De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Delen in de volle gemeenschap

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Delen in de volle gemeenschap

LIDMAAT WEET ZICH ONDERDEEL VAN DE KERK

9 minuten leestijd

Ieder voorjaar mogen we ze zien dat (veelal jonge) mensen komen tot openbare belijdenis uan het geloof. Wat betekent belijdenis doen nu uoor ons 'staan' in de kerk? Met welke zaken kunnen we in aanraking komen, waarmee we daarvoor niet hoefden te rekenen? Welke verantwoordelijkheden brengt deze stap met zich mee? Daarouer tuil ik nadenken in dit artikel.Waarin delen zij dan die komen tot openbare belijdenis des gel oojs? In het formulier van het Dienstboek voor de Nederlandse Hervormde Kerk lezen we: 'opdat zij mogen delen in de volle gemeenschap der Kerk, daardoor tot het heilig Avondmaal worden toegelaten en medeverantwoordelijkheid dragen voor de opbouw der gemeente uan Christus'. Als elementen worden dus genoemd de deelname aan het Heilig Auondmaal en het meewerken aan de opbouw van de kerk.

Eerst wil ik nadenken over de deelname aan het Heilig Avondmaal. Door de eeuwen werd de viering van het Avondmaal voorbehouden aan de gelovigen. Tegelijk werd ook erkend dat het niet aan de mens en daarmee niet aan de kerkenraad is om te bepalen of een ander daadwerkelijk gelooft of niet. Daarom werd eenieder gevraagd om het geloof te belijden, alvorens men werd toegelaten tot het Heilig Avondmaal. Wanneer iemand echter belijdenis des geloofs heeft afgelegd, mocht en mag men deelnemen aan het Heilig Avondmaal.

Hier komt het element van 'delen in de gemeenschap' voluit naar voren. Immers, we geloven dat hij of zij die deelneemt aan het Heilig Avondmaal, gemeenschap heeft met de Heere Jezus Zelf (i Kor. 10 : 16). Deze 'volheid' gaat (naar de orde van de kerk) nu voor mij open. Ik mag dan aanzitten aan één tafel met het Hoofd van de kerk. Ik ontvang dan de mogelijkheid om aan Zijn gebod (Luk. 22 : 19b: 'doet dat tot Mijn gedachtenis') persoonlijk te voldoen. Binnen deze gemeenschap word ik door Hem zelf verzekerd van vergeving van mijn zonden in Zijn bloed. Hij is het immers namens Wie brood en wijn gedeeld worden. Belijdenis des geloofs geeft zo de mogelijkheid om de Heere te ontmoeten aan Zijn tafel. Het doet delen in gemeenschap met Hem van Wie de kerk is.

Onderlinge gemeenschap

Naast de gemeenschap met de Heere Jezus schenkt het Avondmaal ook gemeenschap met elkaar. Ik ben aan het Avondmaal niet alleen aan Hem verbonden, maar ook aan hen die Hem eveneens als hun Hoofd en Heiland belijden, aan hen die ook weten van vergeving in Zijn bloed. Wanneer ik met anderen aanga, belijd ik samen met hen 'midden in de dood' te liggen, belijd ik samen met hen 'het leven buiten mezelf in Jezus Christus te zoeken'. Hier komt de diepte van de onderlinge gemeenschap naar voren. Wanneer mensen samenkomen aan Zijn tafel, wordt de gemeenschap der heiligen die Hij tot stand heeft gebracht, zichtbaar. Deze heiligen zijn op Hem en daarom ook op elkaar betrokken. Ze zijn zusters en broeders, omdat ze belijden dat in de Heere Jezus (hun oudste Broeder) God hun Vader is. In die volle gemeenschap deel ik, wanneer ik geloofsbelijdenis gedaan heb en daarop ook deelneem aan de viering van het Heilig Avondmaal. Delen in de volle gemeenschap betekent ook dat ik mij voeg naar de orde van de kerk. In de derde vraag van het 'dienstboek' bij het doen van belijdenis lezen we: 'Wilt gij, in de gemeenschap der Nederlandse Hervormde Kerk en onder haar opzicht, getrouw zijn onder de bediening van het Woord en van de sacramenten? ' Hier spelen twee elementen. Het eerste is dat van het belijdend lid wordt verwacht dat hij of zij getrouw zal zijn in het zoeken van deze gemeenschap. Wanneer ik belijd te geloven dat de Heere binnen de gemeente tot mij komt in Woord en sacrament, dan dien ik ook bij de samenkomsten van de gemeente te zijn. Dan mag worden verwacht dat ik er naar verlang om deze gemeenschap ook te smaken. Daarin komt openbaar of dat wat beleden is ook werkelijk een zaak van het hart is. Zo volhard ik in het delen van de volle gemeenschap van de kerk.

Opzicht

Het tweede element is dat van het opzicht. Het gaat hier om de kerkelijke tucht. Wanneer ik belijd dat de Heere Jezus het Hoofd van de gemeente is, dan belijd ik ook dat binnen Zijn gemeente Zijn geboden geldingskracht hebben. Dan belijd ik te geloven dat Zijn geboden goed zijn. Dan heb ik Zijn geboden lief (Ps. 119 : 97). Dan mag worden verwacht van een belijdend lid dat hij of zij zich ook voegt naar deze geboden. Enerzijds betekent dit dat ik mij stel onder de bediening van het Woord en gehoorzaam aan de tucht die daarvan uitgaat. De Heere onderwijst mij immers vooral onder de prediking waarin mij Gods weg wordt gewezen en mij wordt aangewezen waarin ik dwaal. Wanneer ik belijd dat ik in de Heilige Schrift de woorden van de Heere Zelf beluister, dien ik ook aan dat Woord gevolg te geven. Anderzijds betekent dit dat ik mij ook stel onder het opzicht van de gemeente. Delen in de volle gemeenschap van de kerk wil in dit verband zeggen dat ik aanvaard dat men mij, mocht dat aan de orde zijn, aanspreekt op mijn handel en wandel. Het wil zeggen dat ik ook zelf oog heb voor anderen in de gemeente. Hier is niet aan de orde dat we elkaar op een vergaande manier moeten controleren. Nee, hier is aan de orde dat deze gemeenschap vooral gebaseerd is op liefde. Liefde van en voor de Heere en van daaruit liefde van en voor elkaar. Juist die liefde maakt dan dat ik die broeder of zuster die dreigt de gemeenschap te verlaten, daarop aanspreek. Ik wil hem of haar immers niet verliezen. Juist die liefde is het die mensen tot mij doet komen wanneer ik dreig de gemeenschap te verbreken. Men wil mij niet kwijtraken. Delen in de volle gemeenschap van de kerk wil zeggen dat ik me realiseer dat de kerk met haar leden oog heeft voor mij en ikzelf heb oog voor de kerk en allen die bij haar horen.

Geschonken gaven

Een volgend aspect wordt eveneens verwoord in de derde vraag vanuit het dienstboek. 'En naar de u geschonken gaven medewerken aan de opbouw der gemeente van Christus'. Delen in de volle gemeenschap van de kerk betekent dat ik mij ook verantwoordelijk weet voor de kerk. Daarbij gaat het in de eerste plaats om de gemeente. Bij het doen van belijdenis spreek ik uit dat ik mij in zal zetten voor de opbouw van de gemeente. Dat kan op allerlei manieren. Dat kan door het verrichten van allerlei hand- en spandiensten, ik kan mijn bijdrage leveren in het werk onder de jeugd, ik kan me inzetten voor de verbreiding van het evangelie, dichtbij of veraf. Zo zijn er nog meer voorbeelden te noemen van werkzaamheden waarmee de gemeente gebouwd wordt.

Daarin is niets voorgeschreven, behalve dat ik dat doen zal met de aan mij geschonken gaven. De talenten, waarvan ik belijd dat ik ze van de Heere heb ontvangen, mag ik niet begraven, maar daar dien ik mee te woekeren (Matth. 25 : 14-30). Elk mens ontvangt gaven (1 Petr. 4 : 10). Ook zij die menen geen 'zichtbare geven' te hebben, kunnen luisteren naar die ander, bidden voor die ander, er zijn voor die ander. Zo deel ik in de volle gemeenschap door mezelf te geven aan de ander, die behoort tot deze gemeenschap.

Ambt

Daaraan vastgekoppeld is de mogelijkheid dat een (onder ons mannelijk) belijdend lid geroepen wordt tot de vervulling van een ambt. Binnen de gemeente zijn er de door de Heere ingestelde ambten. Daarbinnen kunnen mensen door de gemeente, en mitsdien door de Heere zelf, geroepen om een ambt te aanvaarden. Delen in de volle gemeenschap van de kerk betekent dus dat ik in principe ook bereid moet zijn om een ambt te aanvaarden. Dat mag ik doen ziende op de Heere Die ik beleden heb. Dat mag ik doen in het geloof dat deze God diegene die Hij roept, ook schenkt wat nodig is om aan de roeping gehoor en inhoud te kunnen geven (1 Th. 5 : 24). De Heere roept mij op om mee te werken aan de opbouw van Zijn koninkrijk. Wanneer ik Zijn Naam belijd, zeg ik toe mij daar ook voor in te zetten, als dat gevraagd wordt ook in het ambt. Dat gaat overigens verder dan de eigen gemeente. Natuurlijk is de gemeente de (plaatselijke) gestalte van de kerk waarmee we het meest te maken hebben. Mijn verantwoordelijkheid geldt

echter het geheel van de kerk. Ook daar ben ik aan verbonden. Dat geldt nu, in de Nederlandse Hervormde Kerk, dat zal ook gelden in de PKN (mocht die er komen). Ik word meer dan 'belijdend lid van de gemeente van ds. Jansen of ds. Pietersen'. Ik word belijdend lid van de kerk! Dat geldt predikanten en ambtsdragers die vanuit hun ambt ontmoetingen hebben met het geheel van de kerk, dat geldt ook hun die belijdend lid zijn van de kerk. Daar waar ik dat kan, dien ik mee te helpen aan de opbouw van de kerk. Telkens weer dient de kerk een plaats te hebben in mijn gebed. Ze is immers de kerk van de Heere Jezus. Wanneer er binnen de kerk zaken zijn die niet naar het Woord zijn, ben ik daarvoor ook verantwoordelijk. Ook dan mag van mij gevraagd worden de ander daarop te wijzen.

Zo deel ik in de volle gemeenschap van de kerk. Ik weet me een onderdeel van de kerk. Ik draag mede de schuld van de kerk. Vooral, ik ben verbonden aari het Hoofd Van de kerk, de Heere Jezus.

Genade

Delen in de volle gemeenschap van de kerk. Ten diepste is dat genade. Het is de Heere Die de kerk haar roeping gegeven heeft, namelijk om Zijn Woord en sacramenten te bedienen. Het is de Heere Die door Zijn genade mij een plaats gegeven heeft in deze kerk. Aan mij, een zondig mensenkind, schonk Hij dit geweldige voorrecht. Het is de Heere Die door Zijn Woord en Geest geloof in mijn hart legde. Delen in de volle gemeenschap van de kerk is dan ook allereerst delen in de weldaden van de Heere. Dat maakt dat ik mag komen, wanneer Hij mij roept tot Zijn tafel. Dat maakt dat ik met Hem gemeenschap hebben mag. Dat maakt dat ik ook gemeenschap heb met hen die behoren tot Zijn gemeente. Dat maakt dat ik me ook verantwoordelijk weet voor Zijn gemeente, voor Zijn kerk. Hij heeft mij immers daar geplaatst. Daar mag ik Hem dienen. Daar mag ik, door louter genade, delen in de volle gemeenschap van Zijn kerk.

P. VAN DUIJVENBODEN, DEN BOMMEL

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 april 2003

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's

Delen in de volle gemeenschap

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 april 2003

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's