De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Omgang met de belijdenis

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Omgang met de belijdenis

LICHT OP DE KERK [25]

9 minuten leestijd

De belijdenis centraal

In het geding om de kerk zoals dat zich momenteel rondom SoW steeds scherper aftekent, speelt de plaats die de belijdenis in de nieuw te vormen kerk inneemt een belangrijke rol. Het zou zelfs wel eens zo kunnen zijn dat deze rol voor velen van ons uiteindelijk doorslaggevend zal zijn in onze afwegingen. Enerzijds geldt dat in elk geval voor hen die vanwege de voorgenomen veranderingen in de grondslag van de kerkorde voor zichzelf geen plaats meer zien in de PKN. De toevoeging van lutherse belijdenisgeschriften aan de klassiek-gereformeerde in de grondslag van de kerkorde en de noodzaak om de lutherse verbondenheid daarmee te erkennen en respecteren, maakt het hen - méér nog dan bepaalde onbijbelse uitwerkingen in de ordinanties - onmogelijk om de weg van de kerk te volgen.

Anderzijds geldt de centrale betekenis van de belijdenis ook voor hen die de verzwakking van het gereformeerd karakter van de kerkorde eveneens principieel onaanvaardbaar vinden, maar daaruit toch niet de conclusie trekken dat zij in de nieuw te vormen kerk on-mogelijk hun plaats kunnen innemen. Weliswaar beroepen laatstgenoemden zich veelal op het verbond, het verbond van God 'dat van geen wank'len weet'. Toch weten zij ook van de mogelijkheid van verbondsbreuk van onze kant. Daarom is het voor hen bepaald niet onbelangrijk dat in de grondslag van de PKN de gereformeerde belijdenis (in de vorm van de drie Formulieren van Enigheid) een legitieme plaats behoudt. De kerk voegt weliswaar iets aan haar grondslag toe dat daarmee voor een deel helaas op gespannen voet staat - met alle indringende vragen die dat oproept. Maar de kerk keert zich daarmee nog niet rechtstreeks van haar gereformeerde wortels af. Zij laat die althans feitelijk niet los.

Voluit gereformeerd?

Nu kan men zich natuurlijk afvragen wat hier in onze overwegingen de voorrang moet krijgen. Het feit dat de gereformeerde belijdenis voluit (inclusief de Dordtse Leerregels) 'meegenomen' wordt in de nieuwe kerk, of het feit dat de plaats van deze belijdenis niet langer exclusief is? Daarover kan men lang en diep discussiëren. Bete-kent dat laatste immers toch niet dat minstens impliciet afbreuk gedaan wordt aan de inhoud van de gereformeerde belijdenis? Want wanneer een kerk niet langer exclusief gereformeerd is, kan zij dat dan nog wel voluit zijn? Is het bijvoorbeeld op het punt van de avondmaalsleer niet van tweeën één: of men is gereformeerd, maar dan is men niet luthers; of men erkent het gelijke recht van de lutherse visie, maar dan kan men onmogelijk meer voluit gereformeerd heten? En moet men niet erkennen dat bijv. de onveranderde (in tegenstelling tot de veranderde) Augsburgse Confessie in wezen een lutherse avondmaalsopvatting kent, die zelfs nog meer ruimte laat voor een rooms-katholieke dan voor een gereformeerde uitleg?

Nu is de verwijzing naar de Leuenberger Konkordie in de kerkorde bedoeld om dit soort spanningen die er tussen de gereformeerde en de lutherse belijdenis bestaan als het ware op te vangen. Niet door ze te ontkennen of weg te masseren, maar door ze voor nietkerkscheidend te verklaren. Dat is op zichzelf niet vreemd; voor Calvijn was de afwijkende avondmaalsleer van Luther ook niet per se kerkscheidend.

Maar het laat wel de vraag onverlet of de Leuenberger Konkordie inhoudelijk toch niet méér doet dan dat, door op bepaalde momenten tegen de consequenties van de gereformeerde belijde-nis te kiezen, met name als het gaat: om haar veroordelingen van afwijken- 1 de standpunten. Strikt genomen bindt de kerk zich weliswaar niet (meer) aan de inhoud van de Leuenberger als zoda 4 - nig; zij erkent nog slechts haar betekenis voor het samenkomen van beide tradities. Voor die beperking mogen we dankbaar zijn. Maar toch - in hoeverre valt het één geheel van het ander te scheiden?

Dreigende fixatie

Op deze wijze kan men lang en breed, ja vrijwel eindeloos discussiëren over de plaats van de belijdenis in de nieuwe kerkorde. Dat is in allerlei hervormd-gereformeerde verbanden dan ook gebeurd, en gebeurt nog. Terecht! Want het is niet om het even, en we moeten proberen elkaar op dit punt te vinden en vast te houden. De vraag die we echter in deze bijdrage onder ogen willen zien, is of daardoor ongemerkt en ongewild toch ook niet een zekere fixatie kan optreden.

Een verenging, een inperking namelijk van ons blikveld, die wel eens niet zonder gevolgen zou kunnen blijven. Ongemerkt lijken we namelijk de kracht van de belijdenis te gaan koppelen aan de (al dan niet volstrekt zuivere) plaats die zij inneemt in de grondslag van een kerk. Terwijl het ons wanneer we er maar éven over nadenken, duidelijk mag zijn dat daar

toch bepaald niet alles mee gezegd is. Want stel dat het alleenrecht van de gereformeerde belijdenis in een kerkorde ondubbelzinnig veilig gesteld is. Daarvoor moeten we misschien terug naar Dordt, want ook ten aanzien van de huidige kerkorde van 1951 kan men dit al betwijfelen. Maar dat is nu niet het punt waar het om gaat. Waar het om gaat, is dit: zelfs al zouden de formuleringen die men gebruikt in een kerkorde zo zuiver zijn als 24 karaats goud, zodat aan ongereformeerde elementen nog voor geen millimeter ruimte geboden wordt - dan is daarmee nog niet gegarandeerd dat de kerk ook uit haar belijdenis leeft. We zouden in dat geval tevreden kunnen zijn over onze kerkelijke grondslag. We zouden zelfs kunnen menen dat we de strijd gewonnen hebben. Terwijl we in werkelijkheid misschien wel bezig zijn het echte bevindelijke leven uit de belijdenis in te ruilen voor de schotel linzenmoes van een formele omgailg $rmee. Dan zouden we de belijdenis 'naar deletter behouden, maar - naar de geest toch nóg verliezen.

De religie van de belijdenis

Onze vaderen hebben voor dit gevaar altijd oog gehad. Te denken valt aan prof. dr. J. Severijn. Hij verdedigde, als het erop aankwam met hand en tand, het goed recht van een exclusieve kerkelijke binding aan de gereformeerde belijdenis. Toen die binding in 1951 naar zijn gevoelen uiteindelijk te zeer werd opgerekt, bleek hij - in tegenstelling overigens tot de meesten van zijn geestverwanten - zelfs bereid om naar de rechter te stappen teneinde invoering van de kerkorde te voorkomen Cmen zie hierover bijv. het onlangs verschenen boek Delen of helen 1951-1981). Maar toen dat niet lukte, was dat voor hem geen reden om de kerk vervolgens los te laten. Beslissend voor hem wis namelijk wat hij noemde (met de hand slaande op de plaats waar z'n hart zat, heb ik me laten vertellen) 'de religie van de belijdenis'. Daarmee bedoelde hij het geestelijk leven dat gevoéd wordt dóór en zijn spankracht ontleent aan de belijdenis. Vandaag zouden we wellicht zeggen: de gereformeerde spiritualiteit (al is dat een veel slapper woord). Zonder dat hij het één geheel tegen het ander wilde uitspelen, wist Severijn: het gaat er ten diepste niet om dat de letter van de gereformeerde belijdenis zó vastligt dat er juridisch geen speld tussen te krijgen valt. Het gaat erom dat de kerk lééft uit datgene wat ze belijdt.

Nu is het natuurlijk juist ook met het oog daarop niet onbelangrijk dat de plaats van de belijdenis in het geheel van de kerk helder is. Zodat we elkaar erop kunnen aanspreken en erbij kunnen bewaren. Toch gebiedt de eerlijkheid te zeggen dat dit geestelijke leven uit de belijdenis natuurlijk niet afhankelijk is van de exacte juridische plaats van de belijdenis in een kerkorde. Misschien dat daarom één van de latere leidslieden van de Gereformeerde Bond, ds. W. L. Tukker, ooit kon zeggen: zelfs al liet de kerk haar belijdenis geheel los, dan nóg zouden we de kerk niet loslaten... Of we leven uit 'de religie van de belijdenis' is er veeleer van afhankelijk of ons hart geraakt is door datgene wat in die belijdenis aan de orde is. En of van daaruit ons leven er hoe langer hoe meer door gestempeld raakt. Dan zullen we ook gunnend eri wervend in het geheel van de kerk kunnen staan. Dan zal de belijde J nis pas werkelijk haar kracht kunnen bewijzen. Bevindt ze zich alleen in ons verstand, dan zit de belijdenis een voet te hoog. Bevindt ze zich echter alleen in onze grondslag, dan zit ze vele voeten te laag. Want op ons hart komt het aan - persoonlijk, maar ook als gemeenten, en als beweging in de kerk.

De les van de geschiedenis

De kerkgeschiedenis van de afgelopen honderd jaar heeft bewezen dat een fixatie op de zuiverheid van de plaats van de belijdenis in de kerk, inderdaad heel gemakkelijk ten koste kan gaan van de hartelijke, bevindelijke omgang met haar inhoud. Anders gezegd: overaccentuering van het formele gezag van de belijdenis blijkt nogal eens te leiden tot, of in elk geval samen te gaan met, verschraling van het leven uit haar inhoud. Binnen de kortste keren gaat het er rationalistisch, d.w.z. puur verstandelijk aan toe. De belijdenis moet immers gehandhaafd worden, als het nodig is tot op de punten en de komma's. Worden die punten en komma's betwijfeld, dan moeten zij extra worden onderstreept, zodat niemand er nog onderuit kan. Maar uiteindelijk blijkt in zo'n klimaat geestelijk niet meer te ademen. Het léven loopt eruit weg. Een volgende generatie merkt dat feilloos op, en kan er niet langer mee uit de voeten. Ze werpt het juk van een dergelijke verintellectualiseerde omgang met de belijdenis soms zomaar ineens geïrriteerd van zich af, met een kracht die niemand voor mogelijk had gehouden. Zijn op deze wijze in de tweede helft van de vorige eeuw de Gereformeerde Kerken in Nederland, naar een woord van prof. dr. H. Berkhof, niet sneller van karakter veranderd dan welke kerk ter wereld ook? Wat dat betreft zijn we gewaarschuwd...

Nogmaals, we willen de dingen niet tegen elkaar uitspelen. Het gaat er niet om dat we de inspanningen om te komen tot een ook in formele zin voluit gereformeerde kerk als niet terzake zouden moeten beschouwen. Integendeel. Maar het gaat er wel om dat we bedacht zijn op de bovengenoemde fixatie, die o zo gemakkelijk kan optreden. De kerk staat of valt uiteindelijk niet met onze pogingen haar gereformeerd te houden, maar met de Geest, Die waait waarin Hij wil, en Die tot onze verwondering zelfs in de uiterlijk meest vervallen situaties nieuw leven kan werken. Het is die Geest van Wie juist de gereformeerde belijdenis zoveel verwachting heeft. In een afrondende tweede bijdrage willen we daarom nog wat nader ingaan op de vraag, hoe we juist vanuit de inhoud van de gereformeerde belijdenis een weg kunnen vinden om met deze dingen om te gaan.

G. VAN DEN BRINK, WOERDEN

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 april 2003

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's

Omgang met de belijdenis

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 april 2003

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's