De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

In de belijdenisgeschriften

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

In de belijdenisgeschriften

LICHT OP DE KERK [23]

9 minuten leestijd

In het kader van onze bezinning op de kerk wil ik in twee artikelen aandacht schenken aan de wijze waarop in onze gereformeerde belijdenis hierover wordt gedacht. Het is immers voor onze positiebepaling inzake de beslissing over de fusie van SoW van groot belang dat we in het spoor van de confessie gaan. Dat willen we graag, want zo alleen gaan we veilig.

Ik wil beginnen met te luisteren naar wat Guido de Brés, de opsteller van de Nederlandse Geloofbelijdenis (Confessie) Belgica) van 1561, over de kerk zegt. Hij wijdt er maar liefst zes artikelen aan. Daarmee brengt hij tot uitdrukking dat hij de kerk een heel belangrijk onderdeel van de geloofsleer acht. Dat is in zijn situatie van vervolging ook te begrijpen. De Bres omschrijft allereerst wat het wezen van de kerk is. Daar is het ons nu om te doen.

Hij opent zijn uiteenzetting over het wezen van de kerk in artikel 27 in de NGB met de zin: 'Wij geloven en belijden dat er is een enige katholieke en algemene kerk, welke is een heilige vergadering en gezelschap (congrégation et assemblée) van ware gelovige christenen, die al hun zaligheid verwachten van Jezus Christus, omdat zij gewassen zijn door Zijn bloed en geheiligd en verzegeld door de Heilige Geest.'

Waar ik nu eerst eens dieper op in wil gaan, is dat De Brés in deze oorspronkelijke uitgave van de NGB zegt dat de kerk zowel een vergadering als een geze schap van de ware gelovigen is. Jammergenoeg is sinds de uitgave van 1582 deze dubbele uitdrukking weggevallen en wordt er alleen gesproken over de vergadering van ware christgelovigen. De Brés kende in plaats daarvan dus twee uitdrukkingen, die ons veel te zeggen hebben.

De Brés zegt niet alleen dat de kerk een gezelschap (assemblee), een bijeenkomst van ware gelovigen is. Als hij het zo gezegd had, zou je kunnen denken dat de kerk wordt gevormd door de gelovigen, of dat de kerk bestaat uit de gelovige mensen of dat de kerk de optelsom is van de gelovigen. Nee, zo zegt De l- Brés het niet. Hij zegt ook, en zelfs eerst, dat de kerk is een vergadering .

(congrégation) van de ware gelovigen. Wat de kerk naar haar wezen is, wordt door De Brés dus niet aangegeven door één trefwoord, maar door twee trefwoorden, namelijk zowel een vergadering als een gezelschap van de gelovigen. In de uitdrukking vergadering van gelovigen valt de nadruk op het vergaderen, het handelen van God. Bij de uitdrukking het gezelschap van de gelovigen valt de nadruk op het bijeenkomen, als een handelen van de gelovigen. Er worden zodoende twee elementen zichtbaar in het kerk zijn: Het vergaderen van God en het bijeenkomen van de (ware) gelovigen. Maar dan moeten we wel goed zien dat het bijeenkomen van de gelovigen een gevolg is van het vergaderen van God. Sterker nog: het bijeenkomen van de gelovigen zou niet mogelijk zijn zonder het daaraan voorafgaande vergaderen van God.

De kerk als vergadering dopr God

Het woord vergadering moeten we dus naar mijn mening niet bezien vanuit degenen die vergaderd worden, maar vanuit Degene die vergadert. En dat is God, de Drie-enige. Ds. M. Jongebreur zei hiervan eens: 'Uit deze omschrijving van het wezen der Kerk blijkt ons al aanstonds dat de Kerk een vergadering en dus geen vereeniging is. (...) De kerk is een vergadering, zij is terecht genoemd de realiteit van Gods verkiezing, zooals die openbaar (cursief van mij, WV) wordt in de Christenen die Gods Naam belijden.' Met andere woorden: de diepste grondslag van de kerk i$ de verkiezing van God. Deze realiseert zich in het vergaderen van God en zo komt het tot het geloven van mensen en het belijden van dit geloof door mensen. De inzet van al ons denken over de kerk is er dus bij gebaat dat we helder hebben dat het primaire en meest belangrijke is, dat de kerk Gods werk is. Dat is om zo te zeggen oer-gereformeerd. Dat kunnen we niet genoeg onderstrepen. Niet alleen als het gaat om de onzichtbare kerk, maar ook als het gaat om de zichtbare kerk. Die twee mogen we immers niet van elkaar scheiden.

Het is dit spoor, waarin de Heidelbergse Catechismus twee jaar later in 1563 verdergaat. Zacharius Ursinus benadrukt in vraag en antwoord 54 ook dat de kerk de vrucht is van het vergaderen als een werk vaö God, in het bijzonder van Christus, de Zoon. Ik citeer: 'Vr. Wat gelooft gij aangaande de heilige katholieke kerk?

Antw. Dat de Zoon van God van het begin der wereld tot aan het einde Zich uit de gehele mensheid een gemeente, die tot het eeuwige leven is uitverkoren, dooT zijn Geest en Woord in de eenheid van het ware geloof vergadert, beschermt en in stand houdt; en dat ik daarvan een levend lid ben en eeuwig zal blijven.'

God, de Zoon vergadert Zijn kerk (of gemeente) op aarde. Dat vergaderende werk van God staat dus ook in vraag en antwoord 54 van de Heidelbergse Catechismus voorop in de omschrijving van wat de kerk is. Niet het geloof, of de gelovigen vormen de grondleggende factor, maar God en Zijn werk. Dat is hetzelfde cruciale element als in de NGB. We lezen vaak te snel via het woord vergadering door naar de gelovigen. Of - nog erger- we leggen het woord vergadering uit als een activiteit van de gelovigen, die zich samen vergaderen. We zetten dan in bij de verkeerde kant.

De belijdenis zet in bij het vergaderen als werk van God. Dan rijst de vraag: hoe vergadert God in Christus Zijn kerk? Dat doet Hij door Zijn Geest en Woord, zegt Ursinus. Met het noemen van de Geest wijst Hij op de verborgen kracht waarmee God mensen vergadert en met het noemen van het Woord wijst hij op de prediking van het Evangelie als het middel waardoor God vergadert. Hier blinkt het ecclesiologisch goud van de Reformatie. Christus zendt Zijn dienaren uit om Zijn Woord te verkondigen. Daar komt de Heilige Geest in mee en op deze wijze wint God mensen in voor de Heere Jezus. Met andere woorden: waar het Woord is, daar is de kerk.

Het vergaderende werk van God gaat dus niet buiten wat wij het zichtbare instituut kerk noemen om. Het instituut kerk behoort zo bezien wezenlijk tot het kerk zijn, omdat het in de zichtbare kerk, in het instituut om geen andere kerk gaat dan om de onzichtbare kerk.

Het verbond

Christus vergadert Zijn kerk. Hij doet dat door Zijn Woord en Geest. In dit verband mag en moet het woord verbond vallen. Als ik zeg dat Christus Zijn kerk vergadert door Zijn Woord, dan kan ik dat Woord nader aanduiden als Gods belojte, of de belofte van het Evangelie. In zondag 7 van de Heidelbergse Catechismus wordt ons geleerd dat ik een christen ben door te geloven alles wat ons in het Evangelie wordt beloofd, (vr. en antw. 22) Als in zondag 31 gevraagd wordt voor wie het Koninkrijk der hemelen geopend wordt, dan is het voor hen die de belofte van het Evangelie met een echt geloof aannemen. (vr. en antw. 84). Welnu, wie belofte zegt, zegt verbond. Bij het verbond gaat het er in de gereformeerde traditie allereerst om dat God in Zijn genade tot verloren mensen komt en hen Zijn redding in Christus Jezus belooft. Die belofte biedt Hij aan in (de prediking van) Zijn Woord. De prediking is derhalve de aanbieding van Gods beloften. Anders gezegd: de prediking is de bediening van het verbond der genade. Daardoor wil de Heilige Geest het wonder van het geloof in de harten van mensen bewerken. Zie, zó wordt de kerk vergaderd. Samengevat: God (in Christus) vergadert Zijn kerk door Zijn Woord en Geest in de weg van het verbond.

Er zijn mensen die vinden dat het verbond behoort tot het uitwendige leven van de kerk. Toch is dat niet zo. Want het gaat in het verbond om de God van het verbond. Leven uit het verbond is daarom bevindelijk leven met de God van het verbond, die zich in Zijn Zoon uit eeuwige liefde ontfermt over verloren zondaren. Dat gaat heel diep.

En dat niet alleen. God komt in het verbond ook als Eerste tot de mens met Zijn beloften. Het verbond zegt tegen ons: jij mens bent met je geloof nooit de eerste. De belofte van het verbond hangen niet aan het geloof, maar het is andersom: het geloof van de mens hangt aan de belofte van het verbond van God. Ook dit gegeven lijkt me cruciaal in een gereformeerde ecclesiologie. Als op dit punt de dingen worden misverstaan, dan gaat er in heel ons denken over de kerk iets mis.

Maar dan ben ik er nog niet. De beloften van Gods genade gaan zo principieel en fundamenteel aan ons geloof vooraf, dat zij ook gelden voor de kinderen van de gelovigen, al vanaf het moment dat er iets van hen begint te leven. Vanwege het verbond van God behoren daarom de kinderen, ook als zij nog niet tot geloof zijn gekomen en dus het geloof dus niet beleden hebben toch al tot de kerk. (Dordtse Leerregels I.17)

Telkens wanneer er een kind wordt gedoopt in het midden van de gemeente, wordt zichtbaar dat God Zijn kerk vergadert door Zijn belofte, in de weg van het verbond.

Zo rust het bestaan van de kerk op Gods verbond. Je kunt ook zeggen: op de trouw van God. Dat is primair in het kerk-zijn. Het geloof is noodzakelijk in de kerk, maar de kerk staat of valt niet allereerst met het geloof van de kerkleden, maar met het verbond van God, waarvan we gelovend en zingend belijden dat het van geen wankelen weet. (Lofzang van Zacharias: 2) Als de kerk niet zou rusten op de verbondstrouw van God, bestond er helemaal geen kerk.

W. VERBOOM

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 april 2003

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

In de belijdenisgeschriften

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 april 2003

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's