Het licht komt ter sprake
Predikant-dichters: een lange traditie
Er bestaat een lange traditie van predikant-dichters in onze nationale literatuur. Zo kennen we uit de zeventiende eeuw Jacob Revius en Dirk Rafaëlsz Camphuysen, uit de achttiende Rutger Schutte, uit de negentiende eeuw Nicolaas Beets en Jan Jacob Lodewijk ten Kate. De lijst is lang niet compleet. Vanaf de Reformatie zijn er in alle eeuwen predikanten geweest met een extra talent: het dichterschap. En dat talent hebben ze gebruikt voor hun gemeente in brede zin. Zo kwamen vele christelijke gedichten, poëtische gebeden en geestelijke liederen tot stand, de eeuwen door. En de goede predikant-dichters hebben altijd iets hogers gegeven dan 'preken op rijm'. Daarvoor moet je een dichterlijk talent hebben, taalgevoeligheid, creativiteit. Uiteraard zijn er ook heel wat predikanten geweest die zonder dat talent het dichterschap ter hand namen.
Die traditie is in de twintigste eeuw geen stille dood gestorven, ook al hebben Tachtigers als Willem Kloos er van alles aan gedaan om met name de negentiende-eeuwse predikant-dichters als Beets en Ten Kate weg te honen. Tevergeefs! Ook al hebben ze soms te veel gepubliceerd, zonder veel zelfkritiek, een deel van hun verzen leeft nog altijd. Nog steeds zingen we met Kerst: 'Daar is uit 's werelds duistre wolken/ een licht der lichten opgegaan.' Het is van Nicolaas Beets. En hoe bekend is niet 'De Heer is mijn Herder!' van Ten Kate? De dichter J. W. Schulte Nordholt, niet de eerste de beste, heeft indertijd een warm pleidooi gevoerd voor onder anderen Ten Kate als dichter van geestelijke liederen. Hij noemde hem op dit terrein een 'uitnemend' dichter, en in zijn beste verzen is 'de echte grootse toon van het kerklied' aanwezig, 'innig en objectief tegelijk, warm en gedragen'. Zo kent ook onze tijd, gelukkig, een aantal begaafde predikant-dichters. Het bekendst werd misschien wel de inmiddels hoogbejaarde Willem Barnard, veelal dichtend onder het pseudoniem Guillaume van der Graft. Maar er zijn ook jongere hedendaagse predikant-dichters, onder anderen Jan Groenleer (christelijk gereformeerd predikant) en André Troost (hervormd predikant). In dat rijtje van predikantdichters past ook Jaap Zijlstra.
De predikant-dichter Jaap Zijlstra
Jaap Zijlstra werd geboren in 1933 en is thans bijna zeventig. Aanvankelijk had hij een functie op administratief niveau. Pas op latere leeftijd ging hij theologie studeren en in 1967 werd hij op 'singuliere gaven' gereformeerd predikant in het noorden des lands. Vanaf 1971 was hij als predikant werkzaam in het evangelisatiewerk. Vanaf 1986 tot aan zijn emeritaat in 1994 was hij verbonden aan de Stichting 'Diensten met Belangstellenden', in en rond de Engelse kerk aan het Begijnhof te Amsterdam. Daar werd hij in opgevolgd door de reeds genoemde André Troost - een benoeming in dezelfde traditie! - die thans, sinds 2001, predikant is in de hervormde gemeente te Heusden.
Over 'singuliere gaven' gesproken: die heeft Jaap Zijlstra zeker, want hij preekt altijd uit zijn hoofd! Dat is voor een minder begaafde spreker nogal riskant - herhalingen, slordigheden - , maar bij iemand als Jaap Zijlstra ligt dat anders. Hij bezit de gave van het woord en via die gave geeft hij het Woord door. En dat is ook de verbinding met zijn literaire werk. Vanaf de jaren zestig is hij literair actief. Hij schreef proza - verhalen, de roman Een leeuw op de weg en vorige maand kwam de korte roman De zilverling uit - , een bijbels dagboek, gebedenbundels en bijna twintig gedichtenbundels, waarvan de eerste in 1969 verscheen onder de titel Land in zicht. Vorig jaar verscheen nog Olijftak, een bloemlezing met ruim 120 gedichten uit zijn poëziebundels. Een uitermate productief dichter dus.
Het boeiende van deze dichter vind ik dat hij in zijn werk enerzijds de centrale heilsfeiten - Christus de Zoon van God, Christus de enige Verlosser, Kruis en Opstanding, de uitstorting van de Heilige Geest - volledig overeind laat staan, maar dat hij die op een originele wijze vorm wil geven. Het middel dat hij wil uitbuiten is de taal. Dichten is 'het vinden van een goudader', zo heeft hij eens gezegd. Het gaat om een rijke boodschap, vormgegeven in een literair taalspel. Daardoor reiken zijn verzen hoger dan het gewone pastorale gedicht.
De stem die zwijgt
De zaterdag tussen Goede Vrijdag en Pasen noemen we 'Stille Zaterdag'. De dood heerst. Het graf is nog gesloten. De invalshoek die de dichter Zijlstra kiest voor zijn gedicht 'Stille Zaterdag', is de stem die zwijgt. De stem die de storm deed bedaren en regeerde over 'leven en dood' - zoals bij Lazarus - , die stem is door Zijn dood aan het kruis tot zwijgen gebracht. Daarom - let op het literaire spel - is het doodstille zaterdag, alles lijkt doodgewoon. Het lijkt wel alsof 'het verlossende Woord' niet voorgoed gegeven is. Maar dat is een leugen: de dood kan niet het laatste woord hebben. Zijlstra eindigt zijn gedicht met een bede om een levende stem.
STILLE ZATERDAG
Hij stond in de storm op de plecht uan een schip en riep: storm, wees stil! De storm legde zich neer aan zijn voeten.
Hij stond bij het graf uan een vriend en riep: kom naar buiten! Zijn stem regeerde over leven en dood.
Die stem werd ons lief toen Hij zei: Kind, je zonden zijn je vergeven! en dorstig vroeg bij een put: geef Mij te drinken.
De stem die ons heeft gezegd hoe te leven, hoe te bidden, / de stem die ons heeft gezegd wie U bent: onze Vader, die stem is tot zwijgen gebracht.
Het is stille zaterdag, doodstille zaterdag, alles is gewoon, doodgewoon, of het Woord, het verlossende Woord, niet eens en voorgoed werd gegeven...
O God, wek de stem tot leven!
De stem die spreekt
Stille Zaterdag: de stem zwijgt, stil als het graf. Maar die stem bleef niet zwijgen. Pasen is het feest van de opstanding. Uit 'doodstilte' wordt een 'stem' • geboren. Het woord - het vleesgeworden Woord - is uit windsels 'opge- - " staan'. Op de morgen van Pasen klinkt vanaf het houtwerk van de preekstoel het Woord van de Zoon van de timmerman, van Hem die het graf overwon. Zo komt het Licht 'ter sprake', in dubbele zin: niet alleen wordt er melding van gemaakt - de gewone betekenis van 'ter sprake komen' - , maar ook wordt uitvoerig gesproken over de werking, de uitstraling van het Licht van Pasen. Het Licht wint het van de duisternis. De zwijgende stem is een sprekende stem geworden: een nieuwe geboorte, een opstanding uit 'windsels' en 'lijnwaad'.
PASEN
Vanmorgen komt het licht ter sprake, het raakt de mond, het raakt de oren, een stem uit doodstilte geboren, een woord uit windsels opgestaan.
Gedachtig aan de timmerman die roepend wat hij roepen kan een keel gaf aan de duisternis - het houtwerk spreekt een eigen taal in woonvertrek en preeklokaal, het is een teken aan de wand.
Vanmorgen komt het licht ter sprake, het raakt de mond, het raakt de oren, een stem uit doodstilte geboren, een lied uit lijnwaad opgestaan.
Van alle oogst de eersteling
Voor Zijn dood en opstanding gebruikt Jezus zelf het beeld van de graankorrel: 'Indien het tarwegraan in de aarde niet valt en sterft, blijft hét alleen; maar indien het sterft, brengt het veel vrucht voort' (Joh. 12 : 24). Het is dit beeld dat Zijlstra uitwerkt in zijn gedicht 'Paaslied'. Het is een prachtig gedicht geworden, beeldrijk en klankrijk. Het beeld van het graan op de akker waaiert breed uit: graan, korrel, , oogst, garve, zaad, vore, akker. Het gedicht zit vol met functionele klinkerrijmen en alliteraties: 'de gratie van het graan', 'de korrel die ontbonden is', 'de garve van de opstanding', 'vorste
lijk te uelde'. Zo gaat in dit gedicht een rijke, diepzinnige boodschap samen met literair vernuft.
PAASLIED
Wij zingen bij de gratie van het graan dat opstaat als een man, de korrel die ontbonden is en uitbreekt in verrijzenis.
Van harte brengen uiij U lof, o Heer, die opdaagt uit het stof, uan alle oogst de eersteling, de garve uan de opstanding.
Gij die geuallen zijt als zaad en vorstelijk te velde staat, de smalle vore uan het graf werpt honderdvoud zijn uruchten af.
Heilige Geest, zo ver Gij waait, hebt Gij de akker ingezaaid met graan dat niet in vrede rust maar opstaat tot een lieve lust.
Heel subtiel heeft de dichter in dit gedicht fundamentele bijbelse noties ver-werkt. Het 'sola gratia': 'Wij zingen bij de gratie van/ het graan...'. De onmisbare werking van de Heilige Geest die doet opstaan tot een nieuw leven. In de woorden van de dichter: opstaan tot 'een lieve lust', dat wil zeggen niet leven in dode passiviteit, maar intens leven vanuit een nieuw perspectief dat reikt over de dood heen.
Heel fundamenteel ook is de notie dat de Opgestane de eerste is: Hij is 'van alle oogst de eersteling'. Het woord 'eersteling' is een prachtige vondst. Het is een duidelijke verwijzing naar de woorden van Paulus in 1 Kor. 15. Allereerst is Christus, de Vorst van Pasen, de Eerstgeborene uit de doden, 'de Eersteling... dergenen die ontslapen zijn'. Maar Christus is ook de Eerste in het leven van ieder die komt tot de definitieve keuze voor Hem. Hij is de Eerste 'van alle oogst'.
Het Licht raakt de mond, raakt de oren, aldus de dichter. De Gêest waait waarheen Hij wil. Zijn wij al 'geraakt'? Is het Licht in ons leven al 'ter sprake' gekomen?
J. DE GIER, EDE
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 april 2003
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 april 2003
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's