De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Omgang  met de belijdenis

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Omgang met de belijdenis

LICHT OP DE KERK [26]

9 minuten leestijd

De drieslag als slagader

Een vorige keer zagen we welke risico's er verbonden zijn aan een te grote fixatie op de wijze waarop de gereformeerde belijdenis verankerd wordt in de grondslag van een kerk. We moeten niet denken dat het wel goed zit met een kerk, als haar grondslag maar zuiver is. Op een levende omgang met de belijdenis komt het aan, wil een gereformeerde kerk werkelijk toekomst hebben. En die levende omgang, die 'religie van de belijdenis' (Severijn) is tot op zekere hoogte gelukkig ook mogelijk los van een solide dichtgetimmerde verwijzing naar de gereformeerde belijdenis in de grondslag. De vraag die we in dit artikel onder ogen willen zien, is wat een dergelijke levende omgang met het inhoudelijke goud van de belijdenis nu betekent voor ons staan in de kerk, juist ook in deze spanningsvolle tijd, waarin de dingen zich zo toespitsen. Wat kan de belijdenis zelf ons leren als het gaat om de houding die we hebben aan te nemen nu het fusieproces zijn afronding nadert?

Daar zou natuurlijk veel over te zeggen zijn. De belijdenis is immers zo breed en diep als het leven. We kiezen er echter voor om de rode draad van de Heidelbergse Catechismus als uitgangspunt te nemen - de drieslag van ellende, verlossing, en dankbaarheid. De diepe sporen die deze drieslag in het kerkelijke leven getrokken heeft, zijn onlangs nog voortreffelijk aangewezen door prof. W. Verboom in zijn Leidse inaugurele oratie. Het lijkt niet te veel gezegd wanneer we stellen dat we hiermee bij de slagader zijn niet slechts van de catechismus alleen, maar van het totale gereformeerde belijden. Wanneer we deze drie elementen van de religie der belijdenis nu op ons in laten werken, wat valt van daaruit dan te zeggen over de actualiteit?

i. Leven uit de ootmoed

Laten we beginnen met de ellendekennis. Duidelijk is dat het hier niet gaat

om een element dat ooit een gepasseerd station wordt. Integendeel, het hele christelijke leven wordt er naar gereformeerde opvatting door gestempeld. De boetvaardigheid doortrekt bijvoorbeeld bij Calvijn het leven van de christen tot diens laatste snik. Wie zichzelf in zijn of haar schuld tegenover God de Vader heeft leren kennen, kan na die ontdekking vervolgens niet weer hoog van de toren blazen. Niet tegenover God, maar ook niet tegenover anderen. Die zal veelmeer, in het besef dat het eigen hart niet minder boos en arglistig is dan dat van anderen, blijvend de weg van de ootmoed zoeken. De weg waarin ik me innerlijk niet beter voel dan een ander, ook niet al doet of beweert die ander totaal verkeerde dingen. Dat sluit beslistheid in het afwijzen van wat verkeerd is natuurlijk niet uit, maar bepaalt wel de toon daarvan.

Op II januari jl. werd in Putten, op een door het Comité tot behoud van de Nederlandse Hervormde Kerk georganiseerde bijeenkomst, terecht gezegd dat ootmoed niet het keurmerk kan zijn, waarop één bepaalde groep of modaliteit zichzelf exclusief laat voorstaan. Op het moment dat dat gebeurt, is ze immers al veranderd in hoogmoed. Zo nauw luistert het! Dat wil echter niet zeggen dat onze opstelling in de kerk niet geheel en al door deze ootmoed gestempeld zou dienen te zijn. En ook niet dat we elkaar daarop niet zouden mogen aanspreken. Vrijwel niemand spreekt het grote belang van een leven en spreken vanuit de christelijke ootmoed tegen. Integendeel, iedereen erkent het, ook rondom het SoW-proces. Maar vindt die erkenning ook niet wel eens wat pro forma plaats? Zodat de belijdenis van ons mede-schuldig staan aan de zonden van de kerk natuurlijk wel even genoemd wordt (wie zou het immers kunnen ontkennen), maar toch niet het gehéél van wat wij naar voren brengen, doortrekt? En zodat we naar buiten toe dan ook niet de indruk wekken ons werkelijk solidair te weten met de nood van geheel de kerk? Spreken we de kerk echt van binnenuit aan, als mensen die ten volle tot haar behoren, of toch wat meer van buitenaf, alsof we er geestelijk vanuit onze zelfgekozen marge eigenlijk toch wat buiten en boven staan? Omgekeerd kunnen we een soortgelijke vraag natuurlijk ook stellen. Want wekken de kerkelijke beleidsmakers nu de indruk, dat zij vanuit de christelijke ootmoed de bezwaarden tegemoet willen treden? Voor hen lijkt beslistheid nog het enige parool te zijn. De bereidheid om echt naar de bezwaarden te luisteren lijkt tot een minimum gedaald. En dat werkt dan begrijpelijkerwijs alleen maar verdere vervreemding in de hand. Wantje gaat toch niet met 'kerkverlaters' om alsof je geen boodschap aan ze hebt? De bezwaarden zijn niet maar het slachtoffer van misverstanden, ze houden je ook een spiegel voor waar je als kerk niet voor weg moet willen lopen.

2. Leven in het besef dat Christus regeert

Kijken we vervolgens naar het stuk van de verlossing, dan is het onmiskenbaar dat daarin Christus als Verlosser centraal staat. Hij vormt het hart van de gereformeerde belijdenis, zoals Hij ook het hart van het Woord vormt. De grootheid van Zijn macht en liefde wordt door de belijdenis van alle kanten in het licht gesteld. De gang van Zijn geboorte, leven, lijden, sterven en opstaan wordt omstandig nagetrokken met het oog op de onvergelijkelijke betekenis ervan voor het leven van Zijn gemeente. Wanneer we nu vanuit dit hart van de religie der belijdenis proberen door te vragen naar ons staan in de huidige kerkelijke situatie, wat zou dan het verband tussen het één en het ander zijn? Zou het niet dit zijn, dat we ook bij onze positiebepaling rondom het verenigingsproces telkens handelen en spreken vanuit het besef dat Christus ook vandaag de Koning der Kerk is? Niet managers of andere menselijke machthebbers maken uiteindelijk de dienst uit, maar Hij! Hij kocht Zijn gemeente immers met Zijn eigen bloed.

We mogen er om deze reden ook wel voorzichtig mee zijn, om over de belijdenis als over de grondslag van de kerk te spreken. Want zij is dat hooguit in een dubbel afgeleide zin. In eerste instantie is Christus Zelf de grondslag van de kerk. De kerk is geheel en al gebouwd op het fundament van Zijn verlossingswerk. En in tweede instantie kunnen we de leer van apostelen en profeten zoals die ons gegeven is in het Woord de grondslag van de kerk noemen. Dat Woord spreekt ons immers van Christus. Omdat de gereformeerde belijdenis intussen niet meer en niet minder wil zijn dan de echo van dat Woord, kunnen we ook haar zeer zeker als grondslag der kerk aanduiden. Maar pas in derde instantie, in een afgeleide zin! In eerste instantie moeten we letten op wat een kerk over Christus zegt, en hoe ze tegenover Hem staat. Wordt Zijn Naam door een kerk verloochend, dan kan men niet anders dan van een valse kerk spreken. Wordt Zijn regering echter erkend en beleden, dan moet men daar niet geringschattend over doen. Welnu, welke bezwaren er in dit verband ook tegen de toegevoegde lutherse belijdenisgeschriften in te brengen zijn, men kan onmogelijk staande houden dat zij de Naam van Christus verloochenen. Het ware zelfs te wensen dat ieder in de zich verenigende kerken zo hooggestemd over Hem sprak als in deze geschriften gebeurt!

3. Leven als betrouwbare mensen

Kijken we ten slotte naar het stuk van de dankbaarheid, dan is duidelijk dat dat ons oproept om ons hoe langer hoe meer door Gods Geest te laten hervormen tot mensen uit één stuk. Dat wil zeggen tot mensen op wie de Heere God om zo te zeggen aan kan, omdat ze Hem geen verdriet willen doen. En ook tot mensen op wie anderen aan kunnen, doordat ze zich in alles door Gods bedoelingen laten leiden. Niet voor niets maken het gebod en het gebed de kern van de christelijke dankbaarheid uit. Het gaat erom dat we in die weg omgevormd worden tot betrouwbare mensen, zoals Christus de door en door Betrouwbare is, op Wiens werk we staat mogen maken.

Wanneer we betrouwbaar zijn in onze opstelling in de huidige kerkelijke situatie, dan zullen we ons niet te veel door strategische overwegingen laten leiden. Zo van: 'Als wij ons been maar stijfhouden, dan zal dit of dan zal dat'. We zullen in elke situatie slechts zeggen wat in die situatie inhoudelijk gezegd moet worden. Daarbij zullen we ook steeds betrouwbaar zijn in de wijze waarop we over het fusieproces spreken. We zullen de dingen niet mooier voorstellen dan ze zijn, maar evenmin somberder en zwarter. Laat me één voorbeeld noemen van hoe snel het hier mis kan gaan. Dat betreft de formulering 'erkennen en respecteren' zoals die'in de grondslagartikelen wordt gebruikt. Regelmatig wordt de indruk gewekt, dat die betrekking zou hebben op alle veranderingen die in de nieuwe kerkorde worden doorgevoerd, inclusief bijvoorbeeld de zegening van niet-huwelijkse relaties. Zelfs kwam ik het eens tegen (voor alle duidelijkheid: niet in een publicatie van het 'Comité', maar in het Gereformeerd Weekblad), dat het 'erkennen en respecteren' werd opgevat als 'erkennen dat andersdenkenden óók gelijk hebben'. Welnu, dat is eenvoudig niet in overeenstemming met de feiten. Om met het laatste te beginnen: 'erkennen en respecteren' kun je alleen mensen van wie je vindt dat ze géén gelijk hebben. Het is immers overbodig van mensen te vragen om hun eigen mening te erkennen en respecteren. Het feit dat deze formulering gebruikt wordt, duidt er dus al op dat het gaat om mensen met wie je het op bepaalde punten niet eens bent. En dan gaat het, wanneer we de bewuste passages eerlijk lezen, niet om onbijbelse opvattingen zoals die in de ordinanties doorklinken. Het gaat er zelfs niet om, dat wij de totale inhoud van de lutherse belijdenissen erkennen en respecteren. Het gaat erom te erkennen en respecteren dat de lutherse gemeenten in het bijzonder verbonden zijn aan hun belijdenisgeschriften, en dat de lutherse en gereformeerde tradities bijeenkomen door een gemeenschappelijk verstaan van het evangelie. Kortom, wanneer we de dingen net even wat erger en ernstiger voorstellen dan ze zijn, doet dat afbreuk aan de betrouwbaarheid die van ons verwacht mag worden. Net zo goed als wanneer we de zaken onschuldiger zouden voorstellen dan ze zijn.

Ongetwijfeld zou er meer te zeggen zijn. De belijdenis is immers rijk en diep. Maar we laten het nu hierbij. Het komt erop aan dat we ons in een levende omgang voortdurend door haar laten voeden, en vooral ook door haar laten verbinden aan de Schriften waarop zij zo diep betrokken is. Van zo'n leven naar 'de religie van de belijdenis' zal, hoe het ook verder gaat met de kerk in ons land, ook in de toekomst veel zegen uit kunnen gaan.

G. VAN DEN BRINK, WOERDEN

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 april 2003

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Omgang  met de belijdenis

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 april 2003

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's