleegt verraad. Bij de concrete toepassing van dit calvijnse standpunt in onze huidige situatie kan men minstens twee vragen stellen. De eerste is of men Calvijns eenheidsvisie als bijbels legitiem (h)erkent, de tweede of men de gefuseerde kerk die aanstaande is als een wettige kerk kan zien, een kerk dus die aan het tweevoudige criterium voldoet. Ik verwacht dat 'onder ons' het antwoord op de eerste vraag positief uitvalt. De tweede vraag wordt minder eensluidend beantwoord. Mocht mijn eigen antwoord er iets toe doen, dan mag men weten dat het 'ja' is. Het is echter geen onaangevochten 'ja'.
Ik zeg het veeleer met vrezen en beven, omdat het dikwijls wordt betwist door wat voor ogen is. Het kan louter een 'ja' zijn dat zijn grond vindt in de genadige trouw van God, Die ondanks veel ontrouw tot op de dag van vandaag in Woord en sacrament in ons midden wil zijn, en van Wie wij afsmeken dat Hij ook morgen bij ons zal blijven. Weggaan waar de Heere blijft, is niemand geraden. Meegaan kan alleen met de geloofsmoed en de gebedsootmoed van Psalm 138: 'Uw goedertierenheid (verbondstrouw), HEERE, is in eeuwigheid; en laat niet varen de werken van Uw handen'.
A. DE REUVER
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 maart 2003
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 maart 2003
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's