De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Gemeenschap van gelovigen

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Gemeenschap van gelovigen

LICHT OP DE KERK [24]

8 minuten leestijd

Ik keer nu weer terug naar de wijze waarop Guido de Brés de kerk omschreef. Ze is een vergadering én een gemeenschap (congregation et assemblee) van ware gelovige christenen. Ik heb in het vorige artikel vooral gelet op het eerste: de kerk als vergadering (congregation) van gelovigen. Nu let ik op het tweede: de kerk als gemeenschap (assemblée) van gelovigen.

Het verbond is van origine eenzijdig (monopleurisch), maar het wil tweezijdig (dypleurisch) worden. Daarom bestaat het verbond uit twee delen, zoals zo treffend verwoord wordt in ons klassieke Doopformulier. Het eerste (!) deel is Gods belofte, het tweede (!) deel is het geloof in die belofte en de bekering die daaruit voortvloeit. Dit moet uiteraard niet misverstaan worden. Het is niet zo dat God eerst van

Zijn kant Zijn belofte aanbiedt en dat de dopeling nu van zijn/haar kant daar iets tegenover moet stellen. Stel je voor! Nee, het aanbieden van de belofte is Gods werk, maar het geloven in die belofte is evènzeer Zijn werk.

Door nu ook het tweede element, namelijk het geloof te benadrukken, zien we dat de kerk niet alleen een moeder is, maar dat de kerk ook bestaat uit de kinderen die uit deze moeder geboren

worden. Kinderen die samen het gezin, de assemblee van de gelovigen vormen. Het is dus niet alleen echt gereformeerd om in de ecclesiologie de betekenis van het verbond te benadrukken, het is eveneens echt gereformeerd om in de ecclesiologie de betekenis van het geloof te benadrukken. Daarom eindigt Zondag 54 van de Heidelbergse Catechismus ook met de geloofsbelijdenis, dat ik van de kerk een levend lidmaat ben en eeuwig zal blijven. In deze zelfde lijn moet het gezien worden dat Ursinus niet zonder meer zegt dat Christus Zijn gemeente vergadert, maar dat Hij dat doet in de eenheid van het ware geloof.

Het geloof als tweede element in het kerk-zijn wil openlijk beleden worden. Dat gebeurt persoonlijk in het afleggen van de openbare belijdenis van het geloof. Het gebeurt gemeenschappelijk als doxologie in de kerkdienst. En het gebeurt ook in de con/essie als het gemeenschappelijk belijden van de kerk. Een confessie wordt in een bepaald tijdsgewricht geboren en op schrift gesteld. In de confessie wordt het geheimenis van het geloof vertolkt, vaak tegenover dwalingen in leer en leven.

Wanneer ik dus de nadruk leg op het vergaderen van God in het kerk-zijn, komt dit niet in mindering op het geloof in het kerk-zijn. Maar als ik vraag: wat is eerst? Wat heeft overwicht over wat? Dan moet het principieel heel duidelijk zijn: de uergadering door God heeft overwicht over het geloof van mensen. Het geloof komt voort uit het verbond en niet het verbond uit het geloof. Het fundament van de kerk is het verbond van God. Alleen zo vormen verbond en geloof een diepe eenheid en houdt het geloof stand. Waar de kerk het fundament van het verbond mist, valt ze uiteen.

Vergaderen en geloof zijn beide nodig

Ik wil nu aan de hand van twee voorbeelden laten zien dat het vergaderen (in het verbond) en het geloof beide nodig zijn in het kerk-zijn. Als we alleen het vergaderen zouden noemen en niet het geloof, gebeuren er ongelukken en als we het omgekeerde doen, gebeuren er ook ongelukken. Die ongelukken zagen de reformatoren bijvoorbeeld gebeuren in de Rooms-Katholieke Kerk. Daar was het vergaderen - dat gebeurde door het sacrament - losgemaakt van het geloof en de geloofsbelijdenis van mensen die bij de kerk behoren. Het gevolg was een ontstellende onwetendheid als het gaat om geloofszaken en daardoor een trieste verwording van de kerk. Het is tegen deze achtergrond dat Calvijn er de nadruk op legt dat geloven kennen is. Het persoonlijk kennen van Christus en Zijn heil is onmisbaar voor het behoren tot de kerk. Maar nu de andere kant. Als we eenzijdig de nadruk leggen op het geloven en het ware geloof, zoals verwoord in geloofsbelijdenissen, zonder ook het andere element, het verbond in het oog te houden, dan gebeuren er ook ongelukken.

Dan komen we terecht bij een kerk zoals de dopers die wilden realiseren in de dagen van Calvijn en De Brés. Dan wordt de kerk de optelsom van ware gelovigen. Ze wordt dan gevormd door mensen die door hun persoonlijke geloofsbelijdenis toetreden tot de kerk (met als consequentie, dat zij zich laten dopen als bezegeling van hun geloof). Hier valt in het kerk-zijn alle nadruk op vergaderen door mensen en niet op het vergaderen door God. In het verlengde daarvan ligt de gedachte van een zuivere gemeente, dat wil zeggen een gemeente van enkel wedergeborenen. Daartegenover is het een diepe reformatorische gedachte dat de kerk altijd (helaas) een corpus mixtum is. Er zijn schijnheiligen onder de heiligen. Er is kaf onder het koren. In het net van het Evangelie zitten goede en kwade vissen. Pas als het net geleegd wordt, worden ze van elkaar gescheiden. Zo worden gelovigen en ongelovigen pas in het laatste oordeel, dat aan God toekomt, van elkaar gescheiden.

Verbond en geloof nu

We vragen ons nu af wat het voor ons staan in de kerk betekent dat de belijdenis ons leert dat het vergaderen van God voorafgaat aan het samenkomen van de kerk, dat het handelen van God voorafgaat aan het handelen van mensen.

Het heeft ons namelijk zo veel te zeggen wanneer we in een kerk leven die niet is zoals zij naar bijbelse maatstaven zou moeten zijn. Een kerk die afwijkt van haar belijdenis. Hetzij ze die belijdenis verloochent in haar grondslag (de jure), hetzij ze die belijdenis verloochent in de praktijk van het kerkelijke leven (de facto). Dan word je aangevochten door de vraag: kun je zo'n kerk nog wel kerk noemen? Stel dat dat niet het geval is, dan moetje om des gewetens wil die 'kerk' toch verlaten.

Er zijn in de geschiedenis van de Nederlandse Hervormde Kerk momenten geweest dat ons voorgeslacht hevig heeft geworsteld met dit dilemma. Ik denk aan de duistere periode van de negentiende eeuw, toen de Hervormde Kerk bestuurd werd door een synode die de belijdenis slechts in geest en hoofdzaak wilde handhaven (de jure en de facto). Er zijn toen duizenden mensen geweest die de kerk hebben gemeend te moeten verlaten. Het zijn de broeders en zusters die nu tot de Christelijke Gereformeerde Kerken of bijvoorbeeld tot de Gereformeerde Gemeenten behoren.

Aan het eind van de negentiende eeuw was er helemaal sprake van een dieptepunt. Toen moesten proponenten die predikant werden in onze kerk, hun jawoord geven aan een belofte waarin de belijdenis van de kerk helemaal niet meer voorkwam. De proponent hoefde alleen te beloven, in de evangeliebediening' overeenkomstig' zijn roeping, 'met ijver en trouw' werkzaam te zullen zijn 'en de belangen... van het Godsrijk en... Kerk... naar vermogen' te zullen behartigen.' (O. J. de Jong, 1972, 354) Onvoorstelbaar. Wat deed Abraham Kuyper? Hij zei: Laten allen die de belijdenis hooghouden, zich aaneensluiten en de synodale kerk en haar besluiten negeren en zich voegen bij de ware kerk, zoals ze bedoeld is. Een kerk, die als grondslag heeft een belijdenis en vraagt aan haar leden daar klaar en duidelijk mee in te stemmen, met tucht voor hen die de belijdenis weerspreken. Heldere taal. Velen volgden Kuyper na en de Doleantie was een feit.

Pleitend en biddend

Maar er waren er ook die dat niet konden. Onder hen waren de voormannen yan de Gereformeerde Bond, die juist in die tijd predikant werden. Hebben zij dan ja gezegd op een proponentsbelofte waarin de belijdenis niet voorkwam? Ja, want zij hadden geen keus. Geen keus? ? Nee, want zij durfden niet te doen, wat Kuyper deed. Waarom niet? Omdat zij bang waren dat zij dan zondigden tegen de trouw van God en tegen de leiding van God, omdat zij geloofden dat God hen in die kerk had geplaatst. Zij durfden de volgorde van Gods handelen en menselijk handelen niet om te keren. Zij bleven waar ze waren vanwege het verbond van God. Zij zeiden: als God deze kerk niet heeft verlaten, als het Woord wordt verkondigd, waardoor het geloof gewerkt wordt, dan mogen we niet weggaan. Waren dat dan mensen die het niet zo nauw namen met de belijdenis? Nee, absoluut niet, ze ademden in die belijdenis en leefden er uit. Maar juist de belijdenis aangaande kerk (art. 27 NGB) bewaarde hen voor verbondsbreuk. De enige mogelijkheid die voor hen overbleef, was pleitend op het verbond, biddend te blijven waar ze waren. En zijn ze beschaamd geworden? Nee, hoe zouden zij? Een gemeente als Benschop kende zulke biddende pleiters op het verbond en in 1918 kwam er een gereformeerde prediking in de persoon van ds. I. Kievit. Toen bleek dat God hun gebeden had verhoord. Wat waren ze blij. Ze hebben er wel lang op moeten wachten, maar de verhoring kwam. Wat het zwaarst is, moet het zwaarst wegen. De belijdenis weegt zwaar, maar diezelfde belijdenis zegt: het verbond van God weegt het zwaarst. Wanneer de synode zou besluiten tot eenwording van de PKN, staan we weer voor hetzelfde dilemma. Kuyper wist het in zijn tijd. Hij ging niet mee, maar weg.

Maar tobbers, die niets anders hebben dan Gods handelen, weten het niet en durven daarom niet weg te gaan. Ze lopen niet weg uit een verworden kerk, omdat ze zelf precies zo zijn. Alleen, zij hopen op de Heere. Zou Hij hen beschamen? Nooit!

W. VERBOOM

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 april 2003

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's

Gemeenschap van gelovigen

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 april 2003

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's