Bewogenheid met leerlingen
KANSEN VOOR CHRISTELIJK ONDERWIJS
Van de christelijke gemeente kunnen we in het algemeen niet zeggen dat ze ueel aandacht aan het onderwijs op de christelijke scholen geeft. Al zullen er altijd uitzonderingen zijn, vermoed ik dat weinige kerkenraden met een vaste regelmaat hun verantwoordelijkheid voor het christelijk onderwijs agenderen. In ieder geval is het veel te mager als er slechts bij dè aanvang van het schooljaar voorbede in de eredienst gedaan wordt.
De Veenendaalse oud-onderwijsman dr. H. van 't Veld besefte dat laatste toen hij enkele jaren geleden als stelling bij zijn promotie formuleerde: 'Het valt te betreuren, dat in de kerkelijke voorbede het dagelijkse christelijk onderwijs een zoveel geringere plaats inneemt dan het catechisatie- en jeugdwerk, dat slechts enkele uren per week in het winterseizoen bestrijkt'. Het is een zodanig prikkelende stelling dat ze niet vergeten mag worden en aanzet tot bezinning op de situatie. De vraag is natuurlijk hoe die situatie onder ons gegroeid is.
Waar het belang van het christelijk c.q. reformatorisch onderwijs ervaren wordt, zal de betrokkenheid erop toenemen. Dat geldt ook voor de waardering voor hen die dit onderwijs als leerkracht willen dienen. Ik hoorde het vorig jaar dat een predikant zich positief uitte tegenover een teleurgestelde catechisant die uitgeloot was voor de opleiding van voorkeur, en die daarom de pabo ging volgen. 'Maar ik vind het eigenlijk veel mooier dat jij het christelijk onderwijs wilt gaan dienen. Wat hebben we in deze tijd jonge mensen nodig die hierin hun roeping zien!'
Dat belang van de school met de Bijbel zullen we wellicht pas werkelijk beseffen als dit onderwijs - althans de financiering ervan- meer en meer bedreigd wordt. In die zin zijn de afgelopen jaren in ons land de eerste speldeprikjes uitgedeeld. Waar vanaf de jaren zeventig in onze samenleving zoveel teloor ging en het christelijke karakter van onze natie werd aangetast - denk aan de wetgeving inzake euthanasie, aan de opheffing van het bordeelverbod, aan het milde drugsbeleid, aan de openstelling van winkels op zondag-, moeten we tegelijk beseffen dat de financiële gelijkstelling van bijzonder en openbaar onderwijs nog altijd uitzonderlijk is.
Allochtonen
Politici van D66, WD en ook wel PvdA hebben de afgelopen maanden geprobeerd de vrijheid van onderwijs ter discussie te stellen, in die zin dat gevraagd werd om een discussie over dit grondwetsartikel, dat gesuggereerd werd dat bepaalde scholen fundamentalistische opvattingen uitdroegen en dat de integratie van allochtonen niet bevorderd werd door het feit dat een schoolbestuur leerlingen kan weigeren. Onbehagen over een bepaald maatschappelijk verschijnsel wordt doorvertaald naar het bijzonder onderwijs.
Daarom was het winst dat universitair hoofddocent onderwijsbeleid S. Karsten vorige week in opdracht van de gemeente Amsterdam bekendmaakte dat christelijke scholen allochtonen niet weren. 'In de hoofdstad wordt door confessionele basisscholen niet gediscrimineerd', luidde de conclusie van de wetenschapper. Hij verwacht niet dat de situatie op het platteland anders zal zijn: 120 gereformeerde basisscholen in de regio hebben vrijwel alle de kleur van de wijk waarin ze staan, zodat het probleem van de witte en zwarte scholen niet op te lossen is door rooms-katholieke en protestantse scholen te dwingen iedereen aan te nemen. De resultaten van dit onderzoek zal bepaalde politici tevreden stellen, maar opmerkelijk is wel dat Karsten spreekt over discriminatie als een schoolbestuur bepaalde leerlingen zou weigeren. Dat woord kan terecht zijn als de weigering puur plaatsheeft op grond van de huidskleur, maar niet als dit gebeurt vanwege het niet onderschrijven van de grondslag!
Weekopeningen
Het belang van een inhoudelijke relatie tussen kerk en school komt ook aan de orde in 'Vijftig jaar onder theologen. Hoe het veranderde en gelijk bleef', het enige maanden geleden verschenen boek van de remonstrantse theoloog dr. E. P. Meijering. De auteur was jarenlang lector in de theologiegeschiedenis aan de Universiteit Leiden. In een terugblik op de afgelopen tientallen jaren is de hoofdpersoon (Meijering zelf) in gesprek met een oude studievriend: 'In je opsomming van de redenen waarom de kerken er vroeger zoveel beter voorstonden, noemde je de christelijke scholen niet, maar die waren misschien wel het belangrijkste'. 'Daar heb je gelijk in. Veel scholen die zich nu nog wel christelijk noemen, zijn het eigenlijk alleen nog in formele zin. Ze zijn het slachtoffer geworden van ontwikkelingen waar ze machteloos tegenover stonden. In de jaren zeventig bleek het eenvoudig niet meer mogelijk om weekopeningen te houden. Dat kon alleen nog op scholen waar de leerlingen ook verder in een hecht kerkelijk verband leefden.' (p. 203) Ook van deze zijde wordt vanuit de praktijk een nauwe relatie tussen de christelijke gemeente en het bijzonder onderwijs dus onderstreept.
Ideale school
De opmerking dat voor veel christelijke scholen die aanduiding slechts voor de voorgevel zou gelden, wordt evenwel onderuit gehaald door het rapport 'Bijzonder gemotiveerd. Een onderzoek naar de ideale school volgens dragers en vragers van confessioneel basisonderwijs', dat de socioloog A. B. Dijkstra en de pedagoog S. Miedema vorige maand verrichtten. Waar nog geen veertig procent van de Nederlanders (enige) binding met de kerk heeft, terwijl tweederde van de kinderen op een bijzondere school zit, is een zekere spanning gegeven.
Opvallend is dat alle ouders, ook nietkerkelijke, aandacht voor godsdienst wensen, het belangrijk vinden dat de Bijbel regelmatig opengaat en er in de klas gebeden wordt. Leerkrachten dienen christelijke waarden voor te leven en aan de praktische toepassing ervan in de klas aandacht te besteden. Ouders kiezen een school voor hun kind behalve vanwege de bereikbaarheid en de goede sfeer, ook vanwege de godsdienst. Nu kunnen deze uitkomsten gerelativeerd worden door te stellen dat ouders aandacht voor godsdienst wensen, omdat dit vak in veel gevallen uitgehold zal zijn tot aandacht voor levensbeschouwing en zingeving. Maar naar de overheid is met dit rapport wél aangetoond dat de bestaansgrond van het bijzonder onderwijs niet tér dis- ; cussie mag staan. Bij alle teloorgang van het christelijk getuigenis in de maatschappij - vorige week moesteride kleine christelijke partijen helaas weër enkele statenzetels inleveren- zeggen we ook dat de behoefte aan de godsdienstige dimensie in het onderwijs sterk aanwezig is. Dat zijn zonder meer kansen voor het christelijk onderwijs!
Kerk en school
Juist in een veranderende samenleving dient de bezinning op wat christelijk onderwijs op gereformeerde graad - * slag beoogt te zijn, gevoerd te worden. Ook in hervormd-gereformeerdè kring. In september jl. waren er vanwege de Gereformeerde Bond twaalf ambtsdragersvergaderingen over de trits 'kerk, gezin, school', in dè hoop dat de inleidingen en discussies die daar gevoerd zijn, doorvertaald zouden worden naar het grondvlak, naar de plaatselijke situatie, waarin kerk en school elkaar dienen te ontmoeten. De kerk mag en moet de school op haar verantwoordelijkheid wijzen inzake de vorming van de kinderen (van de gemeente), wat zich uitstrekt tot de bijbelles én alle andere vakken. Die houding van de kerk zal aan geloofwaardigheid winnen als ze tegelijkertijd haar diensten aan de school aanbiedt, in welke vorm dan ook. En als in de zondagse erediensten blijkf dat: er christelijk onderwijs is, waarmee een nauwe relatie onderhouden wordt. Daarvan hoeft nauwelijks een onderdeel van de kerkdienst uitgesloten te worden, want behalve voorbede en dankzegging zijn er ook de prediking, de Schriftlezing en de dienst der offerande.
In de joodse Talmoed wordt een goede leerkracht een Engel des Heeren genoemd. Investeert de kerk daarom ook in de toerusting van toekomstige onderwijzers en toont ze zich blijvend bij hun mooie werk betrokken? Ambtsdragers moeten daarom weet hebben van het opvoedingsklimaat, van het toekomstperspectief dat op scholen geboden wordt. Waar cynisme over de verharding in de maatschappij overheerst, waar onverschilligheid ten aafi-
zien van de vragen van het leven gevonden wordt, waar een goedkope uitvlucht in platvloers genot aan de orde is, bieden opvoeders aan jongeren geen perspectief voor het leven, voor de maatschappelijke en uiteindelijk ook de eeuwige toekomst. Waar leerkrachten -en is het voor ouders en ambtsdragers anders? - op zinvol leven in de toekomst gericht zijn, zal er bewogenheid met hun leerlingen aanwezig zijn. Met elke leerling afzonderlijk. Want in het Koninkrijk van Christus, van Hem die de kinderen één voor één zegende, gaat het er persoonlijk aan toe.
Te midden van de drukte van Zijn werk op aarde, schoofjezus zichzelf belangrijk vindende mensen opzij en nam Hij kinderen op schoot. Hij koesterde en zegende met het oog op Zijn toekomst.
Opgejaagd
En die bewogenheid blijkt vooral in de kleine dingen van elke dag, in het omgaan met elkaar. Ook daarin is de opvoedingssituatie thuis niet wezenlijk anders dan de uitbestede opvoeding op school. Ik sluit af met wat dr. W. ter Horst schrijft in zijn boekje 'Onderwijzen is opvoeden': 'Zeker: opvoeden is altijd bezig zijn met een kind met het oog op de toekomst, maar elk traject van de levensweg heeft ook zijn eigen onvervangbare waarde om samen van te genieten. Een vorige fase moet bevredigend zijn doorlopen om aan een volgende te kunnen beginnen. Opgejaagde opvoeders en opgejaagde kinderen krijgen vroeg of laat de rekening gepresenteerd.'
P. J. VERGUNST
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 maart 2003
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 maart 2003
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's