Belijden gevonden te zijn
ZIJN LIEFDE ZOCHT MIJ
Het is momenteel wat in de mode bij kranten of tijdschriften aan een geïnterviewde te vragen met wie hij of zij graag eens zou spreken. Als u mij zegt wie uw geestelijke of politieke vrienden zijn, leer ik u wat beter kennen. Wel, ik zou Nathanaël wel ontmoet willen hebben. Man zonder bedrog, oprechte zoeker die een overtuigde belijder wordt. Een man die zijn studeervertrek onder de vijgenboom gebouwd had en daar de Schriften onderzocht. Op een stil plekje in de natuur.
Nathanaël staat niet voorop in de rijtjes die wij leren, hoort ook niet tot de drie discipelen die Jezus meeheemt in het uur van Zijn verheerlijking én in het uur van zijn diepe lijden in Gethsémané. Noch op de berg, noch in de hof was Nathanaël in het gezelschap van Petrus en de twee zonen van Zebedeüs, maar hij kwam wel tot dezelfde belijdenis als Petrus later uitsprak, toen hij zei: 'Rabbi! Gij zijt de Zone Gods, Gij zijt de Koning Israëls.' Nathanaël greep terug op de psalmen van Israël, waarin de Messias bezongen was: 'Want de Heere is een groot God; ja, een groot Koning boven alle goden.' (Psalm 95) Nathanaël deed in de ontmoeting met Jezus belijdenis van Zijn heerschappij, van de grootheid van Zijn macht.
Die ontmoeting was tot stand gekomen door een aansporing van Filippus. Deze was door Jezus gevonden (Joh. i: 44) en getuigde ervan tegenover Nathanaël: 'Wij hebben Dien gevonden, van Welken Mozes in de wet geschreven heeft, en de profeten, namelijk Jezus, de zoon van Jozef, van Nazareth.' Het is opmerkelijk dat het onderwerp van het vinden hier direct wisselt. Jezus vindt Filippus, terwijl Filippus tegenover Nathanaël zegt: 'Wij hebben Hem gevonden'. Wat is het nu? Vindt de Heere óns of zijn wij naar Hem op zoek?
Genadegave
Op het uur van onze openbare belijdenis van het geloof bereiden we ons nauwgezet voor. Maanden van gezamenlijk en persoonlijk onderzoek van Gods Woord, onderricht inzake de leer van Christus gaan aan de belijdenisdienst vooraf. Jongeren en ouderen groeien toe naar het moment waarop zij in het midden van de gemeente belijdenis van het geloof doen. Een verlangen daartoe is groeiende. Tegelijk kan de schuchterheid of de bestrijding soms ook de overhand hebben. We komen tot de openbare belijdenis van het geloof, soms spreken we over belijdenis van óns geloof.
De geschiedenis van Nathanaël leert ons dat onze geloofsbelijdenis een genadegave is, waartoe de Heilige Geest ons gebracht heeft. Jezus kent het leven van deze Schriftgeleerde, tot diens eigen verbazing. De Heiland maakt hem duidelijk dat voordat Filippus hem op Jezus attent maakte, Hij hem allang in het vizier had. De wetenschap dat Jezus zijn leven kent en doorziet, brengt Nathanaël tot zijn heerlijke geloofsbelijdenis: Zoon van God, Koning van Israël. Hij belijdt Jezus' almacht en erkent de zeggenschap over zijn leven. God is de eerste in het leven van Nathanaël en dat komt aan het licht bij zijn geloofsbelijdenis. Filippus vond Jezus, omdat Jezus hém vond. En bij Nathanaël gaat het niet anders.
Augustinus
We belijden zo niet ons geloof, maar we belijden met alle andere discipelen van Christus te geloven in God de Vader, de Almachtige, de Schepper van hemel en aarde, en in Jezus Christus, Zijn eniggeboren Zoon, onze Heere, en in de Heilige Geest. Waar het in ons leven tot de overgave aan die God kwam, belijden we Zijn barmhartigheid, Zijn opzoekende genade.
Bij wie in de geschiedenis van de kerk der eeuwen vinden we die gerichtheid op God sterker dan bij Augustinus. Het komen tot God gaat bij Augustinus gepaard met de belijdenis van de genade die hem vond. 'Hier is mijn hart, God, hier is mijn hart, waar gij u over erbarmd hebt in de diepte van de afgrond.' Hij geeft in zijn 'Belijdenissen' hoog op van de liefde van God. 'Verhoor, Heere, mijn gebed: laat mij niet moe worden in het belijden van uw barmhartigheden, waardoor Gij mij onttrokken hebt aan al mijn zondige wegen. (...) Gij immers Heere, Gij zijt mijn koning en mijn God: aan u moet alles dienstbaar zijn wat ik als jongen aan nuttigs heb geleerd.'
Hij geeft - terugkijkend op de jaren waarin hij in de zonde leefde - ook hoog op van de lankmoedigheid van God: 'Maar mijn groei was een groei tot lelijkheid geweest en in mijn dwaasheid lachte ik om de aanwijzingen van u, die niet hebt toegelaten dat ik in die toestand een dubbele dood stierf.' God liet hem zien hoe zijn situatie zonder God was: 'Hoe deerlijk was ik eraan toe, ja, en hoe hebt Gij ervoor gezorgd dat ik mijn deerlijkheid gewaar werd.'
Zijn leven en Gods redding, het brengt Augustinus tot het hoogste waartoe een mens geroepen is, het groot maken van God: 'Ik wil u mijn onterende daden belijden tot lofprijzing.' Met andere zwakken en hulpbehoeven wil hij 'U belijden', de Heere een offer van jubelzang brengen.
Heilige doop
Zijn liefde zocht mij, en Zijn bloed dat kocht mij, zingt degene die door genade belijdt een kind van God te zijn. En hebben wij Hem dan niet gezocht? Jawel, die roeping ontvangt elk kind van de gemeente al bij de doop, waar de vermaning tot ons komt om onze reiniging en zaligheid buiten onszelf te zoeken. Zelf kunnen we onze ziel immers niet bij het leven behouden? Evenmin als een moorman zijn huid kan veranderen en een luipaard van zijn vlekken afkan komen, zal iemand goed kunnen doen, die geleerd heeft kwaad te doen. Onze redding moet van buiten onszelf komen, moeten we buiten onszelf zoeken.
Dat betuigt nu ook juist de doop. Die doop is niet alleen 'een teken van de inwijding in de gemeenschap van de kerk' (Calvijn), maar dient ook om ons geloof voor God te belijden en daarna voor de mensen. God geeft wat door de doop beduid wordt, namelijk de reiniging van onze zielen van alle ongerechtigheden, de vernieuwing van ons leven, de verzekering van zijn Vaderlijke goedheid. Daarvan mag in het midden van de gemeente belijdenis gedaan worden. Waar God vast verklaart dat Hij niet alleen voor gelovige ouders maar ook voor hun kinderen - een God wil zijn, mag de belijdenis een be-amen van Zijn beloften zijn.
Het verlorene zoeken
God gaat voorop. Hij zoekt het verlorene. Het zijn onze Dordtse Leerregels die hiermee direct inzetten: 'Maar hierin is de liefde Gods geopenbaard dat Hij Zijn eniggeboren Zoon in de wereld gezonden heeft, opdat eenieder die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe' (art. 1, 2). En Jezus Zelf geeft getuigenis van het doel van Zijn zending, bijvoorbeeld na Zijn bezoek aan Jericho, waar hij woning gemaakt heeft in het hart van de tollenaar Zachéüs: 'De Zoon des Mensen is gekomen om te zoeken en zalig te maken dat verloren was.' Degenen die het Evangelie aannemen en de Zaligmaker Jezus met een waarachtig en levend geloof omhelzen, die worden door Hem van de toorn van God en van het eeuwige verderf verlost en met het eeuwige leven begiftigd. Ve bonden aan de Zaligmaker, dat zijn allen die Zijn Naam belijden. Getuigen van Zijn opzoekende liefde en genade, die hen vond.
Paulus neemt in Romeinen 10 de woorden uit Jesaja 65 over: 'Ik ben gevonden van degenen die Mij niet zochten; Ik ben openbaar geworden degenen die naar Mij niet vraagden.' Daarom roemen we in genade alleen, omdat God de hele dag Zijn handen uitstrekt tot een ongehoorzaam en tegensprekend volk.
Als we mogen delen in Zijn gaven, mogen we God danken vanwege Zijn
onuitsprekelijke gave in Christus. Dan belijden we niemand anders dan Hem, die ons zocht en vond. En blijft er na het uur van de belijdenis de roeping om voor Hem te leven, heilig en opberispelijk in de liefde.
Bewerker en Voleinder
Hij is de Eerste én de Laatste. Bij de belijdenis van Zijn verkiezende liefde hoort daarom de strijd van het geloof in de loopbaan van dit leven, ziende op Jezus. De schrijver van de Hebreeën-brief noemt Hem de Voleinder des geloofs, Die nu gezeten is aan de rechterhand van de troon van God. Bij het geloof in Hem hoort het vertrouwen dat Hij, Die in ons een goed werk begonnen is, dat zal voleindigen tot op de dag van Jezus Christus. (Fil. i: 6) Zo brengen oorsprong en bestemming van het geloof ons bij Christus, de Bewerker en de Voleinder. In Hem ligt ons houvast. Omdat Hij de duivel weerstaan heeft, de Vader gehoorzaam was en het volmaakte oflfer gebracht heeft.
Niets uit ons, alles uit Hem. Een andere belijdenis kent de kerk niet.
P. J. VERGUNST
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 april 2003
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 april 2003
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's