Uit de pers
'Voelt u al iets, mevrouw? '
Onlangs werd dichter en essayist Ad den Besten 80 jaar. Wie nooit uit het Liedboek voor de kerken zingt (en dat geldt misschien wel de meerderheid van de lezers van ons blad) zal zijn naam misschien weinig zeggen. Poëzieliefhebbers met enige historische kennis weten hoe belangrijk zijn rol is geweest in de naoorlogse jaren bij het opsporen en publiceren van nieuwe poëzie. Hij liet veel jonge dichters voor het eerst hun werk uitbrengen in de reeks 'De Windroos' en later in 'Seismogram'. Ook schreef hij een aantal essaybundels waarin hij zich rekenschap gaf van zijn poëtica. Ds. S. L. Schoch had naar aanleiding van zijn tachtigste verjaardag een gesprek met hem, te lezen in In de Waagschaal (22 maart 2003). Hij vertelt daarin hoe er bij hem thuis weieens een dichter boven kwam in de Amsterdamse Rubensstraat, waar in 1947 dominee Groenenberg hun woonruimte had aangeboden. Zelfwas hij dan soms afwezig en dan begon zo'n dichter voor Agnes, zijn vrouw, enkele gedichten voor te 'zeggen' en na een tijdje vroeg hij dan: 'Voelt u al iets, mevrouw? '
Psalmberijming
Ad den Besten is een van degenen die voor de Nieuwe Berijming van de Psalmen en later voor het ontstaan van het Liedboek veel heeft betekend. Uiteraard gaat het belangrijkste onderdeel van het gesprek met hem daarover.
'In de vroege jaren vijftig ben ik betrokken geraakt bij de herberijming van de psalmen. Martinus Nijhojf was door de toenmaals hervormde psalmencommissie als literair adviseur aangezocht. Er waren toen al verschillende pogingen tot nieuwe berijming in omloop, bijvoorbeeld die van Haspels. Nijhojf heeft, naast Miskotte, mee verhinderd dat die berijming werd ingevoerd in het nieuu? e psalm- en gezangenboek dat zou komen als revisie van de hervormde bundel 1938. Maar toen moest natuurlijk gezocht worden naar andere mogelijkheden. Nijhojf vroeg eerst een paar dichters uit de kring van het protestantse tijdschrift "Opwaartsche wegen", maar daar kivam niet veel respons uit, slechts enkelen zeiden ja, zoals Fedde Schurer en Gerrit Kamphuis, als ook Klaas Heeroma, als dichter Muus Jacobse. Nijhojf was geabonneerd op De Windroos; hij ried de psalmencommissie aan: vraag eens een paar van die jonge dichters, die blijkens hun poëzie een relatie hebben met kerk en christendom, zoals Barnard, Wit en Schulte Nordholt. Ook mij werd die vraag toegespeeld. Ik heb toen een brief e teruggeschreven, heel afstandelijk, geen beetje uit de hoogte, zo in de trant van: berijmen? Een dichter daarvoor uitnodigen? ! Dit leek me toen het allerergste. Maargoed, mijn vrienden hebben me overgehaald om toch maar mee te doen, af en toe een weekje in het conferentiehuis de Pietersberg bij Oosterbeek. Bovendien, het eten was er goed, de omgeving mooi en de kerk betaalde. Ja, toen had de kerk geld over voor zo'n experiment! En jaarlijks op 2 januari, nog net in de kerstvakantie, toog ik samen met de andere vier aan het werk. Je had de Hebreeuwse tekst van de psalm, die moest vertaald worden en berijmd én tegelijk poëzie blijven en dan nog bovendien gehoorzamen aan de melodie van het Geneefse psalter. Jan Wit was in ons midden een krachtig Hebraïcus. De hele groep heeft elkaar voortdurend gestimuleerd: er samen mee bezig zijn en ook blijven, daar ging alleen al inspiratie van uit. We hadden daar aparte kamers waar we konden werken en we trofen elkaar dan weer in de "glazen kamer" beneden om ervaringen uit te wisselen. Je helpt elkaar in het begin vaak, maar op een gegeven moment word je om zo te zeggen dichterlijk volwassen, dan ga je alleen in de clinch met een psalm. Ik heb daar in Oosterbeek veel door de bossen gelopen, vaak zingend Je moet het af en toe namelijk jezelf inzingen. Ik zag eens een wandelaar die zich vlug uit de voeten maakte voor deze luidop zingende man... Bij het berijmen was je je steeds bewust datje dat deed voor de gemeente, die, thuis en in de kerk, wilde zingende berijmde voor de mensen. En dan was er daar in Oosterbeek vaak de grote Miskotte, die mee overwoog wat kon en niet kon, wat goed en niet goed was. Miskotte gebruikte trouwens al heel vroeg gedichten van deze jonge generatie dichters in zijn preken voor "Groot Zuid" in Amsterdam. Dat werd herkend en gewaardeerd. De poëzie zat in de lucht in de jaren vijftig.
Poëtisch denken, daar kun je als christen, denk ik, niet omheen. Als je zegt: dit ts dit, dat is dat en daarmee uit, dan ben je verstrikt geraakt in een wereld van vaststellingen, van zijnscategorieën, waar een dichter niets te zoeken heeft, dan ben je van het geheim los. En dat is óo'k slecht voor zoge-„ - naamd "gewone" mensen. Het vreemde is ons toch uiteindelijk dichterbij dan het gewone. Dat besef kun je bij de Gereformeerde Bond nog tegenkomen in de vorm van een bepaalde innigheid die je elders in de kerk nog maar zelden aantreft.'
Den Besten vertaalde veel Duitse kerk-
liederen in onze taal waarvan er zeer veel in het Liedboek terechtgekomen zijn: meer dan tachtig in totaal.
'We Ieuen nu vijftig jaar later. Ik bedoel de tijd dat er naast mijn bloemlezing Stroomgebied ook een inleiding tot de poëzie uan de naoorlogse dichtersgeneratie uan mijn hand uerscheen onder diezelfde titel. Ik had daarin aan alle dichters uan mijn generatie een kort essay gewijd. Dat boek was in een mum uituerkocht. Wanneer je er nu in bladert zie je, ook aan de portretfoto's, hoe jong we waren. Ik blijf de periode vijftig tot ongeueer vijfenzestig de meest vruchtbare jaren uan de Nederlandse poëzie vinden. Belangrijke dichters zijn uoor mij Kouwenaar, Vroman, Van der Grajt, Lucebert. Van de ouderen vooral Achterberg, een groot dichter: geen woord te veel, geen woord fout. En niet te vergeten Nijhojf! Diens naam herinnert me nog aan ander vertaalwerk uan mijn hand, een vertaalprestatie mag ik best zeggen, waar ik nogal trots op ben, namelijk de uertaling uan Friedrich Hölderlins gedichten. Dat is in mijn ogen naast Rilke nog altijd de belangrijkste dichter uan het Duitse taalgebied. Ik kreeg voor dit werk destijds de Martinus Nijhoff-prijs.
Zelfben ik langzamerhand zo normaal geworden, dat ik bijna geen poëzie meer schrijf. En bouendien ben ik daarvoor ueel te gelukkig getrouwd! Of uind je dat ik daarom dagelijks een gedicht op mijn vrouw zou dienen te schrijven? '
Direct na het gesprek met Ad den Besten is een lied van hem opgenomen uit zijn 'Poëzie om te zingen', Zoetermeer 1998, p. 68. We nemen dat hier in onze rubriek ook over.
Gij hebt, o God, dit broze
Gij hebt, 0 God, dit broze bestaan gewild, hebt boven 't nameloze mij uitgetild, -
Laat fhtj dan dankbaar de volle tijd, geborgen in de bevende zekerheid, leven
dat ik niet uit dit smal en onvast bestand van mijn bestaan zal vallen dan in uw hand.
Nog een schrijver
Ik kan niet nalaten enkele uitspraken te citeren van een in ons taalgebied bekend en veelgeprezen schrijver namelijk Thomas Rosenboom. Onlangs verscheen weer een nieuwe roman: De nieuwe man. Mede daarom verscheen er een interview met hem in Vrij Nederland (8 maart 2003). Mij vielen een aantal kernachtige uitspraken daarin op. Precies op de dag dat ik deze rubriek samenstel lees ik in het Nederlands Dagblad ook een gesprek met staatssecretaris Hessing van Veiligheid. Daar staat een uitspraak boven: Het moet weer vrolijk worden op straat. 'We zijn met z'n allen echt vreselijk achteruit gekacheld' is de stellige mening van deze voormalige hoofdcommissaris van Eindhoven en Rotterdam/Rijnmond en wie zal hem ongelijk geven. Wel, ook de schrijver Thomas Rosenboom geeft daar indringend zijn mening over. Hij is zelf een keer te grazen genomen in het kader van wat we tegenwoordig zijn gaan noemen zinloos geweld.
'De wereld waarin wij leven, is vaak een wereld waarin ik mij niet thuis voel. En het erge is, mensen zien en horen niks. Ik wel. Ik heb daar een griezelig oog voor. Ik zie hoe schooljongens lijfeigene gemaakt worden uan andere jongens. Ontboden, stilgehouden worden op de gracht, hun zakken moeten leegmaken en stijf staan uan angst, zich niet durven verweren. Nageroepen krijgen: volgende week weer. Dagelijks vinden er grote geestelijke martelingen plaats. Amnesty International kan in Nederland nog heel wat beginnen.'
In je eerste boek, 'Bij mensen thuis', is ook al sprake van terreur.
'Ik ben er altijd ontvankelijk uoor geweest, hoewel ik zelf nauwelijks gepest werd. Maar als ik mezelf nu voorstel op een schoolplein, weet ik zeker dat ik me niet zou kunnen handhauen. Het pesten is uele, vele malen wreder geworden. Ik ben bang voor mensen onder de dertig. Het zijn kinderen die geen nee kunnen accepteren omdat ze alleen maar ja hebben gehoord. Er is een angstaanjagend volk aan het ontstaan. Kinderen schreeuwen, trekken en plukken aan elkaar. Niemand houdt ajstand, het zit altijd tegen het gewelddadige aan. Tegenover mij zit een naschoolse opvang. Kinderen rennen rond als dwazen, slaan met stokken tegen elkaar aan, maken alleen maar kapot. Het rare is dat ik mij in andere landen volkomen veilig uoel. Daar worden de kinderen nog opgevoed zoals ik ben opgevoed. Ik kom uit een ijzersterk gezin waar ouders nog samen eenjront vormden. Ik werd vanajmijn vierde mee naar de kerk genomeft, daar leerde je je impulsen onderdrukken. Daar is niks mis mee, net zo min als met een duidelijke opvoeding: ga eens niet zo dicht tegen oma aan staan, vindt oma niet prettig. Niet met de deuren slaan, daar hebben de buren last van. Nadenken over hoe jouw gedrag overkomt op een ander: zó ben ik opgevoed. Als wij weieens naar een restaurant gingen, draaide het echt niet om mij. Sinds dertig jaar weten kinderen niet beter of het draait om hen. Er bestaatgeen enkele frustratietolerantie. Toen een paar jaar geleden Umberto Eco een lezing gaf in de Lutherse Kerk stonden na een kwartier de eerste studenten op en liepen drukpratend naar de deur. Hun eerste nieuwsgierigheid was alweer bevredigd. Als ik naar het buitenland ga, heb ik het gevoel thuis te komen. In België is het bijna een feest in de rij te staan voor de schouwburg. Men staat op een natuurlijke ajstand uan elkaar. Raakt elkaar niet aan, praat op gedempte toon. Voor mij is het in Nederland geen genoegen meer om uit eten te gaan. Aan belendende tafeltjes worden luidkeels allerlei intimiteiten uitgewisseld. Mijn Duitse collega's zeggen uaak verbaasd en vol afkeer: Hollander schreien so... Ik moet zeggen, als ik naar het buitenland ben geweest, krijg ik pas de cultuurschok als ik thuiskom.' Belemmert die angst je in het dagelijks leven?
'Ik durƒ niet meer met de trein, noch met de metro. Als mensen me uitnodigen voor een lezing zeg ik: ik wil wel komen, maar dan moeten jullie me ophalen en weer thuisbrengen. Eerst durfde ik nog wel overdag met de trein, maar toen ik na een weekendje Texel in een trein belandde waar kinderen de boel afbraken, was ik tien kilo lichter toen ik in Amsterdam aankwam. Ik was helemaal op, moest op bed gaan liggen om bij te komen.'
Kerkgang met als effect datje daardoor je impulsen leert onderdrukken. Aan dat aspect had ik nog nooit zo gedacht. Bij nader inzien: in het Nieuwe Testament wordt regelmatig gepleit voor matigheid als wezenlijk onderdeel van het christelijk leven. Het is een aspect van de vrucht van de Geest (Gal. 5 : 22). Voegt bij uw geloof matigheid, schrijft ook Petrus (2 Petr. 5 : 22). Zo zie je maar weer: kerkgang blijft noodzakelijk en nuttig, al beweren nog zovelen dat het uit de tijd is geraakt.
J. MAASLAND
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 april 2003
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 april 2003
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's