G. Roos Méér dan een belofte, Tweeërlei kinderen des verbonds. Uitg. De Groot Goudriaan, Kampen; 94 blz.; € 11,90.
In dit boek treffen we een bundeling van artikelen die verschenen in De Saambinder. Het thema waaroverdeze bundel handelt, is het verbond, waarbif zowel aan het werkverbond als aan het genadeverbond wordt gedacht. In tien hoofdstukken worden verschillende aspecten van het verbond aan de orde gesteld. Daarbij wordt zo nu en dan ook een lijn getrokken naar een pastorale casus. Het geheel is goed gedocumenteerd (158 voetnoten).
De theologische koers die de auteur gaat, is die van ds. G. H. Kersten, waarbij het boek van Th. Boston, Een Beschouwing uan het Verbond der Genade, een grote rol speelt. Zoals bekend wordt door Kersten het verbond vereenzelvigd met de verkiezing. Het verbond is met Christus als het Hoofd der uitverkorenen van eeuwigheid gesloten. Het wordt in de tijd geopenbaard. Dat betekent dat alleen de uitverkorenen tot het genadeverbond behoren. Zij zijn de ware kinderen van het verbond. Anderen, die wel de belofte van Gods heil ontvangen, maar niet de inhoud ervan, door het ware geloof, staan alleen in een uitwendige betrekking tot het verbond. De auteur beroept zich hiervoor - naar mijn gedachte ten onrechte- op de visie van I. Kievit, die sprak over tweeërlei kinderen des verbonds. Voor het te gemakkelijk gebruiken van de uitdrukking 'verbondswraak' waarschuwt de schrijver. Vanuit zijn optiek terecht, want wanneer alleen uitverkorenen tot het verbond behoren, delen zij (logisch!!) niet in de verbondswraak. Dat niet iedereen zich in deze betoogtrant kan vinden, blijkt uit de studie van ds. C. Harinck, De toeleidende weg tot Christus. Dat is ook te begrijpen. Hier is sprake van een klimaat dat zo heel anders is dan dat van de Heidelbergse Catechismus. Daarin lezen we niets van de onderscheidingen die in dit boek aan de orde komen. In de Kleine Catechismus van Ursinus staat het zo bevrijdend. Daar wordt aan het kind gevraagd in vraag 52: 'Maar wordt U niet verzocht tot twijfelen, aangaande uw zaligheid, als gij verneemt dat geen anderen dan de uitverkorenen door God gezaligd worden? '
Het kind leert dan te antwoorden: 'Gans niet; in tegendeel heb ik daarentegen in alle verzoekingen eindelijk een gegronde troost; want, indien ik met een ernstig voornemen des harten God begeer te geloven en te gehoorzamen, zo moet ik daardoor als door een sterk bewijs vaststellen, dat ik onder het getal van diegenen ben die tot het eeuwige leven uitverkoren zijn en dus nooit kan verloren gaan, hoe zwak mijn geloof ook zijn mag.'
W. VERBOOM, WADDINXVEEN
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 april 2003
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 april 2003
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's