De houding van Kohlbrugge
LICHT OP DE KERK [22]
'Wie God als Vader heeft, heeft de kerk als moeder'. Dat is een oude uitspraak waarin ons het grote belang van het behoren bij de kerk als gemeenschap van gelovigen op het hart wordt gebonden. Deze uitspraak leert ons ook tot het uiterste vast te houden aan die moederkerk, waarvan wij door doop en belijdenis deel zijn gaan uitmaken, zolang als de authentieke stukken van de belijdenis der Reformatie in haar grondslag te vinden zijn. We gaan in dit hoofdstuk na hoe de houding van H. R Kohlbrugge is geweest in de negentiende eeuw met betrekking tot de Afscheiding van 1834 en de Doleantie van 1887. Laat Kohlbrugge's houding voor ons de les der geschiedenis zijn.
Kohlbrugge, als dweper geweerd
Kerken der afscheiding zijn in de loop der geschiedenis vaak ontstaan doordat de moederkerk haar wettige kinderen gewetensdwang oplegde en vervolgens op straat zette. Dat is het geval geweest toen in de dagen van de Reformatie de Rooms-Katholieke Kerk de dienaren van de waarheid ging vervolgen. Er was voor hen geen andere weg dan die van afscheiding. Zo is het helaas ook gegaan in de negentiende eeuw met de onder ons bekende dr. H. F. Kohlbrugge. De Hersteld Lutherse Kerk had hem eerder uitgestoten als een 'dweper' en 'oproermaker'. En ook in de Nederlandse Hervormde Kerk werd hem vervolgens de toegang geweigerd door de liberale machthebbers. Aldus J. van Lonkhuyzen in zijn dissertatie. Kohlbrugge is in de Hervormde Kerk op allerlei wijze miskend en door de kerkelijke besturen geweerd.
Van Lonkhuyzen schrijft: 'Het prov. kerkbestuur heeft ongetwijfeld met goedkeuring van de Algemene Synode, mogelijk zelfs op Synodale last, de deur voor Kohlbrugge gesloten'. 'Men wilde rust hebben in de Hervormde Kerk'. 'Men vreesde "deze onruststoker" en de door hem verkondigde beginselen'. 'Zo stond Kohlbrugge dan alleen. De Hervormde Kerk, waartoe hij zich, wijl instemmend met haar belijdenis, getrokken gevoelde, was onder de macht van het liberalisme. Dit hield voor hem de deur gesloten'. Ik voeg aan dit oordeel van Van Lonkhuyzen toe dat het vooral één ding moet zijn geweest dat Kohlbugge zo sterk heeft bewogen te staan naar het lidmaatschap van en de bediening des Woords in de Hervormde Kerk. Dat ene is geweest: zijn geloof, dat het Woord Gods niet gebonden is. Het doet zijn werk ondanks alle verzet.
Kohlbrugge en 1834
Als we dit alles overzien, zouden we het kunnen begrijpen als Kohlbrugge - 'nadat hij in de bange en lange weg van Febr. 1830 tot Nov. 1832 een martelaar van het liberalisme, van de verdraagzaamheid der verdraagzamen was geweest'- de Afscheiding (1834) als de oplossing van het (zijn) kerkelijk vraagstuk zou hebben gezien. Lag het niet voor de hand dat hij met mannen als De Cock en Scholte meeging? Zou hij misschien in die kringen een gewaardeerde leidsman zijn geweest? Toch is Kohlbrugge deze weg niet gegaan. Hij is vooral door de mannen van het Réveil, in het bijzonder Da Costa, hiervan teruggehouden. Ondanks zijn grote sympathie voor Hendrik de Cock stelt Kohlbrugge zich reeds in 1935 vierkant tegenover het organiseren van de kerkreformatorische actie van de Afscheiding. Hij veroordeelt de Afscheiding scherp en spreekt zelfs over 'een strik des duivels' (later is hij wat milder in zijn oordeel). 'Wat Kohlbrugge tegen de afscheiding heeft, is blijkbaar allereerst het organiseren en systematiseren der scheiding'. 'Dat is menselijk werk, uit het vlees, uit de duivel'. Het past ons passief te zijn. 'Wij zijn vleselijk, verkocht onder de zonde' (Rom. 7 : 14). En alles wat uit dit vlees voortkomt, is verwerpelijk. 'Wanneer men dan ook voor een tijd wellicht in een "nevenkerk" is samengekomen, moet men die weer opgeven, als men in de kerk ter plaatse weer Gods Woord kan horen en men zich daar weer houdt aan de gereformeerde kerkenordening, aan de christelijke belijdenis en aan de formulieren'. Kohlbrugge preekte ook niet bij de Christelijk Afgescheidenen. In 1850 schrijft hij aan zijn vriend Kol te Utrecht 'dat Nederlands heil en welvaren en de gereformeerde kerk (= NHK) zijn vereenzelvigd... Scheiding of schisma is in Nederland nimmer te gedogen'.
Kohlbrugge en Kuyper
Onnodig vast te stellen, hoezeer Kohlbrugge zich vanuit ditzelfde beginsel verzet heeft tegen de Doleantie van A. Kuyper. Gestorven in 1875 (5 maart) heeft hij de Doleantie niet meer meegemaakt. Maar vroeg genoeg heeft hij Kuyper gewaarschuwd deze weg niet te gaan. Niettemin ging Kuyper zijn eigen weg, al wilde hij van Kohlbrugge anderzijds geen kwaad woord horen. De kohlbruggianen echter schaarden zich in het algemeen gesproken niet in de gelederen van Kuyper.
Welnu, geldt van het streven van deze voorman van de Doleantie niet in nog sterker mate wat Kohlbrugge van de Afscheiding van 1834 zei, dat het menselijk werk was? Kuyper wilde niets anders dan de 'belijdenisgetrouwen' uitpeilen uit de Nederlandse Hervormde Kerk. Dan zouden 'Jan Rap en zijn maat daarin overblijven' en daarmee zou die kerk dan wel haar eigen dood sterven. Tegen Kuyper en zijn doleantiestreven had Kohlbrugge echter slechts te zeggen: 'Men wil met het kruis van Christus niet vervolgd worden, daarom predikt men de versnijding. Men wil alles besnijden en alles wordt versneden'. Wat Kohlbrugge wilde, was 'nietsdoen'; dat is moeilijker dan 'handelend optreden'.
Elberfeld
Men zou kunnen tegenwerpen dat Kohlbrugge toch zelf ook het pad van de afscheiding is gegaan, door te dienen in een door zijn vrienden gestichte afgescheiden gemeente in Wuppertal - Duitsland (de Niederlandische Reformierte Gemeinde te Elberfeld). Daarin kwamen aanvankelijk vooral volgelingen van de oude Krummacher samen. In die gemeente preekte Kohlbrugge jarenlang en bediende hij er de sacramenten. Daar deden mensen belijdenis van hun geloof en werden huwelijken ingezegend. En daar waren mensen onder die lid waren van de Hervormde Kerk in Nederland en dat ook bleven. Toch moeten wij vaststellen dat Kohlbrugge met zijn bediening in de Elberfeldse gemeente geen separatistische bedoelingen heeft gehad. Veeleer wilde hij de bezwaarden (mensen die het in de Evangelisch Reformierte Kirche niet konden uithouden) terugvoeren naar hun kerk. Zijn Duitse collega's uit de landskerk liet Kohlbrugge ook rustig in zijn gemeente voorgaan. En hoewel het lidmaatschap van die Evangelisch-Reformierte Kirche hem lange tijd is belet, werd het hem ten slotte toch gegund. Kohlbrugge zelf zag zijn zelfstandige gemeente in Elberfeld als een deel van de Gereformeerde Kerk (van vóór de staatsinmenging). Hoe graag had hij haar in de schoot van de Landskerk teruggebracht. Dat is echter nooit gelukt. Zo is dan deze gemeente blijven bestaan, ook als een 'buitengemeente' van de Nederlandse Hervormde Kerk van vóór 1816. Kohlbrugge ervoer het echter als een grote zegen dat hij soms ook in de officiële landskerk mocht voorgaan. Zo preekte hij op 25 april 1858 in de Domkerk te Halle na de dood van Wichelhaus.
Kohlbrugge In Nederland
Zeer verheugd was Kohlbrugge ook, als het hem telkens mogelijk werd gemaakt óm voor te gaan in de Nederlandse Hervormde Kerk in Nederland. In Holland waar intussen zijn geschriften grote invloed hadden gekregen, heeft Kohlbrugge later nog ettelijke malen op hervormde kansels het Woord mogen bedienen (o.a. Vianen, 1856; Utrecht de Dom, 1863/1864; Utrecht, juni 1868, waar hij zijn duizendste kind doopte; Amsterdam de Zuiderkerk in november 1871, 'vlak tegenover de kerk waar men hem 41 jaar geleden uitgestoten had'). Het werd stilzwijgend toegestaan. En Kohlbrugge was daar in zijn element. Ooit had hij gezegd: 'God zal mij mijn recht geven, al was het in het kleinste dorpje aan zee.' Dat is in vervulling gegaan toen hij een beroep kreeg naar Zouter lande, dat hij echter meende niet te kunnen aannemen.
Kohlbrugge en wij
Waarom staan we tamelijk uitvoerig stil bij de houding van Kohlbrugge tegenover de afscheidingsbewegingen van de negentiende eeuw? Omdat ik ervan overtuigd ben dat Kohlbrugge ons ook heel wat te zeggen heeft in. -
het Samen op Weg-proces. Zou hij het proces van de beoogde eenwording en fusie hebben toegejuicht? Geloof het maar niet. Maar zou hij die zozeer vijand was van elk afscheidingsstreven en het als een voorrecht ervoer om te mogen voorgaan in een geünieerde kerk als de Evangelisch-Reformierte Kirche van Duitsland, ons het advies geven om op voorhand te laten weten dat wij ons, als de beoogde fusie een feit is geworden, zullen onttrekken aan het kerkverband? Geloof ook dit maar niet.
Hij zou het als puur mensenwerk krachtig van de hand hebben gewezen. Van Kohlbrugge heb ik geleerd dat hij geloofde in de macht van het Woord. Als er geen sprake is van gewetensdwang, als de reine bediening van het Evangelie en van de sacramen-ten naar de instelling van Christus niet onmogelijk wordt gemaakt, dan zullen wij van geen wijken weten. We zullen ons niet afscheiden en ons ook niet laten afscheiden.
C. DEN BOER, BARNEVELD
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 maart 2003
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 maart 2003
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's