De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Bevestiging van nieuwe lidmaten?

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Bevestiging van nieuwe lidmaten?

PASEN IS PASSEND VOOR OPENBARE GELOOFSBELIJDENIS

9 minuten leestijd

Her en der worden momenteel de belijdeniscatechisaties gegeven. Terwijl er onder de 'gewone' catechisanten soms een gebrek aan de nodige animo is, gaan de belijdeniscatechisanten doelbewust. Zo zijn zij op weg naar... Ja, hoe noemen wij zo'n kerkdienst? Vindt er in zo'n eredienst dan de 'bevestiging van (nieuwe) lidmaten' plaats? Of moeten wij zeggen, dat het een dienst is waarin 'openbare belijdenis des geloofs' wordt afgelegd? En welke vragen worden er dan gesteld? Wanneer wordt zo'n kerkdienst gehouden?

Vroeger

De Synode van Dordrecht (1618-1619) stelde geen 'belijdenis-vragen' op, hoewel we wellicht anders zouden verwachten. Wel beval men het gebruik van het Kort Begrip der christelijke religie (1608) (achterin ons psalmboekje) van ds. Hermannus Faukelius aan, met de in het aanhangsel voorkomende vragen.

Er bleef desondanks variatie. Sommigen volgden het advies van de Synode, anderen gebruikten bijv. de vragen van Voetius. Omstreeks 1644 had men in De Rijp andere vragen in gebruik. Het is de Rotterdamse predikant Gregorius Mees die in zijn Melk voor de nieuwelingen, noodigh om haer te voeden uoor en nae de belijdenisse des geloojs (1683) melding maakt van de vragen die te Rotterdam gebruikt werden.

Er was dus in ons land geen uniformiteit met betrekking tot de belijdenisvragen. Een eerste kerkelijke vaststelling van belijdenisvragen heeft pas in 1816 plaatsgevonden. De kerkorganisatie van koning Willem I deed toen haar intrede. Bij Koninklijk Besluit van 7 januari 1816 kreeg het 'Algemeen Reglement voor het bestuur der Hervormde Kerk in het Koninkrijk der Nederlanden' kracht van gewijsde.

Naast dit Reglement zijn nog verscheidene andere, specifieke reglementen tot stand gekomen. Deze werden alle in één bundel bijeengebracht en zodoende werd (en wordt nog) in de wandelgangen gesproken van de 'reglementenbundel'. In het 'Reglement op het godsdienstig onderwijs in de Nederlandse Hervormde Kerk' werd in art. 43 een viertal vragen geformuleerd. Later werd dit artikel vervangen en ook vernummerd. In artikel 39 van het 'Reglement op het godsdienstonderwijs, vastgesteld 7 Augustus 1861' (in werking getreden op 1 oktober 1862) lezen we:

'De bevestiging van lidmaten heeft plaats in eene daarvoor bepaalde godsdienstoefening, bij welke hun de volgende vragen, althans wat betreft den geest en de hoofdzaak van de daarin vervatte belijdenis, verklaring en belofte, ter beantwoording worden voorgesteld:

In tegenwoordigheid van God en van zijne gemeente vraag ik u: Vooreerst: Belijdt gij te gelooven in God den Vader, den Almachtigen, Schepper des hemels en der aarde, en in Jezus Christus Zijnen eeniggeboren Zoon, onzen Heer, en in den Heiligen Geest?

Vervolgens: Zij gij des zins en willens, bij deze belijdenis door Gods genade te volharden, de zonde te verzaken, te streven naar heiligmaking, en uwen Heiland in voorspoed en tegenspoed, in leven en in sterven getrouw te volgen, gelijk aan Zijne ware belijders betaamt?

Eindelijk: Belooft gij, tot den bloei van het Godsrijk in het algemeen en van de Nederlandsche Hervormde Kerk in het bijzonder, met opvolging van haar verordeningen, naar uw vermogen volijverig medé te werken?

Na de toestemmende beantwoording van deze vragen [...] worden zij plech-tig en met gepaste toespraak tot lidmaten verklaard.'

Deze belijdenisvragen dateren niet bepaald uit het bloeitijdperk van onze Nederlandse Hervormd Kerk. Ze werden opgesteld door dr. Hendrik Jan Spijker (1802-1870), die op het laatst predikant is geweest te Amsterdam. Na aanvankelijke verwantschap met de Groninger richting ontwikkelde hij zich steeds meer in moderne richting. Bekend is het woord van Nicolaas Beets (1814-1903), dat de Hervormde Kerk tussen twee spijkers door moest laveren: de orthodoxe ds. A. P. A. du Cloux (= Spijker, 1808-1890) en de liberaal dr. H. J. Spijker.

'Wie deze vragen aandachtig leest, zal onmiddellijk de geest van de 19e eeuw proeven, de geest van Modernisme en van Liberalistische volmaaktheidsdrang' (ds. J. J. van der Krift).

Later

Op 1 mei 1951 werd de zogenoemde 'Reglementenbundel' vervangen door de Nieuwe Kerkorde. Door de invoering van de Nieuwe Kerkorde werd de behoefte gevoeld om te komen tot de samenstelling van een dienstboek. De eerste druk van het Dienstboek uoor de Nederlandse Hervormde Kerk - in ontwer verscheen in 1955. Het betreffende formulier beveelt de volgende vragen aan:

'Ten eerste: Belijdt gij te geloven in God, de Vader, de Almachtige, Schepper des hemels en der aarde en in Jezus Christus, zijn eniggeboren Zoon, onze Heer, en in de Heilige Geest? Ten andere: Aanvaardt gij de roeping om, als lidmaat van de Gemeente, die God zich in Christus ten eeuwigen leven verkoren heeft, door zijn genade tegen de zonde en de duivel te strijden, uw Heiland te volgen in leven en in sterven, Hem te belijden voor de mensen en met blijdschap te arbeiden in zijn Koninkrijk?

Ten derde: Wilt gij, in de gemeenschap der Nederlandse Hervormde Kerk en onder haar opzicht, getrouw zijn onder de bediening van het Woord en van de sacramenten, volharden in het gebed en in het lezen van de heilige Schrift en naar de u geschonken gaven medewerken aan de opbouw der Gemeente van Christus? '

In de praktijk blijkt evenwel dat verscheidene predikanten het formulier om hen moverende redenen niet onverkort gebruiken.

'Bevestiging van...'

Het zal de lezer opgevallen zijn dat in de zgn. 'Reglementenbundel' gesproken werd van 'bevestiging'. De belijdeniscatechisanten moesten onderzocht worden, wat in dit 'Reglement' 'de aanneming' heette. 'De bevestiging [...] heeft plaats in eene daarvoor bepaalde godsdienstoefening.' In het midden van de Gemeente antwoordden 'de aannemelingen' persoonlijk op een drietal vragen met 'ja'. Daarna werden zij door de predikant 'plechtig en met gepaste toespraak tot lidmaten verklaard'.

Het spreken van 'bevestiging' bij de 'openbare belijdenis des geloofs' dient naar mijn mening bij ons een krachtig protest op te roepen. De liturgische uitdrukking 'bevestiging' stamt zeer waarschijnlijk uit Duitsland, waar men p ook na de Reformatie van 'konfirmation' (= bevestiging) is blijven spreken. Deze bestond uit een omwerking van het roomse 'vormsel' (Latijn: confirmatio).

In plaats van 'confirmatio' sprak (spreekt? ) men in Zwitserland van de 'admissio', d.w.z. de toelating tot het Heilig Avondmaal.

Op 16 april 1914 werd er te 's-Gravenhage een samenkomst van predikanten en ouderlingen gehouden. Dr. A. W. Bronsveld zegt van deze door de 'Algemeene Synodale Commissie' uitgeschreven 'Haagse Vergadering' met meer dan 2000 aanwezigen: 'Wat mij verwonderde is, dat niemand een lans gebroken heeft voor het afschaffen van dat ongelukkige aannemen, in zo vele gevallen niets gelijkend op belijdenisdoen. De oude gereformeerde praktijk, die niets wist van 'aannemen',

maar sprak van 'toelaten tot het Avondmaal des Heeren' is naar onze mening oneindig veel beter.'

(nieuwe) lidmaten'

Het spreken over 'nieuwe lidmaten' bij de 'openbare belijdenis des geloofs' dient naar mijn mening eveneens een krachtig protest op te roepen. Het zijn immers geen 'nieuwe lidmaten'! Onder de 'Reglementenbundel' was alleen een belijdend lid 'lidmaat'. De anderen, die door geboorte of doop gerekend werden tot de kerk te behoren, werden als 'leden' aangeduid. Dit onderscheid werd vroeger niet gemaakt, maar eerst in de 18e eeuw ingevoerd. Dit verschil wordt in de Kerkorde van 1951 niet meer gemaakt.

Dat dit onderscheid alsmede de aanduiding 'nieuwe lidmaten' onjuist is, blijkt uit de eerste doopvraag van ons klassiek doopformulier. We lezen daar immers: '... als lidmaten van Zijn Gemeente, behoren gedoopt te wezen...' Dat het lidmaatschap aan de Doop vooraf gaat blijkt ook uit Zondag 27, vraag en antwoord 74.

'Openbare belijdenis des geloofs'

Dat de taal van de 'Reglementenbundel' op veel plaatsen nog steeds de kop opsteekt, is verdrietig.

Onze huidige Kerkorde (1951), alsmede het Dienstboek, reiken de juiste woorden aan. Er dient gesproken te worden van de 'openbare belijdenis des geloofs'.

Hiermee wil tevens gezegd zijn dat het onjuist is om te spreken van: aanneming of bevestiging van of tot (nieuwe) lidmaten / nieuwe leden aannemen / lid worden van de kerk. Men hoort ook wel spreken van: jonge lidmaten of nieuwe belijders. Het hiervoor bedoelde taalgebruik laat geen recht wedervaren aan het karakter van dit gebeuren. Tegen deze terminologie bestaan dan ook ernstige bezwaren.

Deze bezwaren hebben er toe geleid dat de Kerkorde van 1951 deze terminologie geheel vermijdt. De kerkenraad doet het onderzoek van de belijdeniscatechisanten. Daarna volgt de 'openbare belijdenis des geloofs' in een kerkdienst en worden zij opgenomen onder de belijdende leden der gemeente.

Wanneer?

De dag van het belijdenis-doen is altijd een bijzondere dag. De keuze van de kerkenraad valt nogal eens op de Palmzondag.

Wanneer wij in de kerkgeschiedenis terugblikken, dan is het Paasfeest het meest daarvoor in aanmerking komende tijdstip. Immers, in de Vroege Kerk deed, na een intensieve catechisatie van 7 aaneengesloten weken, de catechumeen in de Paasnacht belijdenis en werd dan gedoopt (men had toentertijd te maken met de volwassendoop). Door aan de Palmzondag de voorkeur te geven, wordt afgeweken van de praktijk van weleer.

Er valt ook anderszins op een dergelijke keuze af te dingen. Op Palmzondag zal in de prediking met name aandacht worden gevraagd voor de intocht van de Heere Jezus in Jeruzalem (Matth. 21:1-9). De schare begeleidde Hem met groot eerbetoon. Maar wij weten dat deze schare enkele dagen later bereid bleek Jezus' kruisdood te eisen (Matth. 27 : 22-23). D e bedoelde uitingen vormen een schril contrast. Op Palmzondag is er aanleiding toe in de prediking ook de hypocrisie te betrekken. Ook in de zichtbare kerk van vandaag zijn er hypocrieten - huichelaars die de schijn willen verwerven dat ze dicht bij God zijn (Calvijn, Inst. I, IV, 4). Zij behoren weliswaar tot de kerk, maar zijn 'vreemd aan de kerk' (Inst. IV, 1, 9). Ligt het in de rede, gelet op het voorafgaande, juist op Palmzondag de 'openbare belijdenis des geloofs' te laten plaatsvinden? Het Paasfeest is passend voor het afleggen van 'openbare belijdenis des gelooft'. Verder komt vooral ook Pinksteren daarvoor in aanmerking. Het feest van de uitstorting van de Heilige Geest, " Die van toenaf in het midden van de' gemeente woont. Dankzij het werk van de Pinkstergeest groeit de gemeente (Hand. 2 : 47b). De Geest werkt in de harten en maakt vijanden, tot belijders.

K. A. GORT, PUITEN

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 maart 2003

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Bevestiging van nieuwe lidmaten?

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 maart 2003

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's